[Contact]

Nieuwskop.nl Nieuwskoppen Nederland

🔒
✇ Media Report

Buma/Stemra moet lage Spotify tarieven ook toepassen bij anderen

Door Jens van den Brink — 20 Februari 2019 om 10:45

Een opmerkelijke uitspraak over Buma/Stemra, die illustreert dat de tarieven die de rechtenorganisatie in rekening brengt, niet altijd eerlijk zijn.

Een ondernemer die geen zin heeft om een flink bedrag neer te leggen voor het afspelen van muziek in zijn bedrijfsruimte, zou op het idee kunnen komen daarvoor gebruik te maken van zijn persoonlijke Spotify-account. Buma/Stemra treedt hier niet tegen op. Een uitkomst die veel ondernemers waarschijnlijk als muziek in de oren klinkt. Maar aanbieders van (achtergrond)muziek die zich speciaal richten op zakelijke gebruikers zijn hier niet blij mee. De licentievergoeding die Buma/Stemra vraagt van muziekdistributiebedrijven gericht op de zakelijke markt, is namelijk aanzienlijk hoger dan de vergoeding die wordt gevraagd van streamingdiensten voor consumenten. Daar komt nog bij dat een consumentenabonnement bij bijvoorbeeld Spotify veel goedkoper is dan een zakelijk abonnement bij een andere aanbieder.

De feiten van de onderliggende zaak zijn als volgt. Buma/Stemra heeft een overeenkomst met verschillende aanbieders van streamingdiensten voor privé muziekgebruik, waaronder Spotify en YouTube. Deze diensten mogen niet commercieel worden gebruikt door zakelijke partijen in bijvoorbeeld winkels, horecagelegenheden of sportscholen. Spotify heeft dit ook nadrukkelijk opgenomen in haar gebruiksvoorwaarden.

ABMD (Associated Business Music Distributors) is een vereniging van bedrijven die achtergrondmuziek voor zakelijk gebruik aanbieden. Zij betalen per afnemer een licentievergoeding volgens het door Buma/Stemra bepaalde tarief. ABMD kreeg er lucht van dat in de praktijk toch veel ondernemers een consumentenabonnement van bijvoorbeeld Spotify gebruiken voor het afspelen van muziek binnen hun bedrijf. Slecht nieuws voor ABMD, dat gewoon het veel hogere Buma/Stemra tarief rekent voor haar afnemers. Bovendien betaalde Spotify een veel lagere licentievergoeding (ABMD betaalde ongeveer 7x meer) dan zijzelf.

Buma/Stemra weigert handhavend op te treden tegenover ondernemers die hun privé abonnement zakelijk gebruiken, vanwege een afweging die gericht is op een maximale opbrengst voor de rechthebbenden (kosten van handhaving zijn te hoog en handhaving zou afdoen aan maatschappelijke acceptatie). Buma/Stemra maakt daarom volgens ABMD misbruik van machtspositie en handelt onrechtmatig jegens ABMD. Volgens ABMD zou Buma/Stemra moeten optreden tegen deze zakelijke gebruikers die (in strijd met de licentievoorwaarden van de streamingsdienst) via een consumentenabonnement muziek afspelen in hun bedrijfsruimte.

ABMD vordert onder meer een verklaring voor recht dat Buma/Stemra onrechtmatig heeft gehandeld, en een gebod om zakelijke gebruikers aan te pakken die in hun bedrijf gebruik maken van een Spotify consumenten abonnement.

De rechtbank Amsterdam stelt vast dat Buma/Stemra inderdaad onrechtmatig heeft gehandeld door de leden van ABMD een ander tarief in rekening te brengen dan het bedrag dat door streamingdiensten wordt afgedragen voor gebruik dat weliswaar voor consumenten bedoeld is, maar dat in de praktijk zakelijk wordt gebruikt.

Buma/Stemra is monopolist in Nederland wat betreft het bepalen van de tarieven voor het gebruik van de rechten die zij beheert. Daarom mag van haar verwacht worden dat zij vergelijkbare gevallen gelijk behandelt. Aangezien Buma/Stemra weigert te handhaven, kan aan de huidige feitelijke ongelijkheid daarom alleen een einde worden gemaakt door in beide gevallen van zakelijk muziekgebruik dezelfde vergoeding te vragen. De rechter beveelt Buma/Stemra de tarieven gelijk te trekken en zij moet de schade van ABMD vergoeden.

Auteurs: Lotte Oranje, Julia Driessen en Jens van den Brink

✇ Media Report

Beveiliging van aantal websites onder toezicht

Door Joran Spauwen — 7 Februari 2019 om 11:42

Een aantal online dienstverleners zijn tegenwoordig wettelijk verplicht om hun cyber security op orde te hebben. Sinds kort moeten online marktplaatsen, zoekmachines en clouddiensten namelijk passende maatregelen nemen “om de risico’s voor de beveiliging van hun netwerk- en informatiesystemen te beheersen”. Natuurlijk zit niemand te wachten op een hack of een lek, dus het regelen van je beveiliging is eigenlijk altijd een goed idee. Belangrijk is echter dat de deze nieuwe wetgeving (de Wbni) ook verplicht om cyber security incidenten actief te melden bij bepaalde instanties.

Valt jouw site onder de nieuwe wet?

Online marktplaatsen en zoekmachines zullen zichzelf waarschijnlijk snel herkennen in de nieuwe wet. Voor clouddiensten is dat wat vager. Volgens de overheid gaat het om infrastructure en platform as-a-service (Iaas en Paas), maar ook om SaaS-diensten, zoals “een financieel pakket, online office, etc.”. Dat is natuurlijk vrij breed.

Niet iedereen krijgt overigens te maken met de nieuwe meld- en beveiligingsplicht. De wet geldt grof gezegd niet voor kleine bedrijven (minder dan 50 werknemers en balanstotaal < €10mio).

Ook hoeven niet alle incidenten gemeld te worden. Alleen voor incidenten met ‘aanzienlijke gevolgen’ geldt een meldplicht. De overheid heeft hiervoor een handig schemaatje gemaakt.

Datalekken moesten toch al gemeld worden?

Dit soort regels zijn niet helemaal nieuw. Voor het verwerken van persoonsgegevens gelden vergelijkbare verplichtingen. Qua scope is de Wbni iets breder; deze geldt bijvoorbeeld ook voor partijen/systemen die geen persoonsgegevens verwerken. Belangrijk is vooral dat cyber-incidenten met persoonsgegevens (datalekken) nu niet meer alleen bij de Autoriteit Persoonsgegevens gemeld moeten worden, maar ook bij het CSIRT-DSP.

Kortom: ben je als bedrijf online actief – check even vooraf welke stappen je precies moet nemen voor als er onverhoopt toch iets fout gaat.

Met dank aan Joost Lichtendahl

✇ Media Report

Activist’s conviction for hooliganism over ‘obscene’ protest violated Article 10 ECHR

Door Redactie — 28 Januari 2019 om 13:46

* This blog post was written by Ronan Ó Fathaigh, IVIR/Univ. Amsterdam and Dirk Voorhoof, Human Rights Centre, Ghent University and Legal Human Academy

On 15 January 2019, the European Court’s Second Section unanimously found that an anti-corruption activist’s conviction for staging an “obscene” demonstration outside a prosecutor’s office, targeting a number of public officials, violated the activist’s freedom of expression. The Court in Mătăsaru v. the Republic of Moldova took the Moldovan courts to task for holding that Article 10 of the European Convention was not applicable to the activist’s protest, with the European Court reiterating that “expressive conduct” which shocks, offends or disturbs is fully protected under Article 10’s guarantee of freedom of expression.

Facts

The applicant in the case was Anatol Mătăsaru, a 49-year-old resident of the Moldovan capital Chișinău. The case began in late January 2013, when Mătăsaru demonstrated outside the Prosecutor General’s Office in Chișinău to protest against the ‘corruption and the control exercised by politicians over the Prosecutor General’s Office’. The protest involved erecting two large wooden sculptures on the stairs of the Prosecutor General’s Office, the first being a large penis with a picture of a public official attached to its head; while the second was a large vulva with pictures of several officials from the prosecutor’s office in the middle (see here and here). The protest lasted an hour before police officers intervened, arresting Mătăsaru and seizing the sculptures.

Mătăsaru was charged with hooliganism under Article 287 of the Moldovan Criminal Code, defined as ‘deliberate actions grossly violating public order, involving violence or threats of violence or resistance to authorities’ representatives or to other persons who suppress such actions as well as actions that by their content are distinguished by an excessive cynicism or impudence’. Two years later, Mătăsaru was convicted of hooliganism by the Râșcani District Court, and received a two-year prison sentence, suspended for three years. The District Court held that Mătăsaru’s actions had been “immoral” and exposed “obscene” sculptures in a public place where ‘they could be seen by anyone, including by children’. The District Court also held ‘assimilating public officials with genitals went beyond the acceptable limits of criticism’, and was ‘not an act protected under Article 10 [of the ECHR]’. Mătăsaru’s conviction and sentence were upheld by both the Chișinău Court of Appeal and Moldova’s Supreme Court of Justice.

Judgment

Mătăsaru made an application to the European Court, claiming his conviction was a violation of his right to freedom of expression under Article 10. Mătăsaru submitted that his conviction was not ‘prescribed by law’, arguing the Criminal Code’s Article 287 on the offence of hooliganism was ‘not applicable to the particular circumstances of his case’. However, the Court, while noting the Moldovan courts had ‘failed to explain in a satisfactory manner why they opted for the criminal sanction provided for by Article 287’, held it was ‘unnecessary’ to decide the issue given the Court’s later findings. Thus, the main question for the European Court was whether the conviction had been ‘necessary in a democratic society’.

The Court first reiterated that Article 10 protects ‘expressive conduct’, including expressive conduct which offends, shocks or disturbs the State or ‘any section of the population’. The Court referred to its previous case law on expressive conduct where it had found the following: displaying dirty laundry near the Hungarian parliament was a form of ‘political expression’ (Tatár and Fáber v. Hungary); pouring paint on statues of Atatürk was an ‘expressive act’ performed as a protest against the political regime (Murat Vural v. Turkey); detaching a ribbon from a wreath laid by the Ukrainian President at a monument was a form of ‘political expression’ (Shvydka v. Ukraine); and the Pussy Riot punk band attempting to perform from the altar of a Moscow cathedral was a form of ‘artistic and political expression’ (Maria Alekhina and Others v. Russia) (see our post).

The Court then examined Mătăsaru’s protest, and noted that he had been found guilty of hooliganism because during his protest he had exposed public sculptures of an obscene nature and because he had attached to them pictures of a politician and several senior prosecutors, thus ‘offending [the politician and senior prosecutors] and infringing their right to dignity’. Applying its Article 10 principles, the Court held that it ‘cannot agree’ with the Moldovan courts’ ruling that Article 10 of the Convention was ‘inapplicable to the applicant’s conduct’. The Court noted that the Moldovan courts did not conduct a ‘proper balancing exercise’ under Article 10 of the different interests involved, and imposed a ‘very heavy sanction’ on the applicant in the form of a suspended prison sentence. The Court then applied its unanimous Grand Chamber judgment in Cumpǎnǎ and Mazǎre v. Romania, holding that the circumstances of Mătăsaru’s protest ‘present no justification whatsoever for the imposition of a prison sentence’. This was because a prison sentence, even if suspended, by its very nature, not only has negative repercussions on the applicant, but may also have a ‘serious chilling effect’ on other persons and discourage them from exercising their freedom of expression.

The Court concluded that although the interference with freedom of expression ‘may have been justified by the concern to restore the balance between the various competing interests at stake’, the criminal sanction imposed was ‘manifestly disproportionate in its nature and severity to the legitimate aim pursued by the domestic authorities’. Thus, the Court unanimously held that the Moldovan courts went beyond what would have amounted to a ‘necessary’ restriction on the applicant’s freedom of expression, therefore in violation of Article 10.

Comment

The unanimous judgment in Mătăsaru is a strong reaffirmation that domestic courts may not impose prison sentences, even if suspended, on peaceful protestors engaging in expressive conduct (including artistic and satirical expression) on matters of public interest. The Court was categorical on this point, holding that there was no justification whatsoever for a suspended prison sentence. This amplifies the Court’s case law that a peaceful demonstration should not, ‘in principle’, be made subject to the ‘threat of a penal sanction’ (see, e.g., Pekaslan and Others v. Turkey, Taranenko v. RussiaPrimov v. RussiaNemtsov v. Russia, Frumkin v. Russia, and Yılmaz Yıldız and Others v. Turkey) (and our post on Novikova v. Russia).

Mătăsaru is particularly important and timely, given the controversial Sinkova v. Ukraine judgment last year from the Court’s Fourth Section (see our post). By a 4-3 vote, the Sinkova majority held that a protestor’s arrest, three-month pre-trial detention, conviction and suspended two-year prison sentence, for staging a performance-art protest at a war memorial did not violate Article 10. The judgment prompted a rigorous dissent, which highlighted ‘inconsistency’ with the Court’s prior case law on the imposition of suspended prison sentences, and issued a stark warning of a ‘real risk of eroding the right of individuals to voice their opinions and protest through peaceful, albeit controversial, means’.

This warning prompted over 22 international and national organisations involved in freedom of expression and freedom of peaceful assembly to support a request for a referral of Sinkova to the 17-judge Grand Chamber of the Court (see here). A five-judge Panel of the Grand Chamber however rejected the request for a referral. Of note, the Court in Mătăsaru nowhere mentioned, nor even cited, the Sinkova judgment. Indeed, Sinkova has not been applied in a Court judgment to date, and the Mătăsaru judgment leads to Sinkova becoming a disapproved and lone aberration in the case law on the imposition of suspended prison sentences for peaceful protest and participation in matters of public debate.

While Mătăsaru is a welcome judgment, one point needs to be teased out relating to the Court’s statement in the second-last paragraph: that the interference with freedom of expression ‘may have been justified by the concern to restore the balance between the various competing interests at stake’. The Court seemed to be leaving open the suggestion that there existed certain interests which outweighed the applicant’s freedom of expression. But while the Court did not explore the point fully, a brief mention of the relevant case law would have been relevant and informative.

The Court has already dealt with the distinct issue of public officials seeking to prohibit their depiction in an ‘obscene’ manner. The leading judgment is Vereinigung Bildender Künstler v. Austria, concerning an injunction preventing further depiction of a politician where a photo of his face was placed on a painted naked body, ‘gripping the ejaculating penis’ of another public official, while ‘being touched by two other’ public officials and ‘ejaculating on Mother Teresa’. The Court found a violation of Article 10, as the politician’s ‘personal interests’ did not outweigh the right to engage in satirical expression on a matter of public interest, and targeting a public official.  The Court applied the principle that satire is a form of ‘artistic expression and social commentary’, and by its ‘inherent features of exaggeration and distortion of reality, naturally aims to provoke and agitate’. Further, the expression at issue could not be ‘understood to address details’ of the politician’s private life, but rather his ‘public standing as a politician’, and public officials must ‘display a wider tolerance in respect of criticism’. Of course, it must be recognised that the Court takes a different approach to ‘obscene’ expression relating to non-public officials (Palomo Sánchez and Others v. Spain) and religion (see, e.g., Otto-Preminger-Institut v. Austria, Wingrove v. the United Kingdom, İ.A. v. Turkey, and E.S. v. Austria; to some extent, contra in Aydın Tatlav v. Turkey, and see also Akdaş v. Turkey).

But the expressive conduct in Mătăsaru was political expression targeting an elected official, and a number of public officials, in their official capacity, and on a matter of public interest. Indeed, on the public interest element, the Court has confirmed in other judgments concerning Moldova and anti-corruption policy (Guja v. Moldova, and Guja v. Moldova (No. 2)), the ‘strong public interest’ on the issue of  ‘separation of powe

rs’ and ‘improper conduct’ by high-ranking politicians and involving the Prosecutor General’s Office. In this regard, the Court has long held that there is ‘little scope’ for restrictions on expression on matters of public interest, and domestic authorities have a ‘particularly narrow’ margin of appreciation (Morice v. France).  It must be remembered that Mătăsaru involved criminal proceedings for hooliganism, and not administrative proceedings, nor civil proceedings by the public officials targeted. This would be difficult to square with the Court’s principle that the ‘dominant position which those in power occupy’ makes it ‘necessary for them to display restraint in resorting to criminal proceedings’, and only in ‘certain grave cases – for instance in the case of speech inciting to violence’. There was no suggestion that the expressive conduct in Mătăsaru was anything other than entirely peaceful

This post was previously published on Strasbourg Observers.

 

✇ Media Report

EHRM berispt Azerbeidzjan vanwege verspreiding seksvideo kritische journaliste

Door Daan van Straten — 17 Januari 2019 om 17:12

Khadija Ismayilova is inmiddels de bekendste journaliste van Azerbeidzjan. Bij Azadliq Radio deed zij met name tussen 2010 en 2012 onderzoek naar corruptie door de Azerbeidjaanse president en zijn familie en diens banden met een lucratief bouwproject. Ook publiceerde zij een lijst met Azerbeidjaanse politieke staatsgevangenen. De overheid zette allerlei onconventionele instrumenten in om Ismayilova het zwijgen op te leggen. De journaliste stapte uiteindelijk naar het EHRM.

In maart 2012 ontving Ismayilova een uit Moskou afkomstige dreigbrief met expliciete stills uit een seksueel getinte video van haar met haar toenmalige geliefde. De foto’s werden begeleid met de volgende, niet mis te verstane bedreiging: “Whore, refrain from what you are doing, otherwise you will be shamed!’”. Al gauw verscheen de video op het internet, waarna in 2013 twee nieuwe intieme video’s werden verspreid. Tegelijk met het opduiken van de eerste video verschenen in drie zwaar gecensureerde Azerbeidjaanse kranten artikelen waarin Ismayilova een gebrek aan professionalisme, een anti-overheidsbias en immoreel gedrag in de schoenen werd geschoven.

De journaliste ontdekte uiteindelijk verborgen camera’s en een aangelegde telefoonkabel (die de cameraopnamen naar buiten doorspeelde) in haar appartement. Deze ontdekking bracht de openbare aanklager zover een onderzoek in te stellen naar zowel de dreigbrief als de verborgen camera’s. Ismayilova en de medewerker van de telecomdienst, die aangaf de verbinding onder hevige druk te hebben aangelegd, werd gevraagd een formele verklaring af te leggen. Omdat Ismayilova vanaf het begin haar twijfels uitte over het onderzoek besloot de overheid in april 2012 een rapport te publiceren om zo het bestaan van een gedegen en goed verlopen onderzoek te bewijzen. In feite onthulde het rapport echter nog meer informatie dan reeds bekend over het privéleven van Ismayilova en dat van haar vrienden en familieleden. Het bewoog Ismayilova tot het aanspannen van een aantal civiele zaken bij de nationale rechtbank. Tevergeefs. Het onderzoek kwam in de doofpot terecht en Ismayilova werd in 2014 in het kader van een andere zaak opgepakt. De verdenkingen waren fors: verduistering, illegaal ondernemerschap, corruptie en belastingontduiking. In 2016 werd zij na maanden detentie gedeeltelijk vrijgesproken en uiteindelijk in vrijheid gesteld.

Het aan alle kanten gebrekkige onderzoek naar de lastercampagne tegen Ismayilova bracht de getroffen journaliste vorig jaar zover de zaak voor te brengen bij het Hof in Straatsburg. Het Hof constateert de inbreuk van twee fundamentele rechten: het recht op privacy en het recht op vrijheid van meningsuiting.

Volgens het Hof staat vast dat de staat verantwoordelijk is voor de ernstige privacy-inbreuk en dat er ‘significant flaws’ bestaan in de wijze waarop de overheid het onderzoek heeft vormgegeven. Daarnaast verwijt het Hof Azerbeidzjan nalatigheid in het onderzoek naar de dreigbrief en de link tussen de journalistieke activiteiten van Ismayilova en de reeks criminele feiten die tegen haar is begaan.

Wat betreft de beperking van de vrijheid van meningsuiting stelde het Hof vast dat de dreigbrief verband hield met haar kritische werk. Het Hof verwijt Azerbeidzjan niet alleen het niet beschermen van het recht op privacy, maar ook het niet naleven van haar positieve verplichting uit art. 10 EVRM de vrijheid van meningsuiting te waarborgen. Ook sprak het Hof in dit verband zijn zorgen uit over de algemene situatie in Azerbeidzjan: de stelselmatige criminalisering van kritische journalisten, tot aan het plaatsen van verborgen camera’s in de slaapkamer, inclusief het fysieke geweld, en het straffeloos blijven van de verantwoordelijken.

Bovenstaande zaak legt pijnlijk bloot hoe slecht het gesteld is met het recht op privacy en de vrijheid van meningsuiting in Azerbeidzjan.

✇ Media Report

AG Hof van Justitie: alleen right to be forgotten binnen de EU

Door Lotte Oranje — 17 Januari 2019 om 14:49

Advocaat-generaal Szpunar van het Hof van Justitie van de EU heeft op 10 januari 2019 twee interessante conclusies gewezen over het ‘right to be forgotten’.

Het gaat om twee Franse zaken. In de eerste zaak (CNIL/Google) heeft Google, na een verzoek van een persoon om zoekresultaten te verwijderen, deze zoekresultaten verwijderd, maar alleen binnen de domeinnaamextenties van de Europese Unie. De Franse gegevensbeschermingsautoriteit (CNIL) eist dat Google de verwijdering toepast op alle domeinnaamextenties van haar zoekmachine, dus ook bijvoorbeeld .com. Wereldwijde verwijdering dus. De grondslag hiervoor zou volgens de autoriteit de Europese privacy-richtlijn en het Google Spain arrest zijn. De advocaat-generaal is het daar niet mee eens en vindt dat gekeken moet worden naar de plaats van waaruit de zoekopdracht wordt uitgevoerd. Is dit buiten het grondgebied van de Europese Unie, dan komen de zoekopdrachten niet voor een verwijdering van koppelingen uit de zoekresultaten in aanmerking. Het recht van de Europese Unie kan namelijk niet zo ruim worden uitgelegd dat het ook van toepassing is buiten de landsgrenzen van de lidstaten. Alleen in bijzondere gevallen waarin de interne markt geraakt wordt, kan sprake zijn van extraterritoriale gevolgen (bijvoorbeeld in het mededingings- of merkenrecht). In deze zaak is daar geen sprake van. Daarom is de exploitant van een zoekmachine in principe niet verplicht de verwijdering toe te passen op alle domeinnaamextenties van zijn zoekmachine. De AG benadrukt echter wel een andere belangrijke beperking in het recht op toegang tot informatie. Zodra een recht op verwijdering van koppelingen binnen de EU is vastgesteld, moet de exploitant van een zoekmachine alle mogelijke maatregelen nemen om te zorgen voor een doeltreffende en volledige verwijdering van de koppelingen binnen het grondgebied van de Europese Unie. Volgens de AG kan dit door geoblocking toe te passen: het blokkeren van toegang tot bepaalde webpagina’s op basis van de geografische locatie van de internetgebruiker. Als gevolg hiervan krijgen internetgebruikers met IP-adressen uit EU-lidstaten geen toegang tot de koppelingen in de zoekresultaten, ongeacht de domeinnaam die wordt ingevoerd door de internetgebruiker of de nationaliteit van de internetgebruiker. Geen wereldwijde blokkade dus.

In de tweede zaak (CNIL/betrokkenen) gaat het om de vraag of het verbod om bijzondere persoonsgegevens te verwerken ook van toepassing is op de exploitant van een zoekmachine. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om gegevens over de geloofsovertuiging of gezondheid van personen. De advocaat-generaal beantwoordt deze vraag bevestigend. Dit verbod brengt met zich mee dat de exploitant van de zoekmachine “systematisch de verzoeken tot verwijdering van koppelingen naar webpagina’s met daarop dergelijke gegevens moet inwilligen”, waarbij rekening moet worden gehouden met de uitzonderingen uit de Europese privacy-richtlijn die deze verwerking toestaan. Het systematisch inwilligen van verzoeken kan een groot risico opleveren voor het recht op toegang tot informatie, omdat hierdoor standaard links op internet verwijderd worden, zonder dat er een belangenafweging plaatsvindt. Hiervoor lijkt Szpunar oog te hebben en hij stelt daarom dat de zoekmachine exploitant altijd nog verplicht is een afweging te maken tussen het recht op bescherming van gegevens enerzijds en het recht op toegang tot informatie en vrijheid van meningsuiting anderzijds. Hierbij moet rekening worden gehouden met de vraag of de betrokken informatie journalistieke, artistieke of literaire doeleinden dient. De vraag is echter hoe een exploitant van een zoekmachine verzoeken tot verwijdering “systematisch” kan inwilligen als de exploitant bij elk individueel verzoek uitzonderingen moet bekijken en juridische belangenafwegingen moet maken. Deze vraag laat de advocaat-generaal helaas onbeantwoord.

Een conclusie van de AG is een aanbeveling voor het Hof. Het Hof volgt meestal het advies van de AG, maar is daar niet toe verplicht. Zo besloot het Hof in het Google Spain arrest de advocaat-generaal niet te volgen (zie ook: MR 2014-035).

Voor een samenvatting in het Nederlands van de twee conclusies: zie hier en hier.

✇ Media Report

Rectificatie!

Door Jens van den Brink — 31 December 2018 om 10:12

Rectificatie van WUWM 89.7 FM.

Zie hier voor meer uit onze serie toprectificaties.

 

Via @remych

 

✇ Media Report

Hyperlinken naar diffamerende content niet onrechtmatig.

Door Michael Bacon — 20 December 2018 om 12:42

Op 4 december 2018 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zich (opnieuw) uitgesproken over het fenomeen ‘hyperlinken’. Hongarije wordt door het EHRM op de vingers getikt, wegens een te strenge beoordeling van de aansprakelijkheid van een nieuwswebsite voor het linken naar een publicatie met diffamerende content. Dit heeft een ‘chilling effect’ op de vrijheid van meningsuiting.

Een journalist, werkzaam bij de populaire Hongaarse nieuwswebsite www.444.hu, werd beschuldigd van het verspreiden van een onrechtmatige publicatie, door het plaatsen van een hyperlink naar deze publicatie bij een artikel op de website. De journalist schreef in 2013 een artikel over een incident in het dorpje Konyár. Daar schopten dronken voetbalsupporters herrie en maakten zij racistische opmerkingen bij een school waar voornamelijk Roma-studenten naar toe gaan. Bij het artikel plaatste de journalist een hyperlink naar een interview op YouTube met de Roma-gemeenschapsleider uit het dorp over Roma-problematiek. In dit interview beweerde de leider dat de voetbalsupporters aanhangers van de Hongaarse rechts-populistische ‘Jobbik’ partij waren. In latere uitspraken is door de Hongaarse rechter geoordeeld dat deze bewering onjuist en onrechtmatig was ten opzichte van de partij in kwestie. Omdat het Hongaarse recht bepaalt dat een verwijzer naar (later) onrechtmatig bevonden content op het internet automatisch aansprakelijk is jegens de benadeelde partij voor de verspreiding van die onrechtmatige content, is de nieuwswebsite veroordeeld tot het plaatsen van rectificaties en het verwijderen van de hyperlink uit het artikel. Het EHRM benadrukt het belang van hyperlinks voor het waarborgen van een goede werking van het internet en de toegang tot informatie.

In het uitspraak heeft het Hof het meeste commentaar op het automatisme waarmee een verwijzer in Hongarije aansprakelijk wordt gehouden voor (later) onrechtmatig bevonden content op het internet. Gelet op de karakteristieke kenmerken van hyperlinks, met name dat de content waarnaar wordt verwezen zelf niet wordt getoond en de verwijzer in de regel geen invloed op de content heeft, moet de aansprakelijkheid van de verwijzer van geval tot geval worden beoordeeld. Het Hof formuleert vervolgens vijf criteria die in de context van art. 10 EVRM kunnen worden meegenomen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid van een hyperlink naar een publicatie op het internet

  1.      Heeft de journalist de informatie ondersteund?
  2.      Heeft de journalist de inhoud slechts herhaald?
  3.      Heeft de journalist alleen de link gepost zonder iets erbij te vermelden?
  4.      Kon de journalist weten dat de inhoud lasterlijk of onrechtmatig was?
  5.      Heeft de journalist in goede trouw gehandeld, met respect voor de journalistieke ethiek?

De Hongaarse journalist heeft in dit geval bij het artikel een hyperlink geplaatst, slechts met de mededeling dat een interview met de Roma-gemeenschapsleider online stond. Daarop is verder geen commentaar gegeven en is niet ingegaan op de inhoud van het filmpje, laat staan dat de politieke partij is genoemd. Volgens het Hof was niet overduidelijk dat de journalist wist of had moeten weten dat de content waarnaar de hyperlink verwees onrechtmatig was. Onder deze omstandigheden dient de vrijheid van meningsuiting te prevaleren en was het plaatsen van een hyperlink naar dat artikel dus niet onrechtmatig in de zin van artikel 10 EVRM. De Hongaarse wetgever heeft nagelaten om te voorzien in de mogelijkheid tot een goede afweging van de belangen van de verzoekende onderneming op grond van art. 10 EVRM. Journalisten zouden zich hierdoor sneller kunnen onthouden van het linken van materiaal waarover zij geen controle hebben. Dit veroorzaakt direct of indirect een ‘chilling effect’ op de vrijheid van meningsuiting. Kortom, er is in dit geval sprake van een schending van art. 10 EVRM.

✇ Media Report

Rectificatie!

Door Redactie — 11 December 2018 om 15:00

Rectificatie Wall Street Journal, 29 november 2018.

 

 

 

 

Via @mathieuvonrohr

Voor andere voorbeelden uit onze collectie memorabele rectificaties, zie hierhier en hier.

✇ Media Report

EU vs Disinfo gaat zich niet langer richten op Europese media

Door Emiel Jurjens — 30 November 2018 om 17:08


Er is al
veel bericht over de strijd tegen fake news door de EU, waarvoor zij onder meer de website ‘EU vs Disinfo’ inzet. Dit is een database met artikelen die door de EU als ‘fake news’ (c.q. ‘disinformation’) zijn aangemerkt. Eerder dit jaar spanden drie Nederlandse media een kort geding aan omdat hun artikelen ten onrechte als fake news werden bestempeld op EU vs Disinfo, waarop de EU een rectificatie publiceerde en de beschuldigingen van de site verwijderde. De EU liet echter weten wel verder te willen met EU vs Disinfo (waarbij de EU dus bepaalt wat wel en niet fake news is), ondanks het pleidooi van Nederland in Brussel om de site op te heffen. Sterker nog: uit beleidsplannen van het EU leek te volgen dat EU vs Disinfo juist uitgebreid en versterkt zou gaan worden. Hoewel dit zeker nog niet van tafel is, bleek vandaag uit onderzoek van de NOS dat al sinds juli van dit jaar beleid is dat er geen Europese media meer op de zwarte lijst van EU vs Disinfo worden gezet. De NOS bericht hierover:

Sinds juli komen er nauwelijks meer media uit EU-landen op de lijst voor. Dat is geen toeval, maar beleid, zeggen de EU-ambtenaren. Media uit EU-landen worden in principe niet meer op de lijst gezet, tenzij lidstaten zelf vragen om ook hun media in de lijst op te nemen.”

Verder wil de EU graag dat EU vs Disinfo professioneler wordt en minder op (veelal partijdige) vrijwilligers hoeft te leunen.

Met deze maatregelen wordt echter niet tegemoetkomen aan het principiële bezwaar dat het onwenselijk (en in strijd met de uitingsvrijheid) is dat de overheid bepaalt wat de waarheid is. Bovendien blijft gelden dat EU vs Disinfo geen objectief platform is, maar een onderdeel van de tak “strategic communications” van de EU vormt. Uit de laatste beleidsplannen van de EU op het gebied van fake news volgt dat het hoofddoel van deze vorm van communicatie is: “countering false narratives about Europe and tackling disinformation, within and outside the EU.” Niet geheel uit te sluiten is dat de EU bevooroordeeld is bij het beoordelen van wat geldt als een ‘false narrative about Europe’.

Zorgwekkend is verder dat kennelijk lidstaten kunnen vragen om media op hun grondgebied in de lijst op te nemen: het is niet snel voor te stellen onder welke omstandigheden dat aan de orde zou kunnen zijn zonder strijd met artikel 10 EVRM.

De Commissie zal binnenkort, onder meer vanwege de naderende verkiezingen voor het Europese Parlement, komen met nieuwe plannen tegen fake news.

✇ Media Report

Richtlijn Audiovisuele Mediadiensten definitief aangenomen (met last minute aanpassing)

Door Emiel Jurjens — 23 November 2018 om 14:18

De Raad heeft op 6 november 2018 de definitieve versie aangenomen van de herziene Richtlijn Audiovisuele Mediadiensten (Richtlijn AVMD). We schreven al eerder over de grootste verandering die deze regelgeving gaat brengen, namelijk dat ‘video sharing platforms’ ook gereguleerd zullen gaan worden. Opvallend aan de definitieve tekst is dat de artikelen 28a en 28b (de artikelen over video sharing platforms) met elkaar van plaats zijn verwisseld ten opzichte van de eerder gepubliceerde tekst van de Richtlijn AVMD. Uit navraag bij de Raad blijkt dat deze wijziging is gemaakt tijdens de juridisch-linguïstieke revisie. Daar werd het logischer geacht om eerst de regels voor het vaststellen van jurisdictie over de video sharing platform aanbieders te noemen (artikel 28a definitief), en vervolgens de inhoudelijke regels waar deze aanbieders aan moeten voldoen uit te werken (artikel 28b definitief).

De redactie heeft vernomen dat de tekst van de herziene Richtlijn AVMD waarschijnlijk in het Publicatieblad van de EU van 28 november aanstaande gepubliceerd zal worden. Twintig dagen daarna wordt de Richtlijn van kracht en hebben de lidstaten 21 maanden om de regels te implementeren in de nationale wetgeving (in Nederland zal dit een wijziging van de Mediawet tot gevolg hebben).

Update 28 november 2018: De tekst van de Richtlijn is als verwacht vandaag gepubliceerd in het Publicatieblad. Daarmee zijn ook alle officiële taalversies beschikbaar, waaronder de Nederlandse.  Het rekensommetje van de termijn voor implementatie is voor ons gemaakt: “Member States shall bring into force the laws, regulations and administrative provisions necessary to comply with this Directive by 19 September 2020. They shall immediately communicate the text of those provisions to the Commission.”

✇ Media Report

Opmerkelijk: rechtbank vindt dat column niet ‘nodeloos grievend’ mag zijn …

Door Jens van den Brink — 14 November 2018 om 17:42

Een BN’er (een bekende cabaretier die “regelmatig optreedt in de televisieprogramma’s Dit was het nieuws en De wereld draait door“) werd in meerdere columns in Metro van seksueel wangedrag beschuldigd. Hier een fragment uit een van de columns:

“(…) Aanranding wil ik het niet noemen, dat vind ik flauw. Al is dat technisch gezien eigenlijk precies wat er is gebeurd. Maar wat er precies is gebeurd, probeer ik nog op een rijtje te krijgen, en waarom het is gebeurd weet ik ook niet helemaal. Wel weet ik dat dit soort dingen elke dag gebeuren. En dat al die meisjes zich net als ik nu afvragen: “Heb ik dit zelf uitgelokt?” Natuurlijk klinkt dat raar, maar ik zou het ook stom vinden om er zomaar vanuit te gaan dat ik er sowieso niks aan kon doen. Dat de man altijd de schuld heeft, omdat hij nu eenmaal sterker is. (…) Aan de andere kant, terwijl ik dit schrijf staat ‘Trouble’ van Taylor Swift op repeat, voel ik me superrot (zie voorgaande punt), tel ik vijf blauw-groene plekken, kan ik mijn nek niet goed draaien en niet op mijn linkerzij liggen. En dat is helemaal niet oké. (…)

Ik weet ook wel dat hij me geen pijn wilde doen, niet expres. Want wat voor mannen blijkbaar echt onweerstaanbaar is, is het woord ‘nee’. Hard-to-get schijnt een heel leuk spelletje te zijn, maar…ik speelde helemaal geen spelletje. Waar het op neerkwam is dat de man in kwestie – die ik tot overmaat van ramp stiekem ook nog best wel lief en leuk vond – gewoon bezet was en daarom bij mij uit de buurt moest blijven. Dat heb ik ook gezegd. Een stuk of dertig keer. Maar hoe stelliger ik hem afwees, hoe stelliger hij werd. Toch lukte het me om hem van me af te houden, en geloof me als ik zeg dat mij dat ook heel veel zelfbeheersing kostte. Bijna was er niks aan de hand geweest, want ik fietste gewoon naar huis die avond. Maar we kwamen elkaar twee kilometer verder weer tegen, en dat eindigde dus met mij tegen een hek. In de armen van die supersterke sexy Neanderthaler waar ik als verwarde feministe eerder om had gevraagd. Blijkbaar werkt het woord ‘nee’ heel goed. Voor ‘iets’ in ieder geval. Vooral als je het bijna helemaal meent.”

De BN’er voerde al in 2015 een kort geding tegen Metro, dat hij won. De voorzieningenrechter oordeelde dat het een columnist(e) […] in beginsel vrij staat te schrijven over persoonlijke ervaringen. Dit neemt echter niet weg dat,[…], ook in een column niemand lichtvaardig mag worden beschuldigd en dat beschuldigingen steun dienen te vinden in het beschikbare feitenmateriaal.” Een aantal columns was niet herleidbaar tot de BN-ers en daarom al niet onrechtmatig. Voor één column vond de rechter dat die wel herleidbaar, en er onvoldoende feitelijke onderbouwing waren voor de beschuldigingen. Metro moest de column van internet verwijderen.

In 2017 schreef de columniste weer een column over de man, waarin zij nog ernstigere bewoordingen gebruikt en hem van verkrachting heeft beschuldigd, aldus eiser. De BN-er zegt dat “een onschuldige zoenpartij door haar ten onrechte is opgeblazen tot seksueel wangedrag“, en vordert nu in een bodemprocedure rectificatie en schadevergoeding.

Eerder dit jaar (het vonnis is pas op 31 oktober gepubliceerd) deed de rechtbank Amsterdam uitspraak.

De rechtbank bevestigt de bekende rechtspraak waaruit volgt dat een columnist een grotere mate van vrijheid toekomt om zijn of haar persoonlijke mening te geven, maar voegt daaraan toe: De vrijheid van meningsuiting is echter ook in een column gebonden aan grenzen, welke worden overschreden in het geval de uitingen zijn gedaan met de bedoeling de ander te kwetsen of de bewoordingen met het oog op het te dienen belang nodeloos grievend zijn. Daarnaast is sprake van overschrijding van grenzen wanneer columnisten bij het uiten van hun persoonlijke mening over personen kwalificaties bezigen of vergelijkingen treffen waartoe de feiten in redelijkheid geen aanleiding geven. Bepaalde aspecten mogen dus worden uitvergroot in een column, maar moeten wel steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal.”

De rechtbank meent verder dat de nieuwe column herleidbaar was en acht de beschuldigingen onrechtmatig en veroordeelt Metro uitgever tot een schadevergoeding van EUR 10.000,-.

Dit vonnis is naar mijn mening problematisch.

Een column mag van de rechtbank niet ‘nodeloos grievend’ zijn. Het lijkt erop alsof dat zinnetje een beetje per ongeluk in het vonnis terecht is gekomen. Althans, dat hoopt de Mediareport redactie. Het EHRM beschermt immers ook het recht “to offend, shock or disturb” en een column bij uitstek een plek is waarin ‘nodeloos grievende’ uitingen (wat dat ook moge betekenen) een plek hebben en kwetsende uingen niet bepaald uitzonderlijk zijn, laat staan verboden.

De rechtbank lijkt hier (per ongeluk?) een veel te strenge grens te trekken, die bovendien in deze zaak ook niet nodig was om tot hetzelfde oordeel te komen. Deze zaak ging er nu juist om dat dit volgens de rechtbank niet zo maar opinies of verwensingen waren, of kwetsende uitingen, maar feitelijke beschuldigingen van een ernstig strafbaar feit. Waarom de rechtbank dan overweegt dat een column niet nodeloos zou mogen grieven is onduidelijk. En kwalijk. Als dit daadwerkelijk het recht zou zijn, zou dat voor veel heel columnisten betekenen dat ze moeten inbinden.

Bijgaand de prachtige cartoon van onze voormalige collega Willem van Manen, die zich altijd (terecht) druk maakte over rechters die naar zijn idee te veel strooiden met de term ‘onnodig grievend’.

Wij hopen dat columnisten gewoon gebruik blijven maken van hun recht om onnodig te grieven.

✇ Media Report

Quirine Tjeenk Willink naar Kennedy Van der Laan

Door Redactie — 2 November 2018 om 16:34

Het mediateam van Kennedy Van der Laan is heel blij te kunnen melden dat Quirine Tjeenk Willink sinds deze week bij Kennedy Van der Laan is gestart als partner regulatory litigation en privacy. Dat betekent ook een fantastische versterking voor onze mediapraktijk, bijvoorbeeld voor frequentievraagstukken, issues rond de Mediawet en andere reguleringskwesties waar media- en telecombedrijven mee worden geconfronteerd.

Quirine heeft meer dan 15 jaar ervaring in de advocatuur en vertegenwoordigt al jaren partijen in de telecom- en mediasector.

Na ruim een jaar als general counsel in de directie van energienetwerkbedrijf Alliander N.V. keert ze terug in de advocatuur als partner bij Kennedy van der Laan. Tjeenk Willink was voor Alliander onder meer partner en hoofd privacy & data protection bij Bird & Bird en deed ruim 11 jaar ervaring op als counsel bij advocatenkantoor Allen & Overy.

✇ Media Report

Foto’s over de vriend van Dionne Stax in Story niet onrechtmatig

Door Joost Lichtendahl — 2 November 2018 om 16:11

In het tijdschrift Story is op 31 juli 2018 een aantal foto’s en een artikel gepubliceerd over de (nieuwe) vriend van nieuwslezeres Dionne Stax. De vriend van Stax is daarop een kort geding gestart bij de voorzieningenrechter in Amsterdam waarin hij onder meer heeft gevorderd iedere verdere verspreiding van de foto’s te verbieden omdat dit inbreuk zou maken op zijn privacy. De voorzieningenrechter

wijst het gevorderde verbod af.

Stax is een bekende Nederlander die volop in het nieuws staat en de publiciteit niet schuwt. Daarnaast vervult Stax volgens de voorzieningenrechter vanwege haar uitspraken en levensstijl voor veel vrouwen van haar leeftijd die ook een carrière nastreven een voorbeeldfunctie. Om deze redenen gaat het nieuws dat ze een nieuwe vriend heeft verder dan alleen het voldoen aan nieuwsgierigheid van het publiek.

Bovendien oordeelt de voorzieningenrechter dat de nieuwe vriend van Stax door zijn relatie met haar zelf ook een ‘min of meer publieke figuur [is] geworden en onderwerp van ‘entertainmentnieuws’ met, zij het in geringe mate, nieuwswaarde’. Van hem mag daarom op het gebied van blootstelling aan publiciteit meer worden gevergd dan van de gemiddelde onbekende burger.  

Verder overweegt de voorzieningenrechter in het kader van een belangenafweging dat de foto’s illustratief zijn voor het artikel, niet diffamerend zijn, niet zijn genomen in een intieme setting en evenmin tot stand zijn gekomen als gevolg van hinderlijk volgen, zoals de vriend van Stax tevergeefs had aangevoerd. Bovendien heeft Sanoma toegezegd de foto’s niet verder te zullen verspreiden zonder dat daartoe een journalistieke reden bestaat. Het artikel zelf is verder ook niet negatief van aard. Onder deze omstandigheden is de publicatie van de foto’s en het artikel niet onrechtmatig.

Ten slotte slaagt ook het beroep op de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) niet omdat Sanoma een beroep kan doen op de journalistieke uitzondering voor het verwerken van persoonsgegevens.

De slotsom luidt dat alle vorderingen worden afgewezen.

✇ Media Report

HR bevestigt portretrecht uitspraak Hof Den Haag: geen verbod op boek ‘De Gekooide Recherche’

Door Jens van den Brink — 26 Oktober 2018 om 11:22

De Hoge Raad verwierp in een arrest van vandaag de cassatie tegen het arrest van het Hof Den Haag over het boek De Gekooide Recherche van Michiel Princen, over zijn ervaringen als rechercheur bij de politie. Eiser in deze zaak is Jonathan T., die al meermalen onderwerp is geweest van publicaties en over wie ook een boek is geschreven, waarbij hij ook herkenbaar is afgebeeld, en met zijn volledige naam is genoemd. Daar heeft hij ook eerder over geprocedeerd. Eerder trad hij bijvoorbeeld zonder succes op tegen publicatie van dezelfde foto door Quote.

T. deed zich ten onrechte voor als advocaat en werd beschuldigd van oplichting van meerdere BN-ers, waaronder de weduwe Endstra. T. is uiteindelijk veroordeeld tot 3,5 jaar gevangenisstraf. In het boek wordt de strafzaak tegen T. beschreven en wordt T. opgevoerd met volledige naam en een herkenbare foto, waarop hij op de rode loper te zien is met de weduwe Endstra.

T. startte daarop een civiele procedure tegen de Nederlandse Staat, de Nationale Politie en auteur – en voormalig rechercheur – Princen van het boek over deze passage. Hij wilde onder meer dat het boek uit de handel zou worden genomen.

Volgens T. had Princen zich schuldig gemaakt aan schending van zijn ambstgeheim en waren T’s recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer en zijn rechten onder de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) geschonden.

Volgens T diende het voorkomen van zijn naam en het tonen van een foto van hem alleen maar de bevrediging van publieke nieuwsgierigheid. Dat was het hof niet met hem eens: “Princen heeft toegelicht dat hij ervoor heeft gekozen de problemen binnen de recherche inzichtelijk te maken aan de hand van het verloop van het onderzoek in strafzaken waarover in de media al breed was bericht, zoals de zaken tegen H., P. en T. Die koppeling van het bekende (de strafzaken) aan de boodschap (de opsporingsproblemen) kan de controleerbaarheid en geloofwaardigheid en daarmee de zeggingskracht vergroten. In die zin draagt ook het noemen van de naam van T. en het tonen van zijn portret bij aan het hiervoor genoemde algemeen belang. Het betoog van T. dat Princen het nagestreefde doel ook had kunnen bereiken zonder zijn naam te noemen treft in zoverre dus geen doel.”

Daarbij speelde mee dat de feiten die over hem in het boek staan, al eerder waren gepubliceerd. Dat gold ook voor de beschrijving van hem als oplichter, en informatie over zijn seksuele geaardheid.

Het hof wijst nog op de bekende regel uit het Springer arrest, dat geen beroep kan worden gedaan op het recht op bescherming van reputatie als het verlies van goede naam een voorzienbaar gevolg is van het eigen gedrag, zoals het plegen van een strafbaar feit. “Die publiciteit was in dit geval extra goed te voorzien vanwege de bekendheid van ten minste één slachtoffer van de door [appellant] gepleegde strafbare feiten, te weten [de weduwe Endstra]. Niet in geschil is dat [slachtoffer] als de weduwe van Endstra kan worden gekwalificeerd als een publiek persoon.”

Bovendien ging T om met allerlei andere bekende Nederlanders en trok hij daarom ook zelf aandacht van de media. Dat gedrag van brengt ook mee dat zijn beroep op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer minder zwaarder weegt.

Er is T geen wederhoor geboden, maar dat is ook geen absoluut recht en het ontbreken ervan maakt de publicatie niet onrechtmatig.

Het beroep op de Wbp (inmiddels de AVG) wordt eenvoudig afgeserveerd; de uitingsvrijheid weegt hier zwaarder dan de belangen die de Wbp beschermt.

Ook meer in het algemeen weegt de uitingsvrijheid hier volgens het hof zwaarder dan de het recht op privacy waar T zich op beroept. Zijn vorderingen worden afgewezen.

De Hoge Raad heeft vandaag het cassatieberoep van T. verworpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO. Dat betekent dat de Hoge Raad de zaak afdoet zonder inhoudelijke motivering, omdat het cassatieberoep ongegrond is en geen juridisch belangrijke nieuwe vragen oproept.

✇ Media Report

Passages over moeder van schrijfster in ‘autobiografisch dagboek’ niet onrechtmatig

Door Meyke Rietveld — 18 Oktober 2018 om 15:23

Op 11 oktober 2018 heeft de voorzieningenrechter uitspraak gedaan in een zaak over het boek De Porseleinkast, Faxen aan Ger van Nicolien Mizee. In dit boek, dat grotendeels bestaat uit een verzameling faxen die de auteur in de jaren ’90 van de vorige eeuw heeft verzonden aan een vriend, staan verschillende uitingen van de auteur over haar moeder. Haar moeder is niet blij met deze uitingen en start een rechtszaak tegen de uitgever (Van Oorschot) met als doel de verspreiding van het boek te voorkomen. De voorzieningenrechter wijst haar vorderingen echter af.

De zaak draait om een zevental passages in het boek, waarin Mizee herinneringen ophaalt aan haar moeder en enkele negatieve ervaringen over haar moeder deelt. De moeder van Mizee voert in het kort geding aan “zeer diep gekwetst” te zijn door deze passages en stelt dat ze bovendien feitelijk onjuist zijn.

De voorzieningenrechter beoordeelt eerst of er steun in de feiten bestaat voor de uitingen.

Daarbij kwalificeert zij eerst een deel van de uitingen van Mizee als waardeoordelen. Mizee heeft zich bij het schrijven van het boek dan wel “laten inspireren door waargebeurde feiten en in werkelijkheid bestaande personen“, maar het boek bevat (naar oordeel van de rechter) ‘haar waarheid’, die bestaat uit waardeoordelen:

“4.4. (…) Het werk is aan te merken als een autobiografisch dagboek. De gemiddelde hedendaagse lezer zal begrijpen dat het boek niet altijd objectieve beschrijving van de werkelijkheid betreft, maar de persoonlijke beleving en herinnering van de schrijfster, die zij soms heeft overdreven of aangedikt en dier zij op een literaire wijze heeft ingekleurd met haar verbeelding en emoties. Het boek bevat dus niet de waarheid, maar haar waarheid.

De voorzieningenrechter noemt daarbij passages als “dat [haar moeder] de schrijfster heeft gekleineerd en een afkeer van haar heeft” en “dat de schrijfster haar moeder vreemd vindt“. Dergelijke waardeoordelen zijn niet voor bewijs vatbaar, en de voorzieningenrechter oordeelt daarom dat niet van de uitgever gevergd kan worden dat zij aannemelijk maakt dat deze uitingen steun vinden in de feiten.

De passages bevatten ook enkele feitelijke beschuldigingen. Bij de beoordeling of deze steun in de feiten vinden stelt de voorzieningenrechter voorop: “Gezien het literaire karakter van het boek en gezien de schrijfstijl van de auteur zal de gemiddelde hedendaagse lezer begrijpen dat niet ieder in het boek gepresenteerd feit ook daadwerkelijk zo hoeft te zijn gebeurd.

De voorzieningenrechter vergt echter wel enig onderzoek van de uitgever, nu de dagboekvorm van het boek bij de gemiddelde lezer de indruk wekt op feiten te zijn gebaseerd. De uitgever heeft in de procedure toegelicht dat zij dit onderzoek heeft verricht en heeft daarbij verschillende producties in het geding gebracht, op grond waarvan de voorzieningenrechter oordeelt dat er voldoende steun in de feiten bestaat voor de ‘feitelijke passages’ in het boek. De eerste lijn van klachten van eiseres (dat de uitingen onjuist zijn) faalt dus.

Dan beoordeelt de voorzieningenrechter het beroep van de moeder op de schending van haar persoonlijke levenssfeer. De moeder is herkenbaar in het boek beschreven en de negatieve ervaringen van de auteur gaan over het gezinsleven en de verhoudingen tussen de leden in het gezin. Op grond daarvan oordeelt de voorzieningenrechter dat de passages kwalificeren als “een inbreuk op haar door artikel 8 EVRM beschermde rechten“.

De uitingsvrijheid weegt echter zwaarder, zo oordeelt de voorzieningenrechter, nu onder meer “[het boek] gaat om de persoonlijke beleving en herinnering van de schrijfster“, waarbij het “moeilijk is het personage van de moeder te fingeren of daarin wijzigingen aan te brengen”. Ook weegt de voorzieningenrechter mee dat de de moeder “weliswaar in een kwaad daglicht [wordt gesteld“, maar dat ze slechts “een zeer beperkte rol” heeft in het boek. Verder overweegt de voorzieningenrechter dat de passages “niet buiten iedere proportie” grievend zijn en dat het boek ook positieve(re) uitingen over de moeder bevat. En tot slot is volgens de voorzieningenrechter relevant dat “de impact van het boek beperkt” is, nu de oplage niet groot is en de gebeurtenissen enkele decennia geleden hebben plaatsgevonden.

De uitingsvrijheid weegt in dit geval dus zwaarder dan de schending van de persoonlijke levenssfeer en de vorderingen worden afgewezen. De voorzieningenrechter merkt tot slot nog op dat de uitingsvrijheid niet alleen strekt tot het aan de kaak stellen van maatschappelijke misstanden (wat kennelijk was betoogd), maar ook de “artistieke uitingsvrijheid” omvat.

✇ Media Report

Savva Terentyev v. Russia: criminal conviction for inciting hatred against the police violated a blogger’s freedom of expression

Door Redactie — 15 Oktober 2018 om 11:14

* Guest post By Dirk Voorhoof, Human Rights Centre, Ghent University and Legal Human Academy

In Savva Terentyev v. Russia the ECtHR has applied a very high level of free speech-protection for aggressively insulting and hostile comments about police officers, published on a weblog. The ECtHR observes that some of the wording in the blog post was offensive, insulting and virulent, but it found that the (emotional and sarcastic) comments as a whole could not be seen as inciting to hatred or violence. In contrast with the findings by the Russian authorities, the ECtHR is of the opinion that Terentyev’s blog did not pose “a clear and imminent danger” and could not be seen as stirring up “base emotions or embedded prejudices” attempting to incite hatred or violence against Russian police officers.

Controversial police action and conviction for inciting hatred and enmity

The applicant in this case, Savva Terentyev (not to be confused with the applicant in the 2017 judgment in the case of Terentyev v. Russia), living in the Komi Republic of Russia, had a blog hosted by livejournal.com, a popular blog platform. A police action in the premises of a local newspaper journal had resulted in sharp criticism on social media and websites. The official version was that the police found illegal software on the newspaper’s computers, and that this justified the seizure of the hard disks in the newspaper’s office. The police action against the newspaper however took place only short time before regional elections in the Komi Republic, and therefore the search and seizure by the police was linked to the election campaign, especially because the newspaper was in opposition to the current authorities of the Komi Republic and was actively supporting a well-known local politician who had a long-standing conflict with those authorities. In a press release by an NGO and in several blogs, the police action was considered as a political intervention in order to silence the newspaper. One comment labelled the police as “‘the regime’s faithful dogs’ (..) with the mentality of a repressive hard stick in the hands of those who have the power”. Also Savva Terentyev posted a comment entitled “I hate the cops, for fuck’s sake”, in which he compared police officers with pigs and filth, and he suggested that it would be great if in the centre of every Russian city, on the main square “there was an oven, like at Auschwitz”, in which ceremonially “infidel cops” would be burnt.

Criminal proceedings were brought against Terentyev under Article 282 § 1 of the Russian Criminal Code. The blogger was found guilty for “having publicly committed actions aimed at inciting hatred and enmity and humiliating the dignity of a group of persons on the grounds of their membership of a social group”. The court based its findings on, among other evidence, two expert reports and it found that Terentyev had negatively influenced public opinion “with the aim of inciting social hatred and enmity, escalating social conflict and controversy in society and awakening base instincts in people”, calling for the “physical extermination” of police officers by ordinary people. According to the trial court “the text did not allow for any ambiguous interpretation of its content and meaning”. It considered that the crime committed by Terentyev was “particularly blatant and dangerous for national security” as it ran against the fundamentals of the constitutional system and State security. The domestic court found that a sentence involving the deprivation of liberty should be imposed on Terentyev, but given his positive references at his place of residence and work and the absence of a criminal record, Terentyev was imposed a suspended sentence of one year’s imprisonment. The Supreme Court of the Komi Republic rejected Terentyev’s appeal and endorsed the Town Court’s conclusions, confirming that he had publicly called for violence against police officers. Terentyev lodged a complaint with the ECtHR, alleging in particular that his criminal conviction for a comment on the Internet had violated his right to freedom of expression under Article 10 ECHR.

 The Court’s judgment

The ECtHR assumes that the interference with Terentyev’s right to freedom of expression was “prescribed by law” and aimed at the protection of the rights of others, namely Russian police personnel. With regard to the assessment of the necessity in a democratic society, the ECtHR first recalls that

“there is little scope under Article 10 § 2 ECHR for restrictions on political speech or on debate on questions of public interest. It is the Court’s consistent approach to require very strong reasons for justifying restrictions on such debate, for broad restrictions imposed in individual cases would undoubtedly affect respect for the freedom of expression in general in the State concerned”.

 The ECtHR accepts that it may be necessary in democratic societies to sanction or even prevent forms of expression which spread, incite, promote or justify violence or hatred based on intolerance provided that any “formalities”, “conditions”, “restrictions” or “penalties” imposed are proportionate to the legitimate aim pursued. Next, the ECtHR examines the nature and wording of the impugned statements, the context in which they were published, their potential to lead to harmful consequences and the reasons adduced by the Russian courts to justify the interference in question.

The ECtHR reiterates that offensive language may fall outside the protection of freedom of expression if it amounts to wanton denigration. The use of vulgar phrases in itself is however not decisive in the assessment of an offensive expression as it may well serve merely stylistic purposes: style constitutes part of the communication as the form of expression and is as such protected together with the substance of the ideas and information expressed. The ECtHR stresses that not every remark which may be perceived as offensive or insulting by particular individuals or groups justifies a criminal conviction in the form of imprisonment. It is only by a careful examination of the context in which the insulting or aggressive words appear that one can draw a meaningful distinction between shocking and offensive language which is protected by Article 10 ECHR and that which forfeits its right to tolerance in a democratic society. The key issue in the present case is whether Terentyev’s statements, when read as a whole and in their context, can be seen as promoting violence, hatred or intolerance.

The ECtHR finds that the statements in Terentyev’s blog raised the issue of the alleged involvement of the police in silencing and oppressing the political opposition in the period of an electoral campaign and therefore concerned a matter of general and public concern, a sphere in which restrictions of freedom of expression are to be strictly construed. With regard the content of the statements, the ECtHR notes that the passage about the ceremonial incineration of “infidel cops” in ovens, referring to Auschwitz, is particularly aggressive and hostile in tone. However, unlike the domestic courts, it is not convinced that that passage can actually be interpreted as a call for the police officers’ physical extermination by ordinary people. Rather it was used as a provocative metaphor, which frantically affirmed Terentyev’s wish to see the police “cleansed” of corrupt and abusive officers (“infidel cops”). It is furthermore of relevance that the remarks in Terentyev’s blog did not attack personally any identifiable police officers but rather concerned the police as a public institution. A certain degree of immoderation may be acceptable, particularly where it involves a reaction to what is perceived as unjustified or unlawful conduct of civil servants. In the Court’s view, being a part of the security forces of the State, the police should display a particularly high degree of tolerance to offensive speech, unless such inflammatory speech is likely to provoke imminent unlawful actions in respect of their personnel and to expose them to a real risk of physical violence. The ECtHR is not convinced that Terentyev’s comment was likely to encourage violence capable of putting the Russian police officers at risk. Furthermore his blog had only a minor impact, as it drew seemingly very little public attention, and the comments remained only one month online. Finally the Court reiterates that a criminal conviction is a serious sanction, while moreover the imposition of a prison sentence for an offence in the area of a debate on an issue of legitimate public interest is only compatible with Article 10 ECHR in exceptional circumstances, notably where other fundamental rights have been seriously impaired, as, for example, in the case of hate speech or incitement to violence. The ECtHR repeats that it is not convinced that Terentyev’s comment had the potential to provoke any violence with regard to the Russian police officers, and thus posed a clear and imminent danger which required his criminal prosecution and conviction. The ECtHR furthermore stresses

 “that it is vitally important that criminal law provisions directed against expressions that stir up, promote or justify violence, hatred or intolerance clearly and precisely define the scope of relevant offences, and that those provisions be strictly construed in order to avoid a situation where the State’s discretion to prosecute for such offences becomes too broad and potentially subject to abuse through selective enforcement” (§ 85).

On the basis of these considerations the ECtHR comes to the conclusion that Terentyev’s criminal conviction did not meet a “pressing social need” and was disproportionate to the legitimate aim invoked. The interference was thus not “necessary in a democratic society” and accordingly violated Article 10 ECHR.
Comments

The outcome in this case with the finding of a violation of Article 10 ECHR might be surprising, as the comments at issue wishing that “infidel cops” may be ritually burnt by the people, in an oven “like at Auschwitz”, can be considered as incitement to hatred and even violence against the police, while incitement to hatred and violence can be sanctioned with criminal sanctions without amounting to a violation of Article 10 ECHR (see e.g. Sürek (no. 1) v. Turkey, Sürek (no 3) v. Turkey, Zana v. Turkey, Hocaoğullari v. Turkey, Halis Doğan (no. 3) v. Turkey, Karatepe v. Turkey, Falakaoğlu and Saygili v. Turkey, Saygili and Falakaoğlu (no. 2) v. Turkey, Féret v. Belgium, Lindon, Otchakovsky-Laurens and July v. France and Leroy v. France). In some exceptional and extreme cases, the abuse clause of Article 17 ECHR has even been declared applicable, excluding “hate speech” from any protection under the Convention’s right to freedom of expression (eg. Mark Anthony Norwood v. the United Kingdom (dec.), Fouad Belkacam v. Belgium (dec.), Dieudonné M’bala M’bala v. France(dec.) and ROJ TV A/S v. Denmark(dec.)). The unanimous finding by the ECtHR in Savva Terentyev v. Russia that the offensive comments posted on the Internet did not justify a suspended prison sentence, is however in line with the Court’s jurisprudence in cases where the ECtHR is not convinced that the statements (or slogans) at issue contained incitement to hatred or violence, or acts of terrorism (see the Court’s findings in numerous cases against Turkey since 1999, most recently e.g. Dündar and Aydınkaya v. Turkey, Düzel v. Turkey, Varhan v. Turkey, Yildirim v. Turkey, Kinik v. Turkey, Polat and Tali v. Turkey and Ayadin v. Turkey). The ECtHR also reiterates that in principle the police should display a particularly high degree of tolerance to offensive speech. Earlier case law of the Court made clear that calling the police “wild beasts in uniform” was considered as protected speech under Article 10 ECHR (Thorgeir Thorgeirson v. Iceland. See also Lyashko v. Ukraine and Vellutini and Michel v. France). In Savva Terentyev v. Russia, the statements furthermore did not attack personally any identifiable police officers, but concerned the police as a public institution.

As the ECtHR emphasized in other judgments, provisions in criminal law restricting political speech or debate on questions of public interest must be strictly interpreted (Gündüz v. Turkey and Perinçek v. Switzerland). It is indeed the Court’s consistent approach to require very strong reasons for justifying restrictions on such debate, especially in pre-election periods (Długołęcki v. Poland). More recently, in Stomakhin v. Russia, the ECtHR emphasized “that it is vitally important that the domestic authorities adopt a cautious approach in determining the scope of “hate speech” crimes and strictly construe the relevant legal provisions in order to avoid excessive interference under the guise of action taken against “hate speech”, where such charges are brought for a mere criticism of the Government, State institutions and their policies and practices” (see Mariya Alekhina a.o. v. Russia and our blog on the Pussy Riot case).

The judgment in Savva Terentyev v. Russia confirms the strict scrutiny by the ECtHR of the domestic courts’ findings in cases of hate speech related to political speech or debate on issues of public interest. While the domestic courts found that the statements at issue did not allow for any ambiguous interpretation of its content and meaning, the ECtHR itself comes to another interpretation. According to the ECtHR, the blog showed Terentyev’s

“emotional disapproval and rejection of what he saw as abuse of authority by the police and conveys his sceptical and sarcastic point of view on the moral and ethical standards of the personnel of the Russian police. Seen in this perspective, the statements in question can be understood as a scathing criticism of the current state of affairs in the Russian police and, in particular, the lack of rigour in the recruitment of their personnel” (§ 71).

In other cases the ECtHR found that some statements were at least “contradictory and ambiguous” in order to accept the domestic courts’ findings of incitement to violence (Zana v. Turkey), or it considered that the comments in question “did not include sophisticated metaphors” as they were “manifest expressions of hatred and blatant threats to the physical integrity of the insulted person” (Delfi AS v. Estonia). In Savva Terentyev v. Russia the ECtHR applies another reading and interpretation of the statements at issue, neutralizing their incitement character by qualifying them as a “provocative metaphor” and as an “emotional appeal to take measures with a view to improving the situation”, also referring to the “sceptical and sarcastic” view expressed in the statements. However, like in other cases, the ECtHR moreover emphasizes that the statements cannot be looked at in isolation, and that it is crucial to determine whether or not the statements run the risk of effectively inciting to hatred or act of violence or can be regarded as likely to exacerbate an already explosive situation in the region concerned(see e.g. Zana v. Turkey and Leroy v. France). In Savva Terentyev v. Russia the ECtHR discerns no elements, either in the domestic courts’ decisions or in the Government’s submission, which would enable it to conclude that Terentyev’s comment had the potential to provoke any violence with regard to the Russian police officers, thereby posing “a clear and imminent danger” which required his criminal prosecution and conviction (see also Gül and Others v. Turkey, Kılıç and Eren v. Turkey; Erbakan v. Turkey and Stomakhin v. Russia).

This approach by the ECtHR, applied on internet comment and “hate speech”, integrates the principles enshrined in the 2012 Report of the UN Special Rapporteur on the promotion and protection of the right to freedom of opinion and expression (also referred to in the judgment’s overview of “relevant international instruments materials”, § 34). According to this UN report the following elements are essential when determining whether an expression constitutes incitement to hatred:

“real and imminent danger of violence resulting from the expression; intent of the speaker to incite discrimination, hostility or violence; and careful consideration by the judiciary of the context in which hatred was expressed (..). Accordingly, any contextual assessment must include consideration of various factors, including the existence of patterns of tension between religious or racial communities, discrimination against the targeted group, the tone and content of the speech, the person inciting hatred and the means of disseminating the expression of hate. For example, a statement released by an individual to a small and restricted group of Facebook users does not carry the same weight as a statement published on a mainstream website (..)”

As Savva Terentyev v. Russia is the first judgment of the ECtHR applying explicitly and substantially the “clear and imminent danger”-test with regard to alleged hate speech in a blog posted on the internet, the importance and the impact of this unanimous finding by the ECtHR of a violation of Article 10 ECHR cannot be underestimated for future cases on internet-related hate crime.

This post was previously published on Strasbourg Observers.

*Dirk Voorhoof, Human Rights Centre Ghent University (Belgium),  Legal Human Academy and member the European Centre for Press and Media Freedom (ECPMF, Germany)

✇ Media Report

Oud-president Georgië mag vanuit Nederland kritiek blijven uiten in Georgische media

Door Emiel Jurjens — 8 Oktober 2018 om 13:40

Na twee veelbewogen termijnen als president van Georgië woont Michail Sakaasjvili inmiddels in Nederland. Hij is nog steeds politiek actief in Georgië en geeft in april-mei 2018 interviews aan Georgische media waarin hij felle kritiek uit op de handelwijze van de Georgische banken. Daarbij bekritiseert hij verschillende betrokkenen in het bijzonder, waaronder een andere oud-president van Georgië (Bidzina Ivanishvili) en een ‘Amerikaans staatsburger van Georgische komaf’. Laatstgenoemde start een kort geding in Nederland tegen Sakaasjvili, met als inzet onder meer het verkrijgen van een uitingsverbod en plaatsing van een rectificatie. De voorzieningenrechter wijst echter alle vorderingen af.

De voorzieningenrechter acht zich, nu Sakaasjvili in Nederland woont, bevoegd van de zaak kennis te nemen en oordeelt dat het toepasselijk recht Georgisch recht is. Het nationale Georgische recht speelt echter geen rol van betekenis in deze zaak. Partijen zijn het er namelijk over eens dat de jurisprudentie van het EHRM onderdeel uitmaakt van het Georgisch recht en dat zij hier een rechtstreeks beroep op kunnen doen. Bij de beoordeling van de zaak baseert de voorzieningenrechter zich dan ook alleen op uitspraken van het EHRM.

Sakaasjvili heeft in uitgebreide interviews zijn visie gegeven op de banksector van Georgië, en de rol van specifieke personen (waaronder eiser) daarin. Hij stelt daarover dat een kleine groep banken en hun vertegenwoordigers “de macht in handen hebben (oligarchie), de overheid beïnvloeden en controleren, hun greep op de Georgische maatschappij vergroten en zich verrijken ten koste van de Georgische bevolking

De voorzieningenrechter oordeelt dat deze uitingen kwalificeren als uitingen van algemeen belang, gedaan in het kader van een politiek debat, waarmee wordt beoogd een ernstige maatschappelijke misstand aan de orde te stellen. Aan dergelijke uitingen dient een “groot gewicht” te worden toegekend, temeer nu deze zijn gedaan door een lid van de oppositie: de voorzieningenrechter verwijst naar het EHRM-arrest Incal/Turkije waarin is uitgemaakt dat beperking van de uitingsvrijheid voor dergelijke politici ‘the closest scrutiny’ van het Hof vereist.

Verder acht de voorzieningenrechter van belang dat de uitingen uitsluitend zien op het professionele handelen van eiser, en dat deze gezien zijn positie in de Georgische samenleving kwalificeert als een ‘public figure’ die een dikke huid voor kritiek moet hebben. Daarbij is het naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet van belang dat eiser stelt er naar te streven ‘zo veel mogelijk uit de publiciteit te blijven’.

Na deze vaststellingen kijkt de voorzieningenrechter naar de gewraakte uitingen. Eiser stelt dat Sakaasjvili hem zou hebben beschuldigd van het plegen van strafbare feiten. De voorzieningenrechter volgt hem daar echter niet in en oordeelt dat de uitingen in hun context gelezen moeten worden, en daarbinnen kwalificeren als ‘overwegend waardeoordelen’:

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kunnen de hiervoor onder 4.11. genoemde beschuldigingen, gelet op de context waarin deze zijn gedaan, worden aangemerkt als overwegend waardeoordelen, die als zodanig een voldoende feitelijke basis vinden in de hiervoor weergegeven – niet weersproken – gegevens over de bankensector in Georgië en de positie van [eiser] in de Georgische samenleving.”

De voorzieningenrechter overweegt dat de feitelijke juistheid van de uitingen en de betekenis die het Georgische publiek aan de uitingen toekent zonder nadere voorlichting niet goed te beoordelen zijn, maar dat naar voorlopig oordeel de waardeoordelen in elk geval niet excessief te noemen zijn.

Het vonnis sluit af met een herbevestiging van het belang van de grote ruimte die moet worden gegeven aan uitingen in het kader van het politieke debat:

De voorzieningenrechter herhaalt dat aan het belang om in het kader van een politiek debat beweerdelijke misstanden aan de orde te stellen die de kern van een democratische rechtsstaat raken, een zeer groot gewicht moet worden toegekend. Dat geldt ook voor uitingen die als beledigend kunnen worden ervaren.

✇ Media Report

Drie billboards in de buurt van boerderij deels onrechtmatig

Door Joost Lichtendahl — 8 Oktober 2018 om 10:40

In de alom geprezen film Three Billboards Outside Ebbing, Missouri uit 2017 plaatst de moeder van een vermoord meisje drie grote reclameborden langs de weg met kritiek op het optreden van de politie in de zaak. Kritische reclameborden vormden recent ook de steen des aanstoots in een zaak voor de voorzieningenrechter in Rotterdam. De feiten waren gelukkig minder dramatisch: een aannemer had drie borden langs de weg geplaatst met de melding dat opdrachtgevers de facturen van de aannemer niet volledig hadden voldaan, waardoor zij als ‘oplichters’ zouden kwalificeren. Deze borden waren strategisch in de buurt van de boerderij van de opdrachtgevers geplaatst. Deze eisten vervolgens in kort geding een uitings- en contactverbod. De voorzieningenrechter wijst de eis deels toe.

Eisers hebben samen een melkveebedrijf en hebben de aannemer de opdracht verstrekt een veranda te bouwen. De aannemer heeft de veranda voor een groot deel gebouwd. Vervolgens hebben eisers besloten om de veranda door een ander af te laten maken, omdat het werk volgens hen niet opschoot. Hierdoor is tussen partijen een geschil ontstaan over de laatste deelbetaling van € 3.107,63. De aannemer heeft daarop borden langs de openbare weg geplaatst met teksten als “[namen eisers] Veranda betalen”, “[eisers] hebben hun veranda nog steeds niet helemaal betaald” en “oplichting”.

Daarnaast heeft de aannemer SMS, WhatsApp en e-mail berichten gestuurd naar de eisers met de teksten als: “jullie moeten gaan betalen anders wordt het geen leuk jaar voor jullie”, “Neem contact met mij op want anders gaat het zeker uit de hand lopen als wij komen om mijn spullen terug te halen” en “Hee oplichters, gaan jullie nog betalen?

De voorzieningenrechter oordeelt dat niet in geschil is dat de laatste rekening niet betaald is. Daaruit volgt dat de uitingen over het onbetaald blijven van de rekening voldoende steun in de feiten hebben. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter in een fraaie passage:

Die mededeling is immers feitelijk juist en heeft betrekking op een zakelijk geschil. Dit valt naar voorlopig oordeel onder de vrijheid van meningsuiting. Eisers zullen begrijpelijkerwijs ongemak ervaren door deze tekstborden maar dat maakt de mededelingen nog niet zonder meer onrechtmatig. In dit oordeel wordt meegewogen dat de vrijheid van meningsuiting juist is bedoeld voor die gevallen waarin de uitlatingen (kunnen) schrijnen. Het recht op vrije meningsuiting zal gewoonlijk niet ingeroepen hoeven te worden bij een eenvoudig praatje over het weer

Echter, de voorzieningenrechter trekt een streep bij de uiting dat er sprake zou zijn geweest van ‘oplichting’. Uit het vonnis blijkt dat de voorzieningenrechter de aannemer ter zitting heeft gevraagd of hier enige steun in de feiten voor bestond:

De voorzieningenrechter heeft [gedaagde] ter zitting gevraagd of hij bewijzen had en het antwoord was: ja, maar die heb ik niet bij me. Dat is niet voldoende. [gedaagde] had die bewijzen moeten tonen aan de voorzieningenrechter toen hij daar de kans voor had maar dat heeft hij niet gedaan.”

De uiting dat er sprake zou zijn van ‘oplichting’ acht de voorzieningenrechter dan ook onrechtmatig, net als de ‘bedreigende berichten’ die gedaagde aan eisers heeft gestuurd. Echter, de voorzieningenrechter oordeelt dat de eis dat gedaagde zich ‘niet langer smadelijk/lasterend’ zou mogen uitlaten te ver gaat:

Een vordering tot een algemeen verbod aan [gedaagde] om zich niet langer smadelijk uit te laten, of uitlatingen te doen die ‘op andere wijze onrechtmatig zijn’ kan niet worden toegewezen. De vordering is te onbepaald en kan niet ten uitvoer worden gelegd.”

De voorzieningenrechter wijst een beperkter geformuleerd uitingsverbod toe voor de duur van een jaar. Ook moet de aannemer zich een jaar lang onthouden van het sturen van berichten ‘van dreigende aard en/of waarbij de strekking is dat eisers tot betaling worden gedwongen’.

✇ Media Report

De Volkskrant mag oud artikel beschikbaar houden in online archief

Door Emiel Jurjens — 1 Oktober 2018 om 15:11

Na het Google Spain-arrest uit 2014 wordt het ‘recht om vergeten te worden’ ook met regelmaat in Nederland ingeroepen. De verzoeken van personen die ‘vergeten’ willen worden komen, naast bij Google, ook wel eens bij media binnen. Over de vraag hoe daarmee omgegaan moet worden gaat een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 8 augustus 2018 in een zaak die door eiser was aangespannen tegen de Volkskrant. Eiser maakte in deze zaak bezwaar tegen de vindbaarheid via Google van een artikel in het online archief van de Volkskrant over hem uit de jaren ’90 van de vorige eeuw, en vorderde verwijdering van het artikel uit het online archief van de Volkskrant. De rechtbank wijst in een principieel vonnis echter alle eisen af.

In het eerste deel van het vonnis buigt de rechtbank zich over de beschikbaarheid van het artikel via Google. De rechtbank constateert op dat punt:

De URL naar de publicatie verschijnt als eerste zoekresultaat, als op [de naam van eiser] wordt gezocht. Het gaat dus om de gevonden zoekresultaten in de zoekmachine en niet om de inhoud van de webpagina waarnaar de URL in de zoekresultaten verwijst.

De rechtbank oordeelt vervolgens dat Google de verantwoordelijke is voor de verwerking van persoonsgegevens die bij het zoeken plaatsvindt, en constateert onder verwijzing naar het Google Spain-arrest:

Gelet hierop had [eiser] zich – anders dan hij kennelijk veronderstelt – ten aanzien van de vindbaarheid van de publicatie via de zoekmachine dienen te richten tot de exploitant van de betrokken zoekmachine voor een verwijderings- of afschermingsverzoek (…) Dit wordt niet anders, nu [eiser] de Volkskrant aanspreekt, omdat volgens [eiser] in de publicatie onjuistheden staan en de Volkskrant daarvan de bron is. Het is immers Google Search die de publicatie vindbaar maakt; de Volkskrant is bij het aanbieden van de dienst Google Search niet betrokken.” 

In het tweede deel van het vonnis beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de beschikbaarheid van het oude artikel in het online archief van de Volkskrant. De rechtbank stelt vast dat de gevraagde vorderingen beperkingen op de uitingsvrijheid van de Volkskrant zijn, waardoor het vereiste geldt dat toewijzing ervan ‘dringend noodzakelijk’ moet zijn (artikel 10 lid 2 EVRM).

De rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is en overweegt daarbij ten eerste dat eiser zich niet tot Google heeft gewend, waardoor “een minder vergaande mogelijkheid met een redelijke kans van slagen voor handen is teneinde het gestelde doel te bereiken“. De rechtbank weegt verder mee dat verwijdering uit het online archief een zeer ingrijpende maatregel is:

Verwijdering van het artikel uit het archief heeft, mede gelet op het belang van een volledige en integere online archivering die een betrouwbare getuigenis van het verleden dient te vormen, en op de rol van de pers nieuws in archieven beschikbaar te maken, een ingrijpend gevolg voor de verslaggeving.

Ook speelt mee (zo overweegt de rechtbank verder) dat eiser te lang heeft gewacht met het instellen van zijn eis. De rechtbank constateert dat twaalf jaar is verstreken tussen publicatie en sommatie en oordeelt daarom dat “[eiser] verzuimd heeft bijtijds stappen tegen de publicatie te ondernemen.

Het beschikbaar houden van het artikel over eiser in het online archief wordt al met al rechtmatig geoordeeld.

De Volkskrant werd in deze procedure bijgestaan door Emiel Jurjens.

✇ Media Report

Update fake news: zelfregulering online platforms in Code of Practice on Disinformation

Door Emiel Jurjens — 1 Oktober 2018 om 14:09

De Europese Unie strijdt zeer actief tegen fake news (of ‘disinformation’, het begrip dat de EU bij voorkeur hanteert), overigens met wisselende gevolgen. Onderdeel van deze strijd is het reguleren van online platforms, omdat de EU meent dat deze een ‘key role’ spelen in het verspreiden van online desinformatie. De EU heeft de online platforms daarom gemaand om tot zelfregulering over desinformatie te komen, waarbij de EU opmerkte dat als dit er niet zou komen er mogelijk overgegaan zou worden tot het opstellen van bindende regelgeving. Daarop zijn een aantal online platforms aan de slag gegaan met het opstellen van een set regels: het eindresultaat daarvan is  de “Code of Practice on Disinformation”, die vorige week is gepubliceerd. Nog niet geheel duidelijk is welke platforms zich op dit moment hebben gecommitteerd aan de Code.

Definitie desinformatie

Voor de definitie van fake news, of ‘disinformation’, sluit de Code of Practice aan bij de definitie die de EU eerder dit jaar heeft vastgelegd in de Communication Tackling online disinformation: a European approach. Deze luidt:

[Disinformation is] “verifiably false or misleading information” which, cumulatively,

(a) ‘Is created, presented and disseminated for economic gain or to intentionally deceive the public’; and

(b) ‘May cause public harm’, intended as ‘threats to democratic political and policymaking processes as well as public goods such as the protection of EU citizens’ health, the environment or security’

Dit is een behoorlijk brede definitie: zo omvat het ‘misleidende’ informatie die wordt ‘gemaakt of gepresenteerd met een winstoogmerk’ en het publiek belang zou kunnen schaden. Weliswaar zijn bepaalde categorieën informatie uitgezonderd van de definitie (bijvoorbeeld satire, parodie, ‘clearly identified partisan news’), maar de definitie geeft wel erg veel ruimte aan de verbeelding van degene die hem hanteert.

Verplichtingen Code of Practice

De online platforms die de Code ondertekenen committeren zich aan breed geformuleerde verplichtingen op vijf vlakken:

  1. Online advertenties: de platforms dienen zich in te spannen om de inkomsten uit online advertenties voor ‘fake’ accounts (accounts ‘misrepresenting material information about [themselves]’) te beperken, en zoveel mogelijk te voorkomen dat advertenties van dergelijke partijen te zien zijn voor gebruikers;
  2. Politieke en ‘issue-based’ advertenties: dit soort online advertenties dienen duidelijk herkenbaar te zijn als zodanig. Voor politieke advertenties geldt dat de platforms inzicht moeten bieden in bijvoorbeeld van wie de advertentie afkomstig is, en wat er besteed is aan de advertentie
  3. Tegengaan bots: de platforms moeten beleid ontwikkelen tegen het misbruik van bots en het geautomatiseerd aanmaken van fake accounts bij het gebruik van hun diensten;
  4. Vindbaarheid ‘betrouwbare’ informatie: de online platforms zeggen toe om hun diensten zo in te richten dat gebruikers de betrouwbaarheid van de daar beschikbare informatie beter kunnen beoordelen. Ook zullen de platforms investeren in “technological means to prioritize relevant, authentic and authoritative information where appropriate in search, feeds or other automatically ranked distribution channels”;
  5. Onderzoek: de platforms zullen meewerken – onder meer door het verstrekken van data – aan onderzoek over desinformatie.

De EU heeft de online platforms hierbij de opdracht meegegeven dat alle maatregelen die worden genomen volledig in lijn moeten zijn met alle relevante grondrechten, en in het bijzonder met de uitingsvrijheid. Het is niet duidelijk of, en hoe, de EU zal gaan monitoren op de conformiteit van de maatregelen met onder meer artikel 10 EVRM.

In een reactie geeft de EU aan dat, zoals al was gepland, er eind 2018 gekeken zal worden naar de stand van zaken en in het bijzonder of verdergaande regelgeving nodig is:

As foreseen in the Communication, the Commission will closely follow the progress made and analyse the first results of the Code of Practice by the end of 2018. Should the results prove unsatisfactory, the Commission may propose further actions, including actions of a regulatory nature.”

❌