[Contact]

Nieuwskop.nl Nieuwskoppen Nederland

๐Ÿ”’
โŒ Over FreshRSS
Er zijn nieuwe artikelen beschikbaar, klik om de pagina te vernieuwen.
OuderBoek9

IEPT20170913, Rb Den Haag, SINA v SITA

Geen verwarringsgevaar tussen Benelux/internationaal woordmerk “SINA” en teken “SITA”. Relevant publiek: mensen met een achtergrond in Islamitische culturen in delen van Afrika en Azië, zoals Afghanistan, Iran en Pakistan. Groot begripsmatig verschil tussen Benelux/internationaal woordmerk “SINA” en teken “SITA”: “Sina” is naam bekende Islamitische geleerde/filosoof, terwijl “Sita” meisjesnaam is en naam van de bekende vrouw van Rama uit mythologisch verhaal. Begripsmatig verschil weegt niet op tegen fonetische en visuele overeenstemming vanwege grote mate van oplettendheid van het publiek.

MERKENRECHT

Eiser importeert onder meer rijst uit landen als Afghanistan, Pakistan en Iran en verkoopt deze aan (buurt)winkels en toko’s die met name producten uit deze landen in het assortiment hebben. De rijst wordt in eigen verpakkingen van eiser verkocht onder de namen SITA, SINA en Ariane. Eiser is houder van het Benelux woordmerk en een internationaal woordmerk met gelding in onder meer de EU “SITA”. Gedaagde importeert en verkoopt rijst onder de naam SINA en heeft een aanvraag voor een Benelux woordmerkregistratie ingediend voor dat teken. Eiser vordert een merkinbreukverbod. De vorderingen worden afgewezen.

De rechtbank is van oordeel dat er tussen de merken en het teken SINA onvoldoende overeenstemming bestaat om te kunnen spreken van verwarringsgevaar. Het relevante publiek voor de door partijen verkochte rijst zijn mensen met een achtergrond in Islamitische culturen in delen van Afrika en Azië, zoals Afghanistan, Iran en Pakistan. Eiser heeft ter zitting erkend dat “Sina” de naam is van een bekende Islamitische geleerde/filosoof, terwijl “Sita” een meisjesnaam is. Gedaagde heeft onweersproken onderbouwd dat “Sina” in Islamitische kringen welbekend is, met een verwijzing naar de omstandigheid dat veel Islamitische scholen naar deze geleerde zijn vernoemd. Er is dus sprake van een begripsmatig verschil. Als het woord “Sita”, zoals door eiser is gesteld, de naam is van een bekende vrouw, namelijk de vrouw van Rama in een bekend mythologisch verhaal, dan is het verschil alleen maar groter, omdat de merken associaties oproepen met deze mythische figuur en dus niet met het teken SINA dat met een mannelijke geleerde wordt geassocieerd. Er is daarom sprake van een groot begripsmatig verschil tussen merk en teken.

Dit verschil weegt volgens de rechtbank niet op tegen de (door gedaagde betwiste) fonetische...

  • 19 September 2017 om 00:00

Wijziging van Uitvoeringsreglement EOV

"De Raad van Bestuur van de Europese Octrooiorganisatie heeft op 29 juni 2017 in overeenstemming met artikel 33, eerste lid, onderdeel c, van het Verdrag een Besluit (CA/D 6/17) aangenomen tot wijziging van het Uitvoeringsreglement bij het Verdrag. De Engelse en de Franse tekst1) van het Besluit luiden als volgt:

[…]

Article 1

Paragraph (b) of Rule 27 of the Implementing Regulations to the EPC shall be amended as follows:

“(b) without prejudice to Rule 28, paragraph 2, plants or animals if the technical feasibility of the invention is not confined to a particular plant or animal variety;”

Article 2

Rule 28 of the Implementing Regulations to the EPC shall be amended as follows:

1. The current text shall become paragraph 1 (a) to (d).

2. The following new paragraph 2 shall be added:

“(2) Under Article 53(b), European patents shall not be granted in respect of plants or animals exclusively obtained by means of an essentially biological process.”

Article 3

This decision shall enter into force on 1 July 2017. Rules 27 and 28 EPC as amended by Articles 1 and 2 of this decision shall apply to European patent applications filed on or after this date, as well as to European patent applications and European patents pending at that time.“

Lees hier meer.
  • 18 September 2017 om 00:00

Wijziging Uitvoeringsreglement EOV

"De Raad van Bestuur van de Europese Octrooiorganisatie heeft op 29 juni 2017 in overeenstemming met artikel 33, eerste lid, onderdeel c, van het Verdrag een Besluit (CA/D 6/17) aangenomen tot wijziging van het Uitvoeringsreglement bij het Verdrag. De Engelse en de Franse tekst1) van het Besluit luiden als volgt:

[…]

Article 1

Paragraph (b) of Rule 27 of the Implementing Regulations to the EPC shall be amended as follows:

“(b) without prejudice to Rule 28, paragraph 2, plants or animals if the technical feasibility of the invention is not confined to a particular plant or animal variety;”

Article 2

Rule 28 of the Implementing Regulations to the EPC shall be amended as follows:

1. The current text shall become paragraph 1 (a) to (d).

2. The following new paragraph 2 shall be added:

“(2) Under Article 53(b), European patents shall not be granted in respect of plants or animals exclusively obtained by means of an essentially biological process.”

Article 3

This decision shall enter into force on 1 July 2017. Rules 27 and 28 EPC as amended by Articles 1 and 2 of this decision shall apply to European patent applications filed on or after this date, as well as to European patent applications and European patents pending at that time.“

Lees hier meer.
  • 18 September 2017 om 00:00

IEPT20170831, Rb Rotterdam, Brein v Torrent- en Usenet uploader

Auteursrecht. Ex parte beschikking ex artikel 1019e Rv tegen een lid van het zogenaamde Libra Release Team die bijna 800 auteursrechtelijk beschermde film- en tv-seriebestanden heeft geüpload via torrents en Usenet. Dwangsom van € 2.000 per dag (een gedeelte van een dag daaronder begrepen) dat in strijd met het inbreukverbod wordt gehandeld, met een maximum van € 50.000.

(kopie originele beschikking)

De IEPT-versie van de beschikking volgt.

  • 14 September 2017 om 00:00

IEPT20170915, HR, High Point v KPN

In artikel 138(3) EOV neergelegde bevoegdheid van octrooihouder om octrooi te beperken kan worden onderworpen aan nationaalrechtelijke processuele voorwaarden. Geen onjuiste toepassing tweeconclusieregel: geen sprake van nadere uitwerking of precisering van eerder ingenomen stelling, maar een nieuw element in rechtsstrijd gebracht.

OCTROOIRECHT - PROCESRECHT

Cassatie tegen het arrest van het hof Den Haag van 3 november 2015 (IEPT20151103). Nadat in deze zaak High Point bij Memorie van Grieven een beroep had gedaan op drie hulpverzoeken en KPN een Memorie van Antwoord had ingediend, heeft High Point haar octrooiconclusies bij “akte houdende beperking van octrooiconclusies” beperkt en haar eis gewijzigd in de zin van dat zij een verklaring voor recht vorderde dat KPN inbreuk maakte op deze nieuwe conclusies. Het hof heeft de nieuwe octrooiconclusies geweigerd, omdat deze in strijd met de tweeconclusieregel zouden zijn. Het cassatieberoep wordt verworpen.

High Point klaagt onder meer dat het hof heeft miskent dat de in artikel 138 (3) EOV neergelegde bevoegdheid van de octrooihouder om het octrooi te beperken niet kan worden onderworpen aan nadere, aan het nationale recht ontleende, processuele voorwaarden, zoals de tweeconclusieregel. De Hoge Raad oordeelt dat de bewoordingen van dit artikel er niet op duiden dat het hierin aan de octrooihouder toegekende recht om in een nationale procedure over de geldigheid van een Europees octrooi dat octrooi te beperken, niet mag worden onderworpen aan nationaalrechtelijke processuele voorwaarden. De context en van de bepaling en het doel van het EOV wijzen niet in een andere richting. Ook is van belang dat in andere verdragslanden wordt aanvaard dat het in artikel 138(3) EOV verankerde recht om in een nationale procedure over de geldigheid van een Europees octrooi dat octrooi te beperken, is onderworpen aan nationaalrechtelijke processuele voorwaarden. Het hof heeft dus juist geoordeeld dat artikel 138(3) EOV niet in de weg staat aan toepassing van de tweeconclusieregel.

High Point klaagt ook tegen de toepassing door het hof van de tweeconclusieregel. Ook dit onderdeel faalt. High Point heeft in haar in eerste aanleg en bij MvG ingenomen stellingen waarnaar het middel verwijst het standpunt ingenomen dat het octrooi mede ziet op een verbinding met (bijvoorbeeld) het publieke telefoonnetwerk. Er is in dat stadium van de procedure niet een beroep op het - voor de beoordeling van de geldigheid van het...

  • 15 September 2017 om 00:00

IEPT20170713, GEU, Migros-Genossenschafts-Bund v EUIPO

Merkenrecht. Beroep tegen de inschrijving van woordmerk ‘CREMESPRESSO’ voor waren en diensten van klassen 7 (elektrische ijsmalers) en 11 (ijsmakers, machines en koffiemachines).

Het beroep door Migros-Genossenschafts-Bund, ten gunste van haar oudere internationale woordmerk ‘CREMESSO’, wordt gehonoreerd en de beslissing van de Kamer van Beroep wordt deels vernietigd. Het woordmerk ‘CREMESPRESSO’ leidt tot verwarring bij het publiek. In het algemeen schenken consumenten meer aandacht aan het begin van een teken dan aan het einde. Daarnaast komen alle letters van het oudere woordmerk voor in het aan de orde zijnde woordmerk. De vier toegevoegde letters kunnen op de globale indruk van het nieuwere woordmerk slechts van bijkomstige waarde zijn. Er is zodoende sprake van een grote visuele overeenstemming. De schrijfwijze van het element ‘crem’ is niet bijzonder origineel. Ook auditief is er grote overeenstemming, doordat de lettergrepen ‘crem’, ‘es’ en ‘so’, die in beiden woordmerken voorkomen, hetzelfde uitgesproken worden, ongeacht de verschillen in gebied. De Kamer van Beroep heeft ten onrechte geoordeeld dat tekens visueel en auditief slechts tot zekere hoogte c.q. gemiddeld overeenstemden. Ook heeft de Kamer van Beroep heeft ten onrechte geoordeeld dat geen sprake was van verwarringsgevaar vanwege het hoge aandachtsniveau van het publiek. Een hoog aandachtsniveau mag niet automatisch tot de conclusie leiden dat er geen sprake van verwarringsgevaar is, omdat alle andere factoren in aanmerking moeten worden genomen. In casu leidt de overeenstemming tussen de waren en de tekens tot de conclusie dat het hoge aandachtsniveau onvoldoende is om een gebrek aan verwarringsgevaar te onderbouwen.

"87. However, a high degree of attention does not permit an automatic conclusion that there is no likelihood of confusion, since all the other factors must be taken into account. In the present case, it must be held that, as a result, first, of the fact that the goods at issue are in part identical and in part similar and, secondly, of the degree of similarity between the signs at issue, the fact that the relevant public may have a rather high level of attention with respect to the goods at issue in Classes 7 and 11 cannot, in itself, substantiate a lack of a likelihood of confusion concerning those goods.

88. In the light of all the considerations set out above and, in particular, first, of the importance of the visual similarity regarding...

  • 15 September 2017 om 00:00

IEPT20170914, HvJEU, EUIPO v IVDP

Geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting gegeven door de beginselen die het Hof heeft geformuleerd inzake de uniformiteit en exclusiviteit van de beschermingsregeling van verordening nr. 510/2006 toe te passen op de regeling van verordening nr. 1234/2007: doelstellingen en kenmerken zijn vergelijkbaar. Wel blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de bescherming die beschermde oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen krachtens verordening nr. 1234/2007 genieten kan worden aangevuld door het toepasselijke nationale recht dat aanvullende bescherming biedt. Geen onjuiste rechtsopvatting door oordeel dat merk PORT CHARLOTTE geen gebruik van de oorsprongsbenaming “Porto” of “Port” inhoudt en dat de gemiddelde consument het merk niet zal associëren met portwijn met de betrokken oorsprongsbenaming.

MERKENRECHT

Hoger beroep van zowel EUIPO als IVDP tegen uitspraak van het Gerecht EU van 18 november 2015 (zie) over het uniewoordmerk Port Charlotte, dat volgens IVDP afbreuk doet aan, met name, de bescherming die naar Portugees recht is verleend aan de oorsprongsbenaming “Porto” of “Port”. Het Gerecht verweet de kamer van beroep van het EUIPO de toepasselijke regels van Portugees recht inzake de bescherming van de oorsprongsbenamingen “Porto” of “Port” niet te hebben toegepast, en heeft de beslissing van de kamer van beroep vernietigd.

Volgens het EUIPO heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat door het Unierecht beschermde oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen niettemin op grond van het nationale recht aanvullende bescherming kunnen genieten, die kan steunen op artikel 8, lid 4, van verordening nr. 207/2009. Volgens IVDP heeft het Gerecht juist van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven door te oordelen dat artikel 118 quaterdecies, leden 1 en 2, van verordening nr. 1234/2007 zowel de toestemming voor als de grenzen van en zelfs het verbod op het gebruik door de handel van de door het Unierecht beschermde oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen op eenvormige en exclusieve wijze regelt en te oordelen dat het omstreden merk een gebruik noch een voorstelling inhield van de beschermde oorsprongsbenaming “Porto” of “Port”.

Het Hof oordeelt dat het Gerecht geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting gegeven door de beginselen die het Hof in het arrest van 8 september 2009, Budĕjovický Budvar (C-478/07) heeft...

  • 15 September 2017 om 00:00

A-G HvJEU over uitputting van vrijwillig opgesplitste parallelle merken

Zaak C-291/16: Schweppes. Conclusie A-G Mengozzi.

Merkenrecht. Conclusie van A-G Megozzi over merkuitputting in de context van de vrijwillige opsplitsing van parallelle rechten met dezelfde herkomst die zijn ontstaan in verschillende staten van de EER.

“23. Met zijn vier prejudiciële vragen wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 36 VWEU en artikel 7, lid 1, van richtlijn 2008/95(16) in omstandigheden zoals die welke zijn beschreven in de verwijzingsbeslissing, eraan in de weg staan dat de licentiehouder van de houder van een nationaal merk zich beroept op het uitsluitend recht waarover laatstgenoemde beschikt krachtens de wettelijke regeling van de lidstaat waar genoemd merk is ingeschreven, om zich te verzetten tegen de invoer en/of de verhandeling in deze lidstaat van waren die zijn voorzien van een identiek merk en afkomstig zijn uit een andere lidstaat, waar dat merk, dat voorheen eigendom was van het concern waartoe zowel de merkhouder in de staat van invoer als zijn licentiehouder behoren, in handen is van een derde die er door vervreemding de rechten van heeft verkregen.”

De A-G beantwoordt de vragen als volgt:

“Artikel 36 VWEU en artikel 7, lid 1, van richtlijn 2008/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten staan eraan in de weg dat de licentiehouder van de houder van een nationaal merk zich beroept op het uitsluitend recht waarover laatstgenoemde beschikt krachtens de wettelijke regeling van de lidstaat waar genoemd merk is ingeschreven, om zich te verzetten tegen de invoer en/of de verhandeling in deze lidstaat van waren die zijn voorzien van een identiek merk en afkomstig zijn uit een andere lidstaat, waar dat merk, dat voorheen eigendom was van het concern waartoe zowel de merkhouder in de staat van invoer als zijn licentiehouder behoren, in handen is van een derde die er door vervreemding de rechten van heeft verkregen, wanneer het, gelet op de economische banden die bestaan tussen de merkhouder in de staat van invoer en de merkhouder in de staat van uitvoer, duidelijk is dat op deze merken één en dezelfde controle wordt uitgeoefend en dat de merkhouder in de staat van invoer de mogelijkheid heeft om direct of indirect de waren te bepalen waarop het merk in de staat van uitvoer wordt aangebracht en de kwaliteit daarvan te controleren.”

Lees de conclusie hier.

  • 15 September 2017 om 00:00

Abcor: Testarossa vogelvrij? Normaal gebruik van een merk - bekend merk

Theo-Willem van Leeuwen, Merkenbureau Abcor: "Met een merk krijgt een bedrijf een monopolie op het gebruik van die naam. De wetgever heeft echter wel een aantal randvoorwaarden geformuleerd om dit gebruik aan banden te leggen. Een belangrijke eis is, dat een merk na vijf jaar ook echt normaal moet worden gebruikt.Maar, merken hebben niet het eeuwige leven. Denk maar aan V&D, Free record Shop, de SRV wagen etc. Als het merk vijf jaar niet meer normaal gebruikt is, kan in principe iedereen (die daarbij belang heeft) de doorhaling hiervan aanvragen. De vraag is daarom, wat is normaal gebruik en kan nu iedereen zomaar met een bekend merk aan de haal gaan als dit merk niet meer wordt gebruikt? Deze vraag staat centraal in de rechtszaak tegen Ferrari over het merk TESTAROSSA. Dit artikel is tevens verschenen in de weekendbijlage van de HDC-kranten.

[...]

De rechter stelt dat een merk binnen vijf jaar gebruikt moet worden als herkomstaanduiding van bepaalde producten/ diensten. Dat is hier niet het geval want de afgelopen vijf jaar zijn er geen nieuwe Testarossa auto’s meer gemaakt. De verkoop van alleen 2de hands auto’s is onvoldoende. Ferrari verkoopt echter wel onderdelen voor bestaande Testatrossa auto´s en repareert/ onderhoudt nog steeds deze auto’s. Echter die producten en diensten worden niet onder de merknaam Testarossa verricht maar onder de naam Ferrari. Vandaar dat de rechter tot het oordeel komt dat er geen normaal gebruik is gemaakt van het merk en dat het merk moet worden doorgehaald.

Kan de vlag nu uit bij Hesse? Nee, want ik verwacht dat Ferrari in hoger beroep gaat. Daarnaast kan Ferrari claimen dat Testarossa een algemeen bekend merk is (artikel 6bis Unieverdrag van Parijs). Het gebruik van het merk Testa Rossa door Hesse voor e-bikes is naar mijn mening verwarringwekkend en misleidend omdat consumenten direct een link leggen naar het bekende merk van Ferrari. Grote kans dat deze zaak dus nog een staartje krijgt."

Lees het volledige artikel hier.

  • 14 September 2017 om 00:00

IEPT20170831, Rb Amsterdam, Brein v Torrent- en Usenet uploader

Auteursrecht. Ex parte beschikking ex artikel 1019e Rv tegen een lid van het zogenaamde Libra Release Team die bijna 800 auteursrechtelijk beschermde film- en tv-seriebestanden heeft geüpload via torrents en Usenet. Dwangsom van € 2.000 per dag (een gedeelte van een dag daaronder begrepen) dat in strijd met het inbreukverbod wordt gehandeld, met een maximum van € 50.000.

(kopie originele beschikking)

De IEPT-versie van de beschikking volgt.

  • 14 September 2017 om 00:00

IEPT20170912, Rb Den Haag, Simplot v McCain Foods

Simplots model voor aardappelvorm is een geldig Gemeenschapsmodel: tekeningen Model in samenhang voldoende duidelijk en consistent, Model is nieuw en heeft eigen karakter ten opzichte van tot het vormgevingserfgoed behorende modellen voor brood en snacks. Rustic Twist van McCain maakt inbreuk op het Model: Rustic Twist wekt zelfde algemene indruk als het Model nu het gaat om langwerpige platte (aardappel)schijf die om zijn lengteas is geroteerd, waarbij een duidelijke s-vorm is te zien, niet nodig om naast Rustic Twists die met de klok meedraaien (ongeveer 30%) ook gespiegelde variant (ongeveer 40%) en variant zonder draai (ongeveer 30%) te vergelijken met het Model nu voor inbreuk voldoende is dat aanzienlijk deel (30%) Rustic Twists inbreukmakend is en bovendien ook de gespiegelde variant eenzelfde algemene indruk wekt. Belangenafweging verzet zich niet tegen inbreukverbod voor gehele Europese Unie: duidelijke inbreuk en McCain was voor introductie Rustic Twist op de Europese markt op de hoogte van Model Simplot.

MODELRECHT

Kort geding. Simplot is een Amerikaanse onderneming die is gespecialiseerd in diepvries- en houdbare producten en is houdster van het afgebeelde Gemeenschapsmodel voor “aardappelvormen”. McCain Foods Holland en McCain Foods Europe zijn onderdeel van het wereldwijd opererende Canadese McCain concern, dat ook is gespecialiseerd in onder andere (bevroren) aardappelproducten. Eind oktober 2016 heeft McCain ‘Rustic Twist’ friet (hierna: Rustic Twist) geïntroduceerd in verschillende Europese landen, waaronder Nederland. Volgens Simplot maakt de Rustic Twist inbreuk op haar model.

McCain Foods betoogt echter dat het model nietig is omdat de tekeningen van het Model dusdanig onduidelijk zijn dat niet bepaald kan worden wat de aardappelvorm is waarvoor bescherming wordt gevraagd, mede gelet op de inconsistentie van figuren 6 en 7 ten opzichte van de overige figuren. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat de tekeningen van het Model voldoende duidelijk en consistent zijn en zien op verschillende aanzichten van eenzelfde product. Dat de tekeningen 6 en 7 op het eerste gezicht niet direct een aanzicht vanuit een andere hoek van hetzelfde product lijken te zijn, heeft volgens de voorzieningenrechter vooral te maken met het feit dat het gaat om een tweedimensionale weergave van een driedimensionaal object. Wanneer de tekeningen in samenhang worden beschouwd, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter duidelijk...

  • 14 September 2017 om 00:00

IEPT20170913, Rb Den Haag, Tata Steel v ArcelorMittal

Octrooi EP 863 voor door middel van hot stamping vervaardigen van staal niet inventief. Vakman: deskundige (ervaren ingenieur) op het gebied van het hot formen van pre-coated staal, met name op het gebied van toepassing in de auto-industrie. Kenmerken conclusie 1 op kenmerk 1.7 na direct en dubbelzinnig aan vakman geopenbaard in publicatie WHK, al dan niet met gebruik van zijn algemene vakkennis. Kenmerk 1.7 is wel een verschilkenmerk: hoewel WHK duidelijke aanwijzing geeft voor maximale gemiddelde opwarmsnelheid, openbaart WHK niet de in het octrooi geclaimde specifieke opwarmsnelheden. Kenmerk 1.7 heeft geen technisch effect: artikel Winkel maakt inzichtelijk dat vakman die, onder toepassing van zijn algemene vakkennis, de leer van WHK zou toepassen, vanzelf binnen het in conclusie 1 van EP 863 genoemde bereik zal werken. Conclusie 2 niet inventief: verschil ten opzichte van conclusie 1 reeds geopenbaard in WHK. Productconclusies 3-9 niet inventief: onvermijdelijk resultaat van niet-inventieve werkwijze. Conclusie 10 en 11 niet inventief: claimen product volgens niet-inventief bevonden conclusies. Proceskostenveroordeling volgens liquidatietarief: zuivere nietigheidsprocedure.

OCTROOIRECHT

Partijen zijn producenten van staal. ArcelorMittal is houdster van octrooi EP 863 voor een “process for manufacturing stamped products, and stamped products prepared for the same”. Tata Steel is voornemens met een nieuw product op de markt te komen, waarbij zij substantiële bedragen zal dienen te investeren. Zij heeft ArcelorMittal verzocht toe te zeggen dat het volgens haar nietige octrooi niet zal worden gehandhaafd, hetgeen door ArcelorMittal is geweigerd. Tata Steel vordert daarom een wapperverbod.

De door Tata Steel bij akte overgelegde octrooiaanvrage WO 2008/053273 wordt buiten beschouwing gehouden, omdat dit document al was ingebracht in de oppositieprocedure en ook in de onderhavige procedure als nieuwheidsschadelijk wordt gepresenteerd. ArcelorMittal betoogt terecht dat zij door deze gang van zaken wordt benadeeld, omdat het pleidooi onvoldoende ruimte biedt om adequaat op de nieuwe argumentatie te reageren.

Partijen hebben gediscussieerd over de definitie van de vakman. Met ArcelorMittal is de rechtbank van oordelen dat Tata Steel te veel miskent dat de vakman een fictieve persoon is en dat bij het identificeren van die fictieve persoon moet worden uitgegaan van het technische probleem dat moet worden opgelost en niet van de oplossing zelf...

  • 14 September 2017 om 00:00

De Digitale schandpaal: maatschappelijk drukventiel of eigenrichting?

Mediaforum 2017/4, p. 111-116, R. Maalderink: "Loes Reijmer, Sylvana Simons, Patricia Paay en de Treinplasser: regelmatig worden bekende en onbekende Nederlanders digitaal aan de schandpaal genageld. Onlangs bepleitte Monica Lewinsky nog dat er ‘eeneinde [moet] komen aan publieke vernedering als bloedsport’. Deze bijdrage definieert de digitale schandpaal, onderzoekt welke kenmerken die schandpaal onderscheiden van andere uitingsvormen en analyseert de juridische implicaties daarvan.

[…]

De digitale schandpaal kan gezien worden als maatschappelijk drukventiel: een middel om de maatschappij haar onvrede te laten uiten. Ook kan het worden beschouwd als middel om mensen sociale regels te laten naleven en ze te bestraffen in het geval van een (vermeende) misstap. Die vorm van bestraffing is echter buitenrechtelijk en de toepassing ervan lijkt willekeurig. De gevolgen voor de geschandpaalde zijn bovendien vaak zo ernstig dat die niet in verhouding staan tot de vermeende misstap.

[…]

Het verdient aanbeveling dat de rechter deze bijzondere kenmerken van de digitale schandpaal in ogenschouw neemt. Daarbij is het de uitdaging – zoals het altijd de uitdaging is bij uitingszaken – om aan de ene kant ruimte te laten voor de internetgemeenschap om onderwerpen aan te kaarten en aan de andere kant te voorkomen dat diezelfde gemeenschap daarmee de geschandpaalden monddood maakt. Dit beschreef ik als de afweging tussen het chilling effect en het omgekeerde chilling effect."

  • 14 September 2017 om 00:00

De rechterlijke toetsing van ACM's marktanalyses

Mediaforum nr 4, p. 98-110, B.J.H. Braeken, M. Koppenol, X.Y.G. Versteeg: "Voor de lezer die minder bekend is met marktanalysebesluiten van de Autoriteit Consument & Markt (ACM voorheen OPTA) allereerst een korte schets van het relevante kader. Op grond van de Telecommunicatiewet (Tw) is ACM gehouden om eens per drie jaar te onderzoeken of markten die onderdeel vormen van een door de Europese Commissie vastgestelde Aanbeveling relevante markten (Aanbeveling) daadwerkelijk concurrerend zijn. De eerste stap bestaat uit het afbakenen van de relevante product- en geografische markt. Voorts wordt geanalyseerd of één of meerdere aanbieders beschikken over aanmerkelijke marktmacht (AMM) op de desbetreffende markt. Wanneer dit onderzoek tot een positief resultaat leidt, kan ACM aan de betreffende aanbieder verplichtingen opleggen die ertoe strekken de door ACM vastgestelde mededingingsproblemen te remediëren. Dergelijke verplichtingen dienen op grond van artikel 6a.2 lid 3 Tw passend te zijn. Verplichtingen zijn passend indien zij zijn gebaseerd op de aard van het geconstateerde mededingingsprobleem en indien zij gelet op de doelstellingen van artikel 1.3 Tw proportioneel en gerechtvaardigd zijn.

[...]

De in deze bijdrage besproken marktanalyses bestrijken hoofdzakelijk de derde reguleringsronde, maar bevatten deels een nasleep van vernietigde marktanalysebesluiten uit de tweede reguleringsronde. Het betreft in dat geval veelal herstelbesluiten inzake tarieven die na (verscheidene) vernietiging (en) nogmaals voor het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) komen terwijl de volgende reguleringsronde al van start is gegaan."

  • 14 September 2017 om 00:00

The Ministry of Truth

Mediaforum 2017/4, p. 97, Olaf Trojan: "Eén uitbarsting van de Etna brengt meer C02 in de atmosfeer dan de mensheid in de laatste 250 jaar heeft geproduceerde Waar of onwaar? Is dit een vorm van nepnieuws waartegen de overheid moet optreden? En zo ja, hoe dan? De intrede van het fenomeen nepnieuws heeft in ieder geval de discussie over verantwoordelijkheid voor diverse vormen van onrechtmatige en/of strafbare content doen oplaaien. En hoewel de Europese Commissie ook op dit punt een geharmoniseerde Digital Single Market nastreeft, laat de praktijk een per land versnipperde aanpak zien. Dat werd met name zichtbaar toen de Duitse Bundestag op 30 juni 2017 een omstreden wet aannam, het Netzwerkdurchsetzungsgesetz, die socialmediabedrijven als Facehook en Twitter verplicht om manifest illegale content binnen 24 uur na melding van hun platform te verwijderen. Een soort notice-and-take-down, zoals we die kennen voor hostingproviders. Echter, met een belangrijke aanvulling. Indien het socialmediabedrijf niet voldoet aan de verplichting tijdig te verwijderen, dan kan het Bundesambt für ]ustiz een boete opleggen van 5 miljoen euro. Dat is niet een rechter, maar een ambtelijk orgaan.

[…]

Het kabinet is bovendien huiverig voor een toetsing van online content door een overheidsinstelling, aldus de ministers. Dit sluit aan bij het standpunt van de Raad van State, die in zijn jaarverslag 2016 tot uitdrukking bracht dat de geschiedenis heeft geleerd dat de overheid grote terughoudend past bij het bewaken van juiste en onjuiste informatie."

  • 14 September 2017 om 00:00

IEPT20170906, Rb Amsterdam, Bulldog

Vordering tot vergoeding van als gevolg van verlies van controle over domeinnamen geleden schade verjaard ex art. 3:310 BW: stelling dat verjaringstermijn pas is gaan lopen nadat met arrest (IEPT20121002) kwam vast te staan dat handelen gedaagde onrechtmatig was, reeds door voorzieningenrechter (IEPT20150825) verworpen, niets aangevoerd dat aanleiding geeft om van vonnis voorzieningenrechter en daar aangehaalde jurisprudentie af te wijken, uit stellingen van eiser volgt bovendien dat hij gedaagde al in 2004 aansprakelijk heeft gehouden voor de schade. Stelling dat eerder gevoerde rechtszaken zijn aan te merken als daad van rechtsvervolging die de verjaring stuiten eveneens reeds door de voorzieningenrechter afgewezen nu niet is geprocedeerd over schadevergoeding: ook tegen dit oordeel geen argumenten ingebracht. Uit ingebrachte stukken kan weliswaar worden opgemaakt dat eiser gedaagde aansprakelijk hield voor schade maar niet dat hij zich daarbij steeds het recht voorbehield om vergoeding van die schade te vorderen.

VERJARING

Zie eerder (IEPT20150825). Eiser exploiteerde op de domeinnamen bulldog.com en buldog.com pornografische websites. Gedaagden zijn de eigenaar van het ‘The Bulldog’ concern uit Amsterdam en Leidseplein Beheer (hierna gezamelijk: gedaagden). Na verschillende geschillen over het gebruik van deze domeinnamen heeft eiser gedaagden aansprakelijk gesteld voor de geleden schade als gevolg van het verlies van het gebruik van de domeinnamen over de periode 9 augustus 2004 tot 6 augustus 2009 tot een bedrag van € 1.725.000,-. Deze vordering is door de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 25 augustus 2015 afgewezen wegens verjaring. De rechtbank Amsterdam komt in de bodemprocedure tot hetzelfde oordeel.

De voorzieningenrechter overweegt dat op grond van artikel 3:310 Burgerlijk Wetboek (BW) vorderingen als deze verjaren door een verloop van vijf jaar na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Eiser stelt dat de verjaringstermijn pas is gaan lopen op het moment dat hij een vordering tot schadevergoeding kon instellen en dat dit pas kon toen met het arrest (IEPT20121002) kwam vast te staan dat het handelen van gedaagden onrechtmatig was. De voorzieningenrechter heeft dit standpunt in zijn vonnis van 25 augustus 2015 echter reeds verworpen onder verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad, en volgens...

  • 13 September 2017 om 00:00

IEPT20170912, Rb Amsterdam, Project Moore v Moore Partners

Handelsnaam “Moore Partners” maakt inbreuk op handelsnaam “Project Moore”: directe en indirecte verwarring. Aannemelijk dat Project Moore handelsnaam “Project Moore” zonder toevoeging “Advocaten” gebruikt: enveloppen, visitekaartjes, uitnodigingen en publicaties overgelegd met naam “Project Moore”. Handelsnamen gedomineerd door bestanddeel “Moore”, bestanddelen “Project” en “Partners” beschrijvend. Bestanddeel “Moore” niet beschrijvend voor IT-activiteiten: hoewel de naam uitdrukt dat de aanbieder van de diensten actief is op gebied van IT, is niet duidelijk om welke diensten het specifiek gaat; noemen van één andere IT-onderneming met naam onvoldoende voor beschrijvendheid naam “Moore”. Aannemelijk dat activiteiten partijen in ieder geval complementair aan elkaar zijn en zelfs overlap vertonen. Beide partijen opereren landelijk.

HANDELSNAAMRECHT

Kort geding. Project Moore is een advocatenkantoor dat gespecialiseerd is in IT-recht en privacy. De naam van het kantoor verwijst naar de Wet van Moore. De Wet van Moore is vernoemd naar Gordon Moore, en houdt in dat iedere twee jaar het aantal transistors op een chip kan worden geplaatst verdubbeld. Volgens Project Moore maakt Moore Partners inbreuk op haar handelsnaamrecht. De vorderingen worden toegewezen.

Moore Partners stelt dat er geen inbreuk is, omdat de handelsnaam van Project Moore “Project Moore Advocaten” zou zijn en nergens uit blijkt dat Project Moore de handelsnaam “Project Moore” zonder toevoeging “Advocaten” gebruikt, omdat dit niet uit de KvK, zoekresultaten van Google met als zoekterm “Project Moore” en een publicatie op Advocatie zou blijken. De inschrijving van de KvK is echter niet van doorslaggevend belang. Nog daargelaten dat op de Google resultaten en de publicatie op Advocatie ook “Project Moore” zonder toevoeging “Advocaten” voorkomt, geldt dat door Project Moore enveloppen, visitekaartjes, uitnodigingen en publicaties zijn overgelegd, waarop telkens gebruik is gemaakt van de naam “Project Moore”. Hierop is Moore Partners niet ingegaan. Het is daarom voldoende aannemelijk dat Project Moore bij haar dienstverlening gebruik maakt van de handelsnaam “Project Moore.

Beide handelsnamen worden gedomineerd door het bestanddeel “Moore”. De bestanddelen “Project” en “Partners” zijn louter beschrijvend, waardoor beide handelsnamen slechts in geringe mate van elkaar afwijken. Het betoog van Moore...

  • 13 September 2017 om 00:00

IEPT20170906, Rb Den Haag, Coloplast v Hollister

Vakman zal uit beschrijving van EP 279 begrijpen dat het zwelmedium uit deelkenmerk 2.1 (“intended to produce a low-friction surface character of the catheter by treatment with a liquid swelling medium prior to use of the catheter”) op moment van activatie vloeibaar dient te zijn. VaPro maakt geen inbreuk op EP 279: onvoldoende toegelicht dat activatie bij VapPro in ieder geval gedeeltelijk door vloeibare activatiestof plaatsvindt. Proceskostenveroordeling Coloplast van € 553.465 niet eerlijk en evenredig en gematigd naar € 289.000 (hoogte proceskosten Hollister): door Hollister genoemde omstandigheden onvoldoende rechtvaardiging voor relatieve hoogte kosten Hollister.

OCTROOIRECHT

Coloplast is houdster van Europees octrooi EP 729 voor “A ready-to-use urinary catheter assembly” (“gebruiksklaar urinekathetersamenstel”). Volgens Coloplast maakt Hollister inbreuk op haar octrooi met het product “VaPro”.

Conclusie 1 bevat het zogenaamde deelkenmerk 2.1 “intended to produce a low-friction surface character of the catheter by treatment with a liquid swelling medium prior to use of the catheter”. Volgens Hollister wordt dit deelkenmerk niet toegepast, omdat de katheter in de VaPro van het zwelmedium is gescheiden door een gasdoorlatende, maar geen vloeistof doorlatende, barrière, een sleeve. Activatie zou langzaam plaatsvinden gedurende een aantal weken na verpakking, doordat de activatiestof in gasvorm (als waterdamp) de sleeve passeert en de waterdamp de katheter activeert. Coloplast verdedigt een uitleg van “treatment with a liquid swelling medium” waarbij de Vapro wel binnen de beschermingsomvang valt, omdat de vakman het octrooi zo zal lezen dat activatie van de hydrofiele oppervlaktelaag op de wijze waarin de VaPro voorziet, namelijk activatie door het vloeibaar medium vanuit de ‘active vapor strip’ via de tussenstap van waterdamp, ook onder de beschermingsomvang van het octrooi valt omdat dit zou moeten worden gezien als ‘treatment with a liquid swelling medium’. De rechtbank oordeelt dat de vakman uit de beschrijving van EP 279 zal begrijpen dat het zwelmedium op het moment van activatie vloeibaar dient te zijn. De vakman zou de conclusie niet zo ruim uitleggen dat daaronder ook activatie door een gasvormig zwelmedium valt. Nergens in de beschrijving of de tekeningen vindt de vakman een aanwijzing dat het octrooi mede ziet op een activatiestof in een andere (fysische) toestand dan vloeibaar en in het...

  • 13 September 2017 om 00:00

Nieuw advocatenkantoor in Brussel: FLINN

FLINN bericht: “Emmanuel Verraes richt met vier partners FLINN op. FLINN staat voor Fusing Law & Innovation en is de naam van het pas opgerichte Brusselse kantoor. Eén van de vijf oprichters is IP, media- en entertainmentadvocaat Emmanuel Verraes. Na zijn functie als legal & business affairs director bij EMI Music en vervolgens The Entertainment Group, had Emmanuel gedurende 8 jaar zijn solopraktijk in Brussel. De nieuwe structuur biedt bijkomende expertise in onder meer distributie en corporate, en richt zich met haar internationaal team nog meer op grensoverschrijdende zaken.”

Zie voor meer informatie de website van FLINN.

  • 13 September 2017 om 00:00

IEPT20170908, Rb Overijssel, BALR

Gevorderde inbreukverbod en opgave van documenten toegewezen na verkoop van nagemaakte BALR t-shirts: merkinbreuk niet betwist.

MERKENRECHT

Kort geding. Eiser BALR brengt onder meer kleding, schoenen en horloges op de markt en is houdster van verschillende BALR-merken. Gedaagde heeft een winkel waarin in totaal 167 nagemaakte BALR-shirts zijn aangetroffen. BALR vordert een inbreukverbod alsmede opgave van het aantal verkochte- en op voorraad zijnde inbreukmakende shirts alsmede de leverancier van deze shirts.

De voorzieningenrechter overweegt dat gedaagde niet betwist dat hij t-shirts heeft aangeboden die zijn voorzien van tekens die identiek zijn aan het BALR-merk en evenmin dat hij voor het gebruik van deze tekens geen toestemming van BALR had. Ook weerspreekt hij niet dat hij daarmee inbreuk heeft gemaakt op het merkrecht van BALR. Nu de onderbouwde stellingen van BALR niet zijn weersproken, wordt het gevorderde inbreukverbod door de voorzieningenrechter toegewezen.

Gedaagde wordt eveneens veroordeeld om binnen een week na betekening van het vonnis volledige opgave te doen van het totale aantal inbreukmakende producten dat hij heeft besteld, in voorraad heeft, heeft verkocht, wat de locatie is van de in voorraad gehouden producten en wie de leverancier is van deze producten. Gedaagde wordt bovendien op grond van art. 1019h Rv veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van BALR tot op heden begroot op € 7.459,62.

IEPT20170908, Rb Overijssel, BALR

(kopie uitspraak)

  • 12 September 2017 om 00:00
โŒ