[Contact]

Nieuwskop.nl Nieuwskoppen Nederland

πŸ”’
❌ Over FreshRSS
Er zijn nieuwe artikelen beschikbaar, klik om de pagina te vernieuwen.
OuderMedia Report

BNNVARA mocht heimelijke opname gesprek Azarkan over fake news campagne Denk uitzenden

Door Redactie

BNNVARA radio-programma De Nieuws BV komt er achter dat het door Farid Azarkan geleide campagneteam van Denk rond de Tweede Kamerverkiezingen in 2017 een ‘PVV’ banner op internet wilde zetten, met de slogan “Na 15 maart gaan we Nederland zuiveren” (zie plaatje links). De banner was vormgegeven in de PVV huisstijl, met foto van Wilders en het PVV logo. Alleen was het geen PVV banner. De banner was ontworpen en bedacht door Denk. Een variant op deze banner, met dezelfde tekst, is ook daadwerkelijk (als test) op internet gezet in opdracht van Denk. Als de definitieve banner klaar staat om online te gaan, onder meer op nu.nl en telegraaf.nl, wordt Azarkan (de huidige fractievoorzitter) teruggefloten door zijn collega’s Öztürk en Kuzu en wordt de campagne afgeblazen.

Azarkan wordt op 28 april 2018 benaderd door 2 redacteuren van BNNVARA in het kader van wederhoor. Er vindt een gesprek plaats in de fractiekamer van Denk in de Tweede Kamer, waarbij ook de persvoorlichter van Denk aansluit.

In het gesprek erkent Azarkan dat Denk aanvankelijk van plan was de nepbanner op internet te zetten. Het gesprek wordt door  BNNVARA opgenomen, hoewel Azarkan aangeeft dat hij daar geen toestemming voor geeft. Voordat BNNVARA naar buiten treedt met het nieuws, zet Denk een video online waarin de BNNVARA redacteuren (met foto en naam) worden beschuldigd de directeur van een bedrijf dat Denk hielp bij haar online campagne te hebben aangespoord valse informatie en beschuldigingen te verzinnen over Denk. In de video ontkent Denk de beschuldigingen van BNNVARA over de nepbanner en doet zij het af als ‘fake news’. BNNVARA reageert hierop door (na Denk hierover te hebben geïnformeerd) fragmenten van de audio opnamen te verwerken in het item over de nepbanner, dat vervolgens wordt uitgezonden in De Nieuws BV van 20 juni 2018. Dit om de onjuiste beschuldigingen en ontkenning van Denk te ontkrachten.

Denk start vervolgens een kort geding tegen BNNVARA en de redacteuren. Zij vordert dat de geluidsfragmenten worden verwijderd en openbaarmaking of verstrekking aan derden hiervan wordt verboden. Volgens Denk heeft BNNVARA in strijd gehandeld met de opnamerichtlijnen van de Tweede Kamer en onrechtmatig gehandeld door het gesprek zonder toestemming op te nemen, en vervolgens in de uitzending te verwerken.

BNNVARA verweert zich door uit te leggen dat zij het gesprek aanvankelijk toch opnam uit voorzorg en zorgvuldigheid. Zij kende de wijze waarop Denk vaak met de media omgaat en wist dat het belangrijk was dat zij de woorden van Azarkan zeer precies zou kunnen weergeven, en dat de kans bestond dat Denk haar eigen versie op de feiten zou publiceren, wat inderdaad gebeurde.  En toen Denk BNNVARA vervolgens beschuldigde van fake news en onjuistheden verkondigde over de nepbanner, was ze gerechtigd fragmenten van de opname in de uitzending te verwerken, aldus BNNVARA.

De voorzieningenrechter overweegt dat voorzorg en zorgvuldigheid voor het te maken item geen rechtvaardiging is voor het maken van heimelijke opnamen tegen de uitdrukkelijke wens van de gesprekspartner. De rechter merkt daarbij ook op dat, als het bij heimelijk opnemen was gebleven, dat geen gevolgen had gehad. De rechter beoordeelt dan of de uitzending van delen van het gesprek gerechtvaardigd was. De beschuldigingen aan het adres van BNNVARA waren onterecht en de plannen van Denk om een nep PVV-banner online te plaatsen een ernstige misstand, waarover het publiek moest worden geïnformeerd. Vanwege de onterechte beschuldigingen en de ernstige misstand aan de zijde van Denk was het gebruik van de opnamen – ondanks het heimelijke karakter ervan – gerechtvaardigd en proportioneel.

Dat het gesprek plaatsvond in de fractiekamer was de keuze van Azarkan, waar dit overal plaats had kunnen vinden. Denk en Azarkan zijn bovendien voldoende in de gelegenheid gesteld om hun reactie te geven. “Bovendien heeft hij [Azarkan] in het gesprek niets gezegd dat tussen hem en de journalisten had moeten blijven en waarvan het dus niet de bedoeling was dat het door hen zou worden gebruikt. Op de heimelijke opname kan dan ook geen woord staan dat eigenlijk binnen de muren van de fractiekamer had moeten blijven. Onder deze omstandigheden legt het enkele feit dat in de fractiekamer is opgenomen weinig gewicht in de schaal. Het is weliswaar in strijd met de Richtlijnen voor het maken van opnamen in de gebouwen van de Tweede Kamer, maar dat is in eerste instantie een zaak voor het Presidium, waarbij Denk hierover een klacht heeft ingediend. Daarop heeft Denk nog geen reactie ontvangen, ofschoon BNNVARA in deze procedure al wel een brief over kon leggen, waaruit kan blijken dat het Presidium de zaak minder hoog opneemt dan aanvankelijk het geval leek.

Afsluitend wijst de rechter op de publieke discussie die is losgebarsten over de kwestie, waardoor over de opnamen een publieke discussie is ontstaan, die nog steeds digitaal zal zijn terug te vinden. Dat betekent ook dat onduidelijk is wat het belang nog is van de vorderingen van Denk. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van Denk af.

BNNVARA is bijgestaan door Jens van den Brink en Emiel Jurjens

Nederlandse Staat aansprakelijk voor uitspraken over downloaden uit illegale bron

Door Meyke Rietveld

Op 10 april 2014 bepaalde het Hof van Justitie in het ACI Adam arrest dat downloaden uit illegale bron (bijvoorbeeld van films) niet is toegestaan. De 10 jaar daarvoor (sinds invoering van de thuiskopie-exceptie) hebben bewindslieden van de Nederlandse regering, waaronder de staatssecretaris en minister van justitie, uitingen gedaan in het parlementaire debat en de media waaruit een willekeurig persoon zou kunnen afleiden dat downloaden uit illegale bron wel was toegestaan. SEKAM, een stichting die opkomt voor de rechten van filmproducenten, vindt dat de Nederlandse Staat haar boekje daarmee te buiten is gegaan. Nu het Hof van Justitie in 2014 duidelijk heeft gemaakt dat downloaden uit illegale bron niet is toegestaan, is de Staat volgens SEKAM aansprakelijk voor de schade die rechthebbenden hebben opgelopen door het verkeerd inlichten van het publiek. SEKAM spant daar samen met een aantal individuele producenten een procedure over aan tegen de Nederlandse Staat.

De uitlatingen van bewindslieden vallen volgens de Staat onder de immuniteit van artikel 71 Grondwet. Ook gold volgens de Staat een hogere drempel voor het aannemen van onrechtmatigheid omdat ze zijn gedaan door bewindslieden en waren de gedane uitlatingen in de tijd dat ze werden gedaan (nog) niet onjuist.

De rechtbank Den Haag oordeelt dat de Staat aansprakelijk is voor de gedane uitlatingen. De immuniteit van bewindslieden geldt alleen in het parlementaire debat. De uitingen die zijn gedaan in het publieke debat (de media) mogen dus gewoon door de rechter op onrechtmatigheid worden getoetst. Hoewel dit destijds nog onbekend was, zijn de gedane uitlatingen in strijd met Unierecht.

De rechtbank concludeert dat “er downloaders zullen zijn geweest die ervan uitgingen dat downloaden uit illegale bron was toegestaan“, en dat “Indien wordt gehandeld volgens deze, met het Unierecht strijdige, weergave van de Nederlandse situatie, wordt inbreuk gemaakt op de rechten van 2Houses cs en de achterban van SEKAM en wordt dus onrechtmatig jegens hen gehandeld.“ Dit komt voor rekening van de Staat. Zelfs als de onjuiste uitingen niet aan de Staat te wijten zijn.

Wel stelt de Staat dat alleen die schade dient te worden vergoed die is geleden als gevolg van deze uitlatingen. Of de uitlatingen dat illegaal downloaden ook niet strafrechtelijk gehandhaafd werd onrechtmatig was, daar kan de rechtbank zich niet over uitlaten.

Een explosieve uitspraak, en waarschijnlijk de aanzet voor nieuwe procedures. Het ligt voor de hand dat de Staat in hoger beroep gaat. En als SEKAM dit oordeel overeind weet te houden, aan haar de schone taak aan te tonen welke schade deze uitingen veroorzaakt hebben. Zeker nu dezelfde uitingen in het parlement wel mochten. Het zou lastig kunnen worden te bewijzen dat de (soortgelijke) uitingen in de media extra schade hebben opgeleverd.

Meyke Rietveld en Jens van den Brink

Pussy Riot, the right to protest and to criticise the President, and the Patriarch – Mariya Alekhina and Others v. Russia

Door Redactie

* Guest post By Dirk Voorhoof, Human Rights Centre, Ghent University and Legal Human Academy

In its judgment of 17 July 2018 the ECtHR has found various violations of the rights of the members of the feminist punk band Pussy Riot. The ECtHR found violations under Article 3 (prohibition of inhuman or degrading treatment), Article 5 § 3 (right to liberty and security) and 6 §§ 1 and 3 (c) ECHR (right to fair trial), in relation to the conditions of their transportation and detention in the courthouse, their pre-trial detention, the treatment during the court hearings (being exposed to public view in a glass dock surrounded by armed police), and restrictions to legal assistance. Most importantly the ECtHR found the criminal prosecution and prison sentence of the Pussy Riot members a breach of their freedom of expression under Article 10 ECHR. It also found that their right to freedom of expression has been violated on account of declaring the Pussy Riot video material available on the Internet as extremist and banning it. This blog focusses on the applicants’ rights under Article 10 ECHR.

Pussy Riot’s performance in a cathedral, posted on YouTube

The three applicants are members of the Russian punk band, Pussy Riot: Ms Mariya Vladimirovna Alekhina, Ms Nadezhda Andreyevna Tolokonnikova and Ms Yekaterina Stanislavovna Samutsevich. The group carried out a series of impromptu performances of their songs Release the Cobblestones, Kropotkin Vodka, Death to Prison, Freedom to Protest and Putin Wet Himself in various public areas in Moscow, such as a subway station, the roof of a tram, on top of a booth and in a shop window. According to Pussy Riot, their actions and performances were a response to the ongoing political process in Russia. They argued that their songs contained “clear and strongly worded political messages critical of the government and expressing support for feminism, the rights of minorities and the ongoing political protests”.

Before the Strasbourg Court the three members of Pussy Riot complained about their conviction and imprisonment for attempting to perform one of their protest songs in a Moscow cathedral in January 2012. The performance in the cathedral was meant to express disapproval of the political situation in Russia at the time and of Patriarch Kirill, leader of the Russian Orthodox Church, who had strongly criticised the large-scale street protests across the country against the recently held parliamentary elections and the approaching presidential election. No service was taking place, but some people were inside the cathedral, including journalists and the media invited by the band for publicity. The performance only lasted slightly over a minute because cathedral guards quickly forced the band out. The band uploaded the video footage of their attempted performance to their website and to YouTube. The three Pussy Riot members were arrested shortly after the performance for “hooliganism motivated by religious hatred” and were held in custody and pre-trial detention for just over five months before being convicted as charged. The trial court found that the Pussy Riot action had been offensive and insulting, referring to their brightly coloured clothes and balaclavas, their waving their arms and kicking their legs around and their obscene language. The court rejected Pussy Riot’s arguments that their performance had been politically and not religiously motivated, and they were sentenced to one year and eleven months imprisonment for hooliganism motivated by religious hatred and enmity, committed in a group acting with premeditation and in concert, under Article 213 § 2 of the Criminal Code. All appeals against this decision failed. The domestic courts also ruled that the performance had been offensive and banned access to the “extremist” video recordings Pussy Riot had subsequently uploaded onto the Internet. The first and second applicants served approximately one year and nine months in prison before being amnestied, while the third applicant served approximately seven months imprisonment before her sentence was suspended.

The Court: mix of conduct and verbal expression

In June 2012 the three Pussy Riot members lodged an application with the ECtHR against the Russian Federation. Their submissions were supported by various third party interveners, such as the Alliance Defending Freedom (ADF), Amnesty International, Human Rights Watch and Article 19, all arguing that the Russian authorities had acted in breach with the applicants’ rights under Article 10 ECHR.

With regard to the punk band’s right to freedom of expression the ECtHR reiterates that it includes freedom of artistic expression which affords the opportunity to take part in the public exchange of cultural, political and social information and ideas of all kinds, such an exchange of ideas by those who create and perform art being essential for a democratic society. The ECtHR also clarified that opinions or artistic works, apart from being capable of being expressed through the media, can also be expressed through conduct. For example, the public display of several items of dirty clothing near the Hungarian Parliament, representing the “dirty laundry of the nation”, has been qualified as a form of protected political expression (see Tatár and Fáber v. Hungary). Likewise, pouring paint on statues of Ataturk has been considered as an expressive act performed as a protest against the Turkish political regime at the time (see Murat Vural v. Turkey).

The Court considers:

“In the case at hand, the applicants, members of a punk band, attempted to perform their song Punk Prayer – Virgin Mary, Drive Putin Away from the altar of Moscow’s Christ the Saviour Cathedral as a response to the ongoing political process in Russia (..). They invited journalists and the media to the performance to gain publicity. For the Court, that action, described by the applicants as a “performance”, constitutes a mix of conduct and verbal expression and amounts to a form of artistic and political expression covered by Article 10” (§§ 205-206).

The criminal conviction and prison sentence

There is no discussion that the criminal proceedings against the applicants, which resulted in prison sentences, amounted to an interference with their right to freedom of expression. Given that the applicants’ performance took place in a cathedral, which is a place of religious worship, the ECtHR considers that the interference at issue can be seen as having pursued the legitimate aim of protecting the rights of others, while it leaves the question open we as to whether the interference was “prescribed by law”.

In its assessment of the necessity in a democratic society of the interferences at issue, the ECtHR emphasises that Pussy Riot’s actions contributed to the debate about the political situation in Russia and the exercise of parliamentary and presidential powers. The ECtHR  reiterates that there is little scope under Article 10 § 2 ECHR for restrictions on political speech or debates on questions of public interest, and very strong reasons are required for justifying such restrictions. On the other hand, Article 10 ECHR does not bestow any freedom of forum for the exercise of that right and does not create an automatic right of entry to private or publicly owned property. Holding an artistic performance or giving a political speech in a type of property to which the public enjoys free entry may, depending on the nature and function of the place, require respect for certain prescribed rules of conduct. As the Pussy Riot performance took place in a cathedral, it can be considered as having violated the accepted rules of conduct in a place of religious worship, which eventually could justify the imposition of certain sanctions, in order to protect the rights of others. However, the applicants were charged with a criminal offence and sentenced to one year and eleven months in prison.

The Court notes

“that the applicants’ actions did not disrupt any religious services, nor did they cause any injures to people inside the cathedral or any damage to church property. In those circumstances the Court finds that the punishment imposed on the applicants was very severe in relation to the actions in question. It will further examine whether the domestic courts put forward “relevant and sufficient” reasons to justify it” (§ 215).

The ECtHR reiterates that it has had regard to several factors in a number of cases concerning statements, verbal or non-verbal, alleged to have stirred up or justified violence, hatred or intolerance where it was called upon to decide whether the interferences with the exercise of the right to freedom of expression of the authors of such statements had been “necessary in a democratic society” in the light of the general principles formulated in its case-law.  One of them has been whether the statements were made against a tense political or social background; the presence of such a background has generally led the Court to accept that some form of interference with such statements was justified. Another factor has been whether the statements, fairly construed and seen in their immediate or wider context, could be seen as a direct or indirect call for violence or as a justification of violence, hatred or intolerance. In assessing that point, the Court has been particularly sensitive towards sweeping statements attacking entire ethnic, religious or other groups or casting them in a negative light. Another relevant factor is the manner in which statements are made, and their capacity – direct or indirect – to lead to harmful consequences. In the paras. 218-220 the ECtHR gives an instructive overview of its case law applying the criteria and factors just mentioned.  The ECtHR emphasises that it is
“the interplay between the various factors involved rather than any one of them taken in isolation that determined the outcome of the case. The Court’s approach to that type of case can thus be described as highly context-specific” (§ 221).

The ECtHR next observes that it is unable to discern any element in the domestic courts’ analysis which would allow a description of the applicants’ conduct as incitement to (religious) hatred. The ECtHR finds that the Pussy Riot performance neither contained elements of violence, nor stirred up or justified violence, hatred or intolerance of believers, and it reiterates that, in principle, peaceful and non-violent forms of expression should not be made subject to the threat of imposition of a custodial sentence:

“(..) in the case at hand the applicants were convicted of hooliganism motivated by religious hatred on account of the clothes and balaclavas they wore, their bodily movements and strong language. The Court accepts that as the conduct in question took place in a cathedral it could have been found offensive by a number of people, which might include churchgoers, however, having regard to its case-law and the above-mentioned international standards for the protection of freedom of expression, it is unable to discern any element in the domestic courts’ analysis which would allow a description of the applicants’ conduct as incitement to religious hatred (..). The domestic courts did not examine whether the applicants’ actions could be interpreted as a call for violence or as a justification of violence, hatred or intolerance. Nor did they examine whether the actions in question could have led to harmful consequences” (§§ 225-226).

The ECtHR agrees that certain reactions to the applicants’ actions might have been warranted by the demands of protecting the rights of others on account of the breach of the rules of conduct in a religious institution, but it comes to the conclusion that the domestic courts failed to adduce “relevant and sufficient” reasons to justify the criminal conviction and prison sentence imposed on the applicants, while the sanctions were not proportionate to the legitimate aim pursued. Referring to international standards, including UN Human Rights Committee’s General Comment No. 34, Article 19: Freedoms of Opinion and Expression, of 12 September 2011, the ECtHR recalls that interference with freedom of expression in the form of criminal sanctions may have a chilling effect on the exercise of that freedom, which is an element to be taken into account when assessing the proportionality of the interference in question.

The ECtHR concludes:

“In view of the above, and bearing in mind the exceptional seriousness of the sanctions involved, the Court finds that the interference in question was not necessary in a democratic society. There has therefore been a violation of Article 10 of the Convention” (§§ 229-230).

The banning of the videos

With regard the findings that the Pussy Riot video materials available on the Internet were “extremist” and by placing a ban on access to that material, the ECtHR finds that the domestic court made no attempt to conduct its own analysis of the video materials in question, solely relying on a report by linguistic experts, without specifying which particular elements of the videos were problematic so as to bring them within the scope of the provisions of the Suppression of Extremism Act.

The ECtHR also in more general terms reiterates that

“Where the views expressed do not comprise incitements to violence – in other words, unless they advocate recourse to violent actions or bloody revenge, justify the commission of terrorist offences in pursuit of their supporter’s goals or can be interpreted as likely to encourage violence by expressing deep-seated and irrational hatred towards identified persons – Contracting States must not restrict the right of the general public to be informed of them, even on the basis of the aims set out in Article 10 § 2” (§ 260).

The ECtHR is also of the opinion that a domestic court can never be in a position to provide “relevant and sufficient” reasons for an interference with the rights guaranteed by Article 10 ECHR without some form of judicial review based on a weighing up of the arguments put forward by the public authority against those of the interested party. However, in the proceedings which led to the finding that the applicants’ activity and materials were “extremist”, the domestic law did not allow Pussy Riot’s participation, thereby depriving them of any possibility to contest the allegations made by the public authority. There is no doubt that this kind of state action curtailing the right to freedom of expression is incompatible with Article 10 ECHR. The ECtHR comes to the conclusion that declaring Pussy Riot’s online video materials “extremist” and placing a ban on access to them did not meet a “pressing social need” and was disproportionate to the legitimate aim invoked. The interference was thus not “necessary in a democratic society” and therefore violated Article 10 ECHR.

Comments

The judgment in the Pussy Riot is well elaborated, clearly motivated and even very instructive by referring extensively to the Court’s earlier case law on the right to peaceful protest. It applies the standards and criteria developed in other recent cases, especially in cases in which the ECtHR found that the Russian authorities had interfered with the right to protest in a way that violated Article 10 and/or Article 11 ECHR, such as e.g. in Taranenko v. Russia, Primov v. Russia, Nemtsov v. Russia and Frumkin v. Russia (see also our blog on Novikova v. Russia). The judgment guarantees firmly the protection of performing art or expressive conduct that amounts to a form of artistic and political speech or as symbolic expression of dissatisfaction and protest (see also Stern Taulats and Roura Capellera v. Spain). It also confirms that there should not be an overbroad suppression of “extremist” opinions (see our blog on Stomakhin v. Russia).

Most importantly the judgment confirms that criminal prosecution and imprisonment for non-violent speech may have a chilling effect and amount as such to a disproportionate interference of the right to freedom of expression in a democracy. The ECtHR considers indeed “that according to international standards for the protection of freedom of expression, restrictions on such freedom in the form of criminal sanctions are only acceptable in cases of incitement to hatred” (§ 223). It reiterates that, in principle, ”peaceful and non-violent forms of expression should not be made subject to the threat of imposition of a custodial sentence (..), and that interference with freedom of expression in the form of criminal sanctions may have a chilling effect on the exercise of that freedom, which is an element to be taken into account when assessing the proportionality of the interference in question” (§ 227). This approach by the ECtHR in the Pussy Riot case contrasts sharply with the finding earlier this year by the ECtHR in Sinkova v. Ukraine. In that case, the ECtHR found that the criminal conviction, the pre-trial detention and the (suspended) prison sentence for a non-violent performance art protest at a war memorial did not violate Article 10 ECHR. In the light of the judgment in the Pussy Riot case it becomes even more deplorable that the panel of the ECtHR recently dismissed the request for a referral (- supported by the Human Rights Centre of Ghent University -), of this case to its Grand Chamber (see our blog on Sinkova v. Ukraine).

This post was previously published on Strasbourg Observers.

*Dirk Voorhoof, Human Rights Centre Ghent University (Belgium),  Legal Human Academy and member the European Centre for Press and Media Freedom (ECPMF, Germany)

 

 

EenVandaag mocht rapper naast geblurde leden herkenbaar in beeld brengen

Door Liz de Rijke

Woensdag 22 maart 2018 zond EenVandaag een item uit waarin aandacht werd besteed aan een strafproces tegen tien Syriëgangers. Twee jongens uit deze groep waren tot 2014 lid van de Arnhemse rapgroep Team Liefde. Om een beeld te schetsen van hun leven voordat ze dat jaar naar Syrië vertrokken, zond EenVandaag fragmenten uit van hun videoclip Ramadan, opgenomen in 2013. In deze fragmenten waren de gezichten van de twee jongens waar het om ging geblurred; de rest van de gezichten van de rapgroep zijn door EenVandaag herkenbaar in beeld gebracht.

Één van de de niet-verdachte rappers klaagde vervolgens bij de AVROTROS over het feit dat hij veel negatieve reacties ontving op de uitzending. Mensen zouden hem beschuldigen van het zijn van een Syriëganger, dan wel associëren met Syriëgangers. Dit alles omdat zijn gezicht herkenbaar in beeld is gebracht.

AVROTROS bracht hier tegenin dat het in de pers juist een gebruikelijke manier is om verdachten in een strafproces onherkenbaar te maken door hun gezichten te blurren. Nu de rapper geen verdachte was, was dit in zijn geval niet nodig.

Ondanks het feit dat EenVandaag twee dagen later een rectificatie uitzond, stelt de rapper de omroep aansprakelijk voor de schade die hij heeft geleden en begint een rechtszaak. De rechter weegt de persvrijheid van AVROTROS af tegen de bescherming op de persoonlijke levenssfeer van de rapper, en oordeelt dat van een onrechtmatige daad geen sprake is. De rectificatie was voldoende duidelijk en bovendien heeft de niet-verdachte rapper meermaals zelf de media opgezocht om zijn verhaal te doen. Verder was EenVandaag niet het eerste mediaplatform dat onder verwijzing van de videoclip over de Syriëgangers berichtte. Het is volgens de rechter dan ook niet te bewijzen dat de schade rechtstreeks het gevolg is van de uitzending van EenVandaag van 22 maart.

Omroep Max en Follow The Money winnen zaak tegen ouderenbond ANBO

Door Liz de Rijke

Op 1 november 2017 besteedt het programma Meldpunt! van Omroep Max aandacht aan belangenorganisatie voor senioren, ANBO. Follow The Money (FTM) doet hetzelfde in een artikel op haar website.

In een persbericht voorafgaand aan de uitzending schrijft Omroep Max op 30 oktober 2017  onder meer:

Woensdag in Meldpunt!: Waar zijn de ANBO-miljoenen? Wat is er gebeurd met de miljoenen euro’s van ouderenbond ANBO? Twee jaar geleden werden alle lokale ANBO-afdelingen gedwongen ondergebracht bij het ANBO-hoofdkantoor. Ook hun banktegoeden moesten ze afstaan. Waar is dat geld nu? En hoe groot is de ANBO nog? Meldpunt! gaat op zoek, samen met Follow the Money; het platform voor onderzoeksjournalistiek.

Het FTM-artikel “Autoritaire ANBO-bons jaagt ouderen weg” begint als volgt:

“Ouderenbond ANBO was ooit ’s lands grootste seniorenorganisatie, goed voor bingo-avondjes en belangenbehartiging van onze ouderen. Tegenwoordig is het een haast dictatoriale lobbyclub. Leden lopen weg; bestuurders werden geschorst of geroyeerd. Dit heeft alles te maken met één vrouw: directeur-bestuurder [X] , ook wel ‘[X]’. Follow the Money en Omroep Max legden de hand op vertrouwelijke stukken en ontrafelden haar greep naar de macht.”

Nadat FTM op 31 maart en 5 april 2018 nog twee artikelen over de situatie bij de ANBO publiceert, is de maat voor de ANBO vol. Zij sommeert verwijdering en rectificatie van zowel de uitzending van Meldpunt! als het van FTM. Beide zouden meerdere feitelijke onjuistheden en suggestieve uitlatingen bevatten die haar ernstig in haar reputatie zouden schaden.

Volgens de rechtbank Amsterdam hebben Omroep Max en FTM niet onrechtmatig gehandeld jegens de ANBO.

Het merendeel van de uitlatingen in Meldpunt! waar de ANBO over valt zijn gedaan in de (live) uitzending door een derde, een redacteur van FTM. Daarvoor is MAX niet aansprakelijk:

de gewraakte uitlatingen [zijn] live in een studiogesprek gedaan. Omroep Max heeft zich er terecht op beroepen dat zij ten aanzien van die uitlatingen een boodschappersfunctie vervult en dat zij voor die uitlatingen niet aansprakelijk kan worden gehouden. Een journalist moet, onder meer door het houden van interviews, zijn essentiële rol als publieke waakhond kunnen vervullen. In dat kader moet hij in beginsel de uitingen van derden ongestraft kunnen verspreiden. In dit geval heeft de interviewster van het programma Meldpunt! voldoende afstand gehouden van [naam 7] en, anders dan de ANBO heeft aangevoerd, een kritische houding ten opzichte van hem aangenomen. Omroep Max heeft journalistiek onderzoek verricht en de gekozen manier van verslaggeving valt onder haar redactionele vrijheid. Door het uitnodigen van de ANBO om in de uitzending op te treden en het sturen van een uitgebreide vragenlijst voor de uitzending, heeft Omroep Max bovendien ruimschoots voldaan aan het journalistieke beginsel van hoor en wederhoor.

De ANBO valt verder over een aantal ‘suggestieve uitlatingen’ van mensen die voorheen gelieerd waren aan de ANBO. Ook die kunnen door de beugel volgens de rechtbank: “Omroep Max heeft … journalistiek onderzoek heeft gedaan en met een groot aantal personen heeft gesproken. De wijze waarop Omroep Max hiervan verslag doet, valt onder haar redactionele vrijheid. Bovendien geldt ook hier dat hetgeen de geïnterviewden in de uitzending naar voren brengen in beginsel onder hun eigen verantwoordelijkheid valt en dat Omroep Max dit op grond van haar boodschappersfunctie moet kunnen uitzenden.“ En MAX komt een grote vrijheid toe bij het doen van waarde-oordelen.

Ook is van belang dat het gaat om een ernstige misstand, over een een grote landelijke organisatie, die tegen kritiek moet kunnen.

De Rechtbank concludeert het artikel op FTM, anders dan de ANBO beweert, geen feitelijke onjuistheden bevat. De uitlatingen die de ANBO suggestief noemt zijn weliswaar kritisch, maar daarvoor is voldoende aanleiding. En beide gedaagden hebbene voldoende gelegenheid tot wederhoor geboden.

De vorderingen van de ANBO worden afgewezen.

Rectificatie!

Door Redactie

Correction.

In onze serie toprectificaties.

Via @JamesMelville

Rectificatie!

Door Redactie

Vervelend.

Zie hier voor meer in deze serie op MediaReport.

Via Dumpert en vkmag.

EHRM (der Spiegel): over het online archief en het belang om niet te anonimiseren

Door Alexandra van Lier

Een nieuw arrest over het online archief van het EHRM, waarin nog eens wordt benadrukt dat er geen algemeen right to be forgotten geldt richting media, en dat een anonimiseringsverzoek de uitingsvrijheid beperkt en dus niet zomaar kan worden toegewezen.

De Duitse halfbroers M.L. en W.W. zijn veroordeeld voor de moord op de populaire (en overigens op internet onvindbare) acteur W.S. Leur in 1993. Ze hebben de moord altijd ontkend en hebben meermaals verzocht de zaak te heropenen. Hierbij hebben ze zelf de pers van informatie voorzien en stond op de website van hun advocaat een uitgebreid bericht over de zaak. In augustus 2007 en januari 2008 zat hun straf erop. Maar met een schone lei beginnen zit er volgens de broers niet in. Online staan ze met hun volledige namen in archieven van verschillende media, waaronder in een transcript van een radiorapportage van ‘Deutschlandradio’ en artikelen in de online dossiers van ‘Der Spiegel’ en  ‘Mannheimer Morgen’. De artikelen gaan met name over de moord en het strafproces, maar het online dossier van ‘Der Spiegel’ bevat ook informatie over de gezinssituatie, loopbaan en seksuele geaardheid van de halfbroers. Alle artikelen staan achter een betaalmuur. Alleen ‘Mannheimer Morgen’ geeft een voor iedereen toegankelijke ‘teaser’ waarin de volledige namen van de broers worden genoemd. Daarnaast bevat het online dossier van ‘Der Spiegel’ drie foto’s van de broers samen, in het gezelschap van een agent en in de rechtszaal. De broers stappen naar de rechter, stellen dat hun recht op eerbiediging van hun privéleven, neergelegd in artikel 8 EVRM, is geschonden en eisen het anonimiseren van het transcript, artikelen en foto’s.

De drie aparte procedures tegen deze drie media verlopen ongeveer hetzelfde. De lagere rechters in Hamburg bepalen dat de media het transscript en de artikelen moeten anonimiseren, want het beschikbaar stellen van de oude artikelen maakt inbreuk op het recht op eerbiediging van het privéleven van de halfbroers. Het publiek is al voldoende geïnformeerd geweest en de artikelen worden niet verwijderd, maar slechts geanonimiseerd. De rechter  in hoger beroep hecht verder waarde aan het feit dat de halfbroers net op het punt stonden vrijgelaten te worden, waardoor ze volgens de rechters genieten van een protection particulière dat hun doel om terug te keren in de maatschappij respecteert door niet meer geconfronteerd te worden met hun misdaden. Het risico dat buren, werkgevers en collega’s deze oude informatie opnieuw verspreiden brengt dat recht op terugkeer in gevaar.

Het Bundesgerichtshof vernietigt vervolgens deze uitspraken, want de lagere rechters hebben te weinig rekening gehouden met de vrijheid van meningsuiting en het belang van het publiek om geïnformeerd te worden. Het Bundesgerichtshof maakt een uitgebreide belangenafweging en concludeert dat artikel 8 EVRM niet geschonden is.

De zaak (arrest alleen in het Frans) komt uiteindelijk voor het EHRM (Europees Hof voor de Rechten van de Mens) terecht.

Het recht op privéleven ziet op alle persoonlijke informatie waarvan een individu mag verwachten dat deze niet bekend wordt gemaakt zonder zijn/haar toestemming. Het EHRM verwijst naar de Satakunnan-zaak waarin het EHRM eerder oordeelde dat artikel 8 EVRM een zeker recht omvat (‘une forme d’auto-détermination informationelle’) om zelf te bepalen welke informatie, ook al is het neutrale informatie, wordt verzameld, verwerkt en verspreid.

Onder verwijzing naar de Axel Springer-zaak stelt het EHRM dat het recht op eerbiediging van het privéleven alleen kan worden geschonden door een aantasting van iemands reputatie met een zekere mate van ernst en kun je niet klagen over aantasting van je reputatie wanneer deze voorzienbaar is en het gevolg van eigen acties, zoals het plegen van een strafbaar feit.

Tegenover artikel 8 EVRM staat het belang van de persvrijheid en het recht om geïnformeerd te worden van artikel 10 EVRM. De rol van publieke waakhond van de pers omvat ook het behoud en toegankelijk houden van informatie, wat door online archieven mogelijk wordt gemaakt. De archieven zijn een waardevolle bron voor het onderwijs en historisch onderzoek, met name wanneer deze gratis beschikbaar en direct toegankelijk voor het publiek zijn (zie Times Newspapers- en het Wegrzynowski-arrest).

Voor de belangenafweging tussen artikel 8 en 10 EVRM gaat het EHRM conform vaste rechtspraak de bekende factoren af: de bijdrage van de informatie aan het publieke debat, de bekendheid van de betrokkenen, het onderwerp van de rapportage, eerder gedrag van de betrokkenen tegenover de media, de inhoud, vorm en gevolgen van de publicatie en de omstandigheden waaronder de foto’s zijn genomen.

De informatie draagt nog altijd bij aan het publieke debat, want het gaat om informatie over een ernstig misdrijf en strafproces van deze tijd, waarbij het slachtoffer publiek bekend was en waarbij in 2000 nog om herziening van het proces is verzocht door betrokkenen.

Het EHRM erkent het belang van de terugkeer in de maatschappij van veroordeelden die hun straf hebben uitgezeten en hun belang niet meer geconfronteerd te worden met hun daden, maar  hier staat tegenover dat het publiek het recht heeft om onderzoek te doen naar gebeurtenissen uit het verleden. De betrokkenen verzochten alleen om anonimiseren en niet om verwijdering van de informatie. Anonimiseren blijft, ook al is het een minder zware, inmenging op de uitingsvrijheid. Zonder de ethische journalistieke gedragsregels uit het oog te verliezen, is het aan journalisten zelf om te bepalen welke details gepubliceerd moeten worden om de geloofwaardigheid van de publicatie te garanderen. Het publiceren van identificerende informatie, zoals volledige namen, is een belangrijk onderdeel van het werk van de pers, zeker wanneer het om informatie over strafprocessen gaat.

Sinds de vervolging zijn de betrokkenen bekend bij het publiek. De verzoeken om herziening van de veroordeling hebben deze bekendheid versterkt. Het EHRM zegt niet dat de betrokkenen publieke figuren zijn, maar kwalificeert de betrokkenen als niet simpelweg onbekende privépersonen (‘pas de simples personnes privées inconnues du public’) .

De halfbroers hebben al het juridisch denkbare geprobeerd om het strafproces te laten heropenen. Tijdens hun laatste poging, zo’n 2,5 en 3 jaar voor hun vrijlating, hebben ze de pers benaderd. Dit gedrag jegens de pers levert volgens het EHRM een beperkte legitieme verwachting op bij de broers dat de informatie geanonimiseerd zou zijn/worden, of dat er een recht op digitale vergetelheid van toepassing zou zijn.

Over de inhoud, vorm en gevolgen van de publicaties zegt het EHRM het volgende. Het gaat om perspublicaties, waarvan de juistheid en rechtmatigheid niet betwist wordt. Het online dossier van ‘Der Spiegel’ bevat artikelen met persoonlijke informatie, maar deze informatie wordt ook door de strafrechter meegenomen bij de waardering van de omstandigheden rond het misdrijf en de individuele schuldvraag, wat ook een onderwerp is dat deel uitmaakt van het publieke debat. De verspreiding van de informatie in online archieven is beperkt door de betaalmuren. De informatie trekt niet de aandacht van internetbezoekers die niet specifiek op zoek zijn naar informatie over de betrokkenen.  Volgens betrokkenen heeft het Bundesgerichthof hierbij te weinig rekening gehouden met het feit dat wanneer iets eenmaal op internet staat, het ook op andere plekken kan opduiken en zo vindbaar is, vooral met zoekmachines. De halfbroers hebben zich echter niet gericht op de zoekmachines en het is volgens het EHRM niet aan het EHRM om zich uit te spreken over de mogelijkheid voor nationale rechters om maatregelen te gelasten die minder inbreuk maken op de persvrijheid.

Tot slot zegt het EHRM over de omstandigheden waarmee de gepubliceerde foto’s zijn genomen, dat het Bundesgerichtshof terecht heeft opgemerkt dat de foto’s al vrij oud zijn (1994) waardoor de kans steeds kleiner wordt dat betrokkenen door derden worden herkend op de foto’s.

Het EHRM concludeert dat het Bundesgerichthof een juiste belangenafweging heeft gemaakt en artikel 8 EVRM niet geschonden is.

 

Herziening AVMSD 1: drie nieuwe regels voor video sharing platforms

Door Emiel Jurjens

Recent berichtten we over het nieuws dat overeenstemming is bereikt over de definitieve tekst van de herziene Audiovisual Media Services Directive (AVMSD). Eén van de belangrijkste veranderingen is dat ‘video sharing platforms’ nu ook binnen de scope van de AVMSD zullen vallen. De EU heeft in een persbericht toegelicht dat het daarbij onder meer gaat om “services such as YouTube”, “audiovisual content shared on social media services” en ook “standalone parts of newspapers’ websites which feature audiovisual programme or user-generated videos”. Kortom: als je online video’s aanbiedt, of gebruikers de gelegenheid biedt video’s te posten op een online platform, zal dit al snel binnen de scope van de nieuwe regelgeving vallen. Video sharing platforms zullen dan moeten voldoen aan de volgende verplichtingen:

1. Bescherming minderjarigen

Elke lidstaat zal er voor moeten gaan zorgen dat video sharing platforms ‘appropriate’ maatregelen nemen om minderjarigen te beschermen tegen content op de platforms “which may impair their physical, mental or moral development”. De AVMSD voorziet als concrete maatregelen die de platforms kunnen nemen in dit verband bijvoorbeeld het voorzien in ‘parental control systems’, het plaatsen van leeftijdssloten op de ‘immorele’ content of het flaggen van deze content.

2. Bescherming tegen bepaalde categorieën content

Van de video sharing platforms wordt verwacht dat zij ‘the general public’ gaan beschermen tegen alle content (programma’s, user-generated video’s en reclame) die

- aanzet tot haat of geweld tegen een groep personen of een lid van een groep zoals bedoeld in artikel 21 van het Handvest;

- kwalificeert als een openbare provocatie om een terroristisch misdrijf te begaan;

- kwalificeert als kinderporno;

- racistisch of xenofoob van aard is.

Ook hier gaat weer gelden dat de Europese wetgever verwacht dat een verbod op dergelijke content onder meer via de algemene voorwaarden van de video sharing platforms aan de gebruikers wordt opgelegd.

3. Regels voor reclame op video sharing platforms

Het verspreiden van ‘audiovisuele commerciële communicaties’ (alle vormen van reclame) via video sharing platforms zal ook aan (nadere) regels gebonden gaan worden. Reclame zal bijvoorbeeld als zodanig herkenbaar moeten zijn. Opvallend daarbij is dat de regulering zich ook zal uitstrekken, hoewel in beperktere vorm, tot reclames die niet door het platform zelf zijn geregeld.

Voor alle nieuwe verplichtingen geldt dat lidstaten strengere regels mogen stellen, onder de voorwaarde dat deze niet in strijd zijn met de beperking van de aansprakelijkheid van tussenpersonen die is vastgelegd in de e-commerce richtlijn (Media Report zal aan de spanning tussen die regels en de regels van de AVMSD nog apart aandacht besteden). Ook wordt de mogelijkheid opengelaten dat de nieuwe regels (deels) via zelf- of co-regulering kunnen worden geïmplementeerd.

De redactie heeft begrepen dat de Europese wetgever er op mikt om de aangepaste AVMSD de herfst van dit jaar aan te nemen. Er is verder overeengekomen dat de lidstaten een implementatietermijn van 21 maanden gegund zal worden. De nieuwe regels zullen dus waarschijnlijk ergens tussen juli-oktober 2020 in Nederland geïmplementeerd moeten zijn als dit tijdspad inderdaad wordt aangehouden.

EHRM in Alpha t. Griekenland: gebruik verborgen camera in publieke ruimte eerder toegestaan

Door Jens van den Brink

Het tv-programma Ζούγκλα (“Jungle”) van de Griekse zender Alpha besteedt in januari 2002 aandacht aan de voorzitter van de Griekse parlementaire commissie over online gokken, meneer A.C. Het programma toont drie met een verborgen camera gemaakte video’s. Op de eerste is de politicus te zien terwijl hij zélf op gokmachines speelt. In het tweede en derde fragment wordt hij daarmee geconfronteerd. De Griekse nationale radio- en televisieraad legt de televisiezender Alpha een boete op, want naar Grieks strafrecht is het publiceren van verborgen camerabeelden alleen aanvaardbaar als sprake is van een overwegend algemeen belang en de waardigheid van de betrokkene niet overmatig wordt aangetast. Alpha heeft dat volgens de Griekse autoriteiten onvoldoende aangetoond. Alpha stelt dat de boete in strijd is met art. 10 EVRM.

Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) wijst op 22 februari 2018 arrest in deze zaak (Alpha tegen Griekenland). Voor de beantwoording van de vraag of het recht op respect voor het privéleven van de parlementariër (art. 8 EVRM) of het recht om informatie te verspreiden en te ontvangen (art. 10 EVRM) prevaleert, gaat het EHRM de bekende omstandigheden af, conform standaardjurisprudentie als Paris MatchHaldimann,  Axel Springer en Von Hannover II.

Volgens het Hof kunnen de uitzendingen bijdragen aan een debat dat in de publieke belangstelling staat. Het massale gokken in Griekenland is een maatschappelijk issue en ook het gedrag van de parlementariër “could arouse the interest of the public”. En de vraag of de journalisten in strijd hebben gehandeld met de Griekse strafwet is relevant, maar niet doorslaggevend voor de vraag of een journalist onverantwoordelijk gehandeld heeft.

Maar wat dit arrest toevoegt aan de bestaande jurisprudentie is de nadruk op het feit dat verborgen camerabeelden sneller zijn toegestaan als ze zijn gemaakt in een publieke ruimte.

Publieke versus niet-publieke ruimtes

Volgens het EHRM bestaat er meer ruimte voor het opnemen en uitzenden van beelden met een verborgen camera, als de opnames zijn gemaakt in een publieke ruimte, zoals in dit geval een gokhal. De nationale rechter moet dat in zijn beoordeling meenemen als element dat de ‘legitimate expectation of privacy’ van de persoon die gefilmd is verzwakt.

Volgens het Hof hebben de Griekse autoriteiten onvoldoende onderscheid gemaakt tussen de drie fragmenten. Het eerste fragment speelt  zich af  in een openbare ruimte, een gokhal, “in which anyone could have taken a photograph or – as in the instant case – filmed a video of the member of the Parliament”.  Volgens het Hof is dat een “factor that should have been taken into consideration by the domestic authorities when assessing the journalists’ conduct. The Court has previously considered in cases falling under the scope of Article 8, albeit in a different context, that on occasions when people knowingly or intentionally involve themselves in activities which are or may be recorded or reported in a public manner, a person’s reasonable expectations as to privacy may be a significant, although not necessarily conclusive, factor”.

De andere twee fragmenten waren opgenomen in privéruimtes, waar de omroep met hem sprak om fragment 1 te bespreken. Op dat moment kon A.C. terecht verwachten dat hij niet zonder zijn toestemming zou worden gefilmd en was hij “entitled to have an expectation of privacy“, mede gezien de duidelijke positie onder Grieks recht. De journalisten waren niet te goeder trouw toen ze hem uitnodigden voor een gesprek en hem opnamen zonder daar open over te zijn. De omroep had ook in het geheel geen argumenten aangevoerd waarom er een belang was bij uitzending van fragmenten 2 en 3.

Het EHRM oordeelt dat de conclusie van de nationale autoriteiten dat de omroep bij de uitzending van de tweede en derde video de grenzen van ‘responsible journalism’ hadden overtreden niet onredelijk was. Maar wat betreft video 1 “the Court considers that the domestic authorities failed to take into consideration in their assessment the fact that it was filmed in a public place, an element which, in the Court’s view, weakens the legitimacy of any expectation of privacy A.C. might have had when he entered the gambling arcade.”

Het EHRM concludeert dan dat de Griekse autoriteiten artikel 10 EVRM hebben geschonden door bij de beoordeling van de uitzending van fragment 1 niet mee te nemen dat deze was opgenomen in een publieke ruimte.

Media Report publiceert regelmatig over zaken waarin een verborgen camera ingezet werd. Zie o.a. het Bremneren Haldimann-arrest van het EHRM, het Nederlandse arrest Pretium/Tros, de zaken tegen Undercover in Nederland (MR 2018-034MR 2017-20685 en MR 2015-18365 ), de Onno Hoes–zaak en de zaken tegen KRO-NCRV aangespannen door Volkert van der Graaf en de Mediamarkt.

 

 


Rechtbank Amsterdam: β€˜Undercover in Nederland’ mag imam herkenbaar in beeld brengen

Door Alexandra van Lier

In een uitzending van ‘Undercover in Nederland’ over het sluiten van polygame huwelijken komt een imam herkenbaar in beeld die dergelijke verboden huwelijken toch wil inzegenen. De beelden zijn opgenomen met verborgen camera’s die verstopt zaten in de kleding van twee vrouwen die zogenaamd als getuigen van de inzegening van het islamitisch huwelijk (de nikah) waren meegebracht door de toekomstige bruid. “Willen jullie zo’n akte? Dat is dus niet in Nederland geldig. Het is een bewijs, sterker nog, het mag niet in verkeerde handen komen. Officieel mag het niet gebeuren,” aldus de imam op de verborgen camerabeelden. Wanneer Stegeman de imam confronteert, ontkent de imam zijn medewerking aan illegale polygame huwelijken. Een dag na de uitzending doet de imam aangifte tegen SBS. De imam vordert schadevergoeding en stelt o.a. dat SBS onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door het gebruik van een verborgen camera en door hem herkenbaar in beeld te brengen.

SBS voert aan dat het zeer moeilijk, zo niet onmogelijk is, om de misstand aan de orde te brengen zónder verborgen camera. Voorts treedt de imam niet op als privépersoon, maar in uitoefening van zijn beroep en draagt het zien van de gelaatsuitdrukking van de imam bij aan de zeggingskracht van de uitzending. Ook het doel van de uitzending, de bescherming van vrouwen tegen polygame huwelijken, speelt een rol bij de belangenafweging. Tot slot heeft de imam pas na de uitzending – vier maanden na de opnames – tegen de handelswijze van SBS  geprotesteerd.

De rechter oordeelt dat de door SBS genoemde omstandigheden samen voldoende de wijze waarop en methode waarmee zij de imam in beeld hebben gebracht rechtvaardigen. Er staan twee maatschappelijke belangen tegenover elkaar. Aan de ene kant staat de uitingsvrijheid van art. 10 EVRM dat voorkomt dat misstanden die de samenleving raken niet aan licht komen bij het publiek en – mede als gevolg daarvan – blijven voortbestaan. Aan de andere kant staat het door art. 8 EVRM beschermde belang dat de media geen onnodige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van een individu maken door diens reputatie te beschadigen. Gelet op de ernst van de gestelde misstand, de positie van de imam (de imam moet als publiek figuur worden aangemerkt) en door de inbreuk op de imams privacy te beperken tot zijn handelen als imam bij het meewerken aan nikahs, is SBS binnen de toelaatbare grenzen gebleven. De rechter concludeert dat SBS niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens de imam.

Media Report publiceert regelmatig over zaken waarin een verborgen camera ingezet werd. Zie voor EHRM jurisprudentie o.a. het recente Alpha arrest en Bremner en Haldimann, het Nederlandse arrest Pretium/Tros, de zaken tegen Undercover in Nederland (MR 2017-20685 en MR 2015-18365 ), de Onno Hoes–zaak en de zaken tegen KRO-NCRV aangespannen door Volkert van der Graaf en de Mediamarkt.

 

 


Kamer stelt ex parte procedure voor bij wraakporno

Door Sanne van der Plas

In zijn initiatiefnota vraagt VVD-kamerlid Sven Koopmans de Kamer in te stemmen met het verzoek tot het oprichten van een ambtelijke taskforce Onderlinge Privacy. De privacy tussen burgers onderling moet volgens hem goed gereguleerd worden. Problemen als online shaming, wraakporno, sextortion en internetpesten moeten worden aangepakt. Koopmans stelt een aantal oplossingen voor. Slachtoffers van ernstige privacy-schendingen zouden bijvoorbeeld een vergelijkbare rechterlijke spoedprocedure moeten kunnen starten als slachtoffers van inbreuken op intellectuele eigendomsrechten (art. 1019e Rv). Dit houdt in dat de rechter snel een bevel kan geven om beelden van het internet te laten halen, ook zonder de wederpartij te horen (een ‘ex parte’ procedure). Een ander punt dat hij noemt is brede strafbaarstelling van wraakporno. Hieronder valt het delen of publiceren van intieme beelden waarmee het vertrouwen van het slachtoffer wordt geschaad.

Op 25 juni heeft de commissie voor Justitie en Veiligheid overleg gevoerd over de initiatiefnota met Sander Dekker, minister voor Rechtsbescherming. In het (concept) verslag hiervan zijn positieve reacties te lezen vanuit de Kamer en de minister.

Nationale Opera hoeft geen vrijkaarten te geven aan recensent

Door Lotte Oranje

Afgelopen februari schreef Olivier Keegel, een blogger voor een Belgische weblog over opera, een opiniestuk in het Parool over een voorstelling van de Nationale Opera (DNO). Hierin uitte hij felle kritiek op de programmering van DNO. Ongeveer een jaar eerder was hij al een online petitie gestart om de Nationale Opera te vragen haar programma te wijzigen. Na het verschijnen van dit opiniestuk informeert DNO Keegel dat hij geen vrijkaarten meer krijgt en dat hij ook niet meer uitgenodigd wordt voor de persontvangsten voor de voorstelling en de borrels na afloop. Volgens DNO kan Keegel niet meer als journalist worden beschouwd, omdat hij met zijn kritiek in het opiniestuk en zijn activistische houding de grens van het journalistieke aanvaardbare heeft overschreden. Keegel vindt dat hij wel vrijkaarten en uitnodigingen voor de persbijeenkomsten moet krijgen, omdat het niet verstrekken hiervan neerkomt op censuur en een schending van zijn vrijheid van meningsuiting. Hij start een kort geding tegen DNO.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen beperking van de uitingsvrijheid heeft plaatsgevonden. Het niet verstrekken van vrijkaarten is namelijk iets anders dan iemand weren van de voorstellingen. DNO heeft geen voorwaarden gesteld aan de toelating van Keegel, behalve dat hij zelf een kaartje moet kopen. Hij kan dus alsnog de voorstellingen bijwonen. Het feit dat hij kosten moet maken, betekent niet dat zijn vrijheid van meningsuiting is beperkt. Hij heeft zelf de keuze of hij de inhoud van zijn artikelen afstemt op zijn wens om vrijkaarten te blijven ontvangen. Ook is niet aangetoond dat DNO probeert de berichtgeving over haar voorstellingen te sturen door het verstrekken van vrijkaarten, omdat zij deze kaarten een lange tijd wel heeft verstrekt, ook nadat Keegel een petitie was gestart om het programma te wijzigen en kritiek had geuit. Daarnaast is het normaal dat DNO niet alle journalisten vrijkaarten geeft, omdat de vraag groter is dan het aanbod.

De rechter vindt verder dat de persontvangsten en borrels vanuit journalistiek oogpunt beperkt van belang zijn, omdat tijdens deze bijeenkomsten geen informatie wordt verstrekt die niet via andere kanalen te verkrijgen is, zoals de afdeling Voorlichting. De beslissing om Keegel niet langer uit te nodigen voor de persbijeenkomsten en de borrels levert daarom ook geen belemmering van de persvrijheid op.

De rechter wijst de vorderingen van Keegel dus af.

In Het Parool, de krant waarin het opiniestuk stond, verscheen een column van de hand van Erik Voermans, met als titel ‘Geef Keegel toch die vrijkaartjes!‘. Hij verwijt DNO kleinzerigheid: “Dat hele kort geding had bovendien nooit hoeven plaatsvinden als De Nationale Opera zich soeverein had opgesteld, Keegel z’n vrijkaartjes was blijven geven en hem met alle egards was blijven ontvangen, met bloemen desnoods, om hem te bedanken voor alweer zo’n grappig, onbedaarlijk kritisch stukje“.

ECrtHR in Stomakhin v. Russia: no overbroad suppression of extremist opinions and β€˜hate speech’

Door Redactie

* Guest post By Dirk Voorhoof, Human Rights Centre, Ghent University and Legal Human Academy

In its recent judgment in Stomakhin v. Russia, the European Court of Human Rights (ECtHR) launched the message to all domestic authorities to adopt a “cautious approach” in determining the scope of “hate speech” crimes and to avoid “excessive interference” with the right to freedom of expression, especially when action is taken against ‘hate speech’ or extremist opinions that are mere criticism of the government, state institutions and their policies and practices. The judgment of 9 May 2018, in which the ECtHR unanimously found a violation of Article 10 ECHR, sets an important standard: as judge Keller observed in her concurring opinion, “it is the first time that this Court has had to decide on a case which stems from the application of the Suppression of Extremist Activities Act (..), and will thus be the starting point of a body of case-law which will serve as a reference not only in future cases concerning Russia, but for all other Member States as well.”

Conviction for extremist speech and incitement to hatred

Acting both as a journalist working for a magazine, and as an activist being the founder, owner, publisher and editor-in-chief of a monthly newsletter Radikalnaya Politika (“Radical Politics”), Boris Vladimirovich Stomakhin published in 2003 a series of articles touching on the events in the Chechen Republic. The articles sharply criticized the Russian government and the actions by the army and expressed support for the Chechen rebel separatist movement. The Russian courts found Stomakhin guilty of “having publicly appealed to extremist activities through the mass media” (Article 280 § 2 of the Russian Criminal Code (CC)) and of having committed “actions aimed at inciting hatred and enmity as well as at humiliating the dignity of an individual or group of individuals on the grounds of ethnicity, origin, attitude towards religion and membership of a social group, through the mass media” (Article 282 § 1 CC). They found that the impugned texts had had a clear extremist leaning and incited actions prohibited by the Federal law on Suppression of Extremist Activities. Stomakhin was sentenced to five years in prison and given a three-year ban on practising journalism. He served the sentence in full and was released in March 2011.

In 2007, while in prison, Stomakhin lodged an application with the ECtHR, complaining mainly about a violation of his right to freedom of expression. He argued that he had simply expressed his opinion on political events in Russia, in particular the conflict in Chechnya and he denied supporting extremism. The ECtHR considers that in the period when Stomakhin was tried and convicted, matters relating to the conflict in the Chechen Republic were of a very sensitive nature and required particular vigilance on the part of the authorities. It accepts, accordingly, that Stomakhin’s conviction can be seen as having pursued the aims of protecting the rights of others as well as protecting national security, territorial integrity and public safety and preventing disorder and crime, while the interference with his right to freedom of expression was “prescribed by law”, as it was based on Articles 280 § 2 and 282 § 1 of the Russian Criminal Code. Hence, the decisive question was whether Stomakhin’s conviction was justified, being “necessary in a democratic society”.

The ECtHR first reiterates that there is little scope under Article 10 § 2 ECHR for restrictions on political speech or on debate on questions of public interest and that “the limits of permissible criticism are wider with regard to the government than in relation to a private citizen or even a politician. In a democratic system the actions or omissions of the government must be subject to the close scrutiny not only of the legislative and judicial authorities but also of public opinion. Moreover, the dominant position which the government occupies makes it necessary for it to display restraint in resorting to criminal proceedings, particularly where other means are available for replying to the unjustified attacks and criticisms of its adversaries”. However, as “tolerance and respect for the equal dignity of all human beings constitute the foundations of a democratic, pluralistic society”, it may be considered necessary in democratic societies to sanction or even prevent all forms of expression which spread, incite, promote or justify violence, hatred or intolerance provided that restrictions or penalties imposed are proportionate to the legitimate aim pursued. In its assessment of the interference with freedom of expression in cases concerning expressions alleged to stir up or justify violence, hatred or intolerance, the ECtHR refers to a set of factors, as applied in its Grand Chamber judgment in Perinçek v. Switzerland (see also our blog post here). Therefore, the ECtHR examines the case with a particular regard to the context in which the impugned statements were published, their nature and wording, their potential to lead to harmful consequences and the reasons adduced by the Russian courts to justify the interference in question.

The context and the wording of the texts

Referring to “the difficult situation prevailing in the Chechen Republic at the time, where separatist tendencies in the region led to serious disturbances between Russia’s federal armed and security forces and the Chechen rebel fighters and resulted in a heavy loss of life in that region as well as in deadly terrorist attacks in other regions of Russia”, and the  particular caution on the part of the national authorities when taking action against “the publication of opinions which advocate recourse to violence against the State lest the media become a vehicle for the dissemination of hate speech and the promotion of violence”, the ECtHR emphasizes that “a fair balance should be struck between the individual’s fundamental right to freedom of expression and a democratic society’s legitimate right to protect itself against the activities of terrorist organisations”.

Turning to the wording of the texts in question, the ECtHR considers that the impugned statements can be divided into three groups and it examines each group separately. The first group of statements has justified terrorism, vilified Russian servicemen to the extent that they might have become targets for actual attack and had praised Chechen leaders in the context of approving of violence. Those statements have therefore gone beyond the limits of acceptable criticism and the ECtHR finds that the Russian courts’ treatment of them has been justified. The ECtHR also finds that some of Stomakhin’s criticisms of Orthodox believers and ethnic Russians has incited hatred and enmity and it confirms that the Russian courts’ considerations have been “relevant and sufficient” to justify a conviction.

The ECtHR is of the opinion however that the domestic courts have been too harsh in other aspects. In particular, some statements about the war have not gone beyond acceptable limits of criticism, which are wide when it comes to governments. According to the ECtHR these statements merely concerned “criticism of the State and the actions of the federal armed and security forces as a part of the machinery of the State”. The ECtHR finds that the domestic courts have also taken other comments on Russian servicemen out of context, or had failed even to refer to any particular texts which, according to them, had had discriminatory or humiliating connotations with regard the national dignity of people practising the Orthodox religion. The ECtHR emphasizes that it is in the nature of political speech to be controversial and often virulent and the fact that statements contain hard-hitting criticism of official policy and communicate a one-sided view of the origin of and responsibility for the situation addressed by them is insufficient, in itself, to justify an interference with freedom of expression. Although some of Stomakhin’s statements were admittedly quite virulent in their language and contain strongly worded statements, the ECtHR discerns no elements in them other than a criticism of the Russian government and their actions during the armed conflict in the Chechen Republic. Other statements were published during an electoral campaign, a period “where it was particularly important that opinions and information of all kinds were permitted to circulate freely”. Therefore the ECtHR concludes that for some statements the need for the restriction was not convincingly demonstrated.

The impact of the texts and the proportionality of the sanction

While the ECtHR leaves open the question whether a ban on the exercise of journalistic activities, as such, is compatible with Article 10 ECHR, it finds that the sanction to five years imprisonment is not proportionate. The ECtHR observes that Stomakhin had no criminal record and thus had never been convicted of any similar offence. It also finds the circulation of the newsletter at issue was insignificant, and that the potential impact of the impugned statements was very limited. The ECtHR finds the punishment to five years imprisonment “an extremely harsh measure”, particularly bearing in mind the Russian authorities’ failure to demonstrate convincingly “the pressing social need” to interfere with Stomakhin’s freedom of expression in respect of a number of the impugned statements. The ECtHR finds that the interference in question was not “necessary in a democratic society”, and that therefore there has been a violation of Article 10 ECHR.

Comments

 The judgment in Stomakhin v. Russia confirms the importance of the strict scrutiny by the ECtHR of the findings and interpretations by domestic courts in cases of interferences with the right to freedom of (political) expression amounting to criticism of the government, the army, the police or other public or powerful institutions and their policy. It also shows the need to make a distinction between articles, programmes or comments that incite to terrorism, violence, racism, discrimination or hatred on the one hand, and comments criticising merely the policy of the government, on the other hand. In the past the ECtHR has not always succeeded to clarify this distinction and it has accepted sometimes in too broad and general terms interferences by national authorities with the right to freedom of political speech. In the case of Féret v. Belgium e.g. the ECtHR failed to make a distinction between the statements of the applicant that effectively were to be considered as incitement to racism, discrimination and xenophobia, and the statements that were a (populist) right-wing criticism of the migration and integration policy of the Belgian Government at the time. The judgment in Féret v. Belgium also showed a lack of attention for the aspect of the disproportionate character of the punishment and the chilling effect that may occur in case of overbroad application of criminal law with regard political and polemic speech (read more here).

The most important message of the judgment in Stomakhin v. Russia is the European Court’s general formulated warning to all member states “that it is vitally important that the domestic authorities adopt a cautious approach in determining the scope of “hate speech” crimes and strictly construe the relevant legal provisions in order to avoid excessive interference under the guise of action taken against “hate speech”, where such charges are brought for a mere criticism of the Government, State institutions and their policies and practices” (§ 117). Some member states indeed have over-reacted in their fight against terrorism, extremism or radicalism, by imposing a long period of ‘state of emergency’ with far-reaching limitations on the right to freedom of expression. In its judgments of 20 March 2018 in the cases of Mehmet Hasan Altan v. Turkey and Şahin Alpay v. Turkey, the ECtHR emphasised that the existence of a “public emergency threatening the life of the nation” must not serve as a pretext for limiting freedom of political debate, which is at the very core of the concept of a democratic society. Even in a state of emergency the Contracting States must bear in mind that any measures taken should seek to protect the democratic order from the threats to it, and every effort must be made to safeguard the values of a democratic society, such as pluralism, tolerance and broadmindedness. The ECtHR was of the opinion that the interferences complained of with the applicant journalists’ rights would inevitably have a chilling effect on freedom of expression by intimidating civil society and silencing dissenting voices in Turkey (see blog post on Strasbourg Observers).

Also other countries have recently promulgated overbroad new legislation restricting the freedom of (political) expression. In its judgment 31/2018 of 15 March 2018 the Belgium’s Constitutional Court annulled a government amendment to an anti-terrorism provision in Article 140bis of the Belgian Criminal Code. The amendment broadened the scope of incrimination of public incitement to commit a terrorist attack, by removing one of the essential components of determining criminality: the case-by-case assessment of the “risk” of offenses being committed. The amendment aimed to making speeches on the topic of terrorism in itself an incitement to commit a terrorist attack, even when there exists no risk of an attack being committed. In its ruling, the Constitutional Court observed that the need to simplify the production of evidence could not justify the fact that a person could be sentenced up to 10 years’ imprisonment for incitement to terrorism if there are no serious indications that a terrorist crime would in fact be committed. The Court considered the new provision in breach with the right to freedom of expression as guaranteed by Article 19 of the Belgian Constitution, in combination with Article 19 ICCPR and Article 10 ECHR.

The ECtHR accepts criminal sanctions for glorification of terrorist acts, but only insofar as there is a risk that such terrorist attacks will be committed, due to the public incitement at issue. In Leroy v. France the ECtHR referred to the circumstances that a cartoon, glorifying the 9/11 attack on the WTC in New York, was published two days after the attacks, at a time when the entire world was still in a state of shock at the news. According to the ECtHR the impact of such a message in a politically sensitive region (the Basque region), was not to be overlooked. It also considered that the publication of the drawing had provoked a reaction that could have stirred up violence and may well have affected public order in the region. In its recent decision in Roj TV A/S v. Denmark the ECTHR held that news coverage by Roj TV, with repetitive incitement to participate in fights and actions, incitement to join the organisation/the guerrilla and the portrayal of deceased guerrilla members as heroes, amounted to propaganda for the PKK as a terrorist organisation, and that it could not be considered only a declaration of sympathy. The ECtHR refers to the findings by the High Court of Eastern Denmark, arguing explicitly that the programmes of Roj TV were to be considered as “the promotion of the PKK´s terror operation”. The decision contrasts with the judgment in Stomahkin v. Russia, because in the case of Roj TV v. Denmark the ECtHR “considers that the domestic courts carefully assessed the evidence before them and conducted a balancing exercise, which took the applicant company’s right to freedom of expression into account. The Court has not found any elements indicating that the domestic courts did not base their findings on an acceptable assessment of the relevant facts”.

Application of Article 17 ECHR (abuse clause) in cases of ‘hate speech’?

In Roj TV A/S v. Denmark the ECtHR went however one step further, by concluding that the applicant TV station has been attempting to deflect Article 10 ECHR from its real purpose by employing the right to freedom of expression for ends which are clearly contrary to the values of the Convention. Because the impugned TV-programmes of Roj TV promoted the PKK as a terrorist organization, the ECtHR found that, by reason of Article 17 ECHR, Roj TV could no benefit from the protection afforded by Article 10 ECHR. It is doubtful however whether the application of Article 17 ECHR is a pertinent approach. We have argued before that the abuse clause’s application is undesirable, since it tends “to set aside substantial principles and safeguards that are characteristic of the European speech-protective framework” (read more here and here). The judgment in the case of Stomakhin v. Russia persuasively demonstrates how important it is to situate expressions of ‘hate speech’ in their political context, to scrutinize strictly the findings by the domestic courts, especially when action is taken against ‘hate speech’ or extremist opinions and to keep on applying the proportionality-test of Article 10 § 2 ECHR. The message of the ECtHR to adopt a “cautious approach” in cases of ‘hate speech’ or extremist opinions that are critical for the government’s policy and actions by the army or the police, is therefore very topical and crucially important in order to uphold the European standards on freedom of political expression and participation in public debate as a core value in a democratic society.

This post was previously published on Strasbourg Observers.

*Dirk Voorhoof, Human Rights Centre Ghent University (Belgium),  Legal Human Academy and member the European Centre for Press and Media Freedom (ECPMF, Germany)

Regulering β€˜video-sharing platform services’ een stap dichterbij: tekst AVMSD staat vast

Door Emiel Jurjens

De afgelopen jaren is er binnen de instituten van de EU hard gewerkt aan een revisie van de ‘Audiovisual Media Services Directive’ (AVMSD), de wetgeving die ziet op de regulering van audiovisuele media. De meest geruchtmakende ontwikkeling die er aan zit te komen is dat regulering zich ook zal gaan uitstrekken tot ‘video-sharing platform services’ (professor Lorna Woods noemde dit al een ‘startling’ ontwikkeling). De onderhandelingen over de inhoud van de nieuwe AVMSD leidden tot veel controverse en duurden daarom lang. Echter: vorige week is overeenstemming bereikt over de definitieve tekst van de Directive, inclusief een aangepaste definitie van het begrip ‘video-sharing platform services’ (zie hieronder). De redactie heeft begrepen dat de Europese wetgever er op mikt om de aangepaste AVMSD de herfst van dit jaar aan te nemen. Er is verder overeengekomen dat de lidstaten een implementatietermijn van 21 maanden gegund zal worden. De nieuwe regels zullen dus waarschijnlijk ergens tussen juli-oktober 2020 in Nederland geïmplementeerd moeten zijn. Hier is de laatste versie van 4 juni jl. van de definitie van het nieuwe begrip ‘video-sharing platform service’ (artikel 1(aa) AVMSD (nieuw)): 

‘video-sharing platform service’ means a service as defined by Article 56 and 57 of the Treaty on the Functioning of the European Union where the principal purpose of the service or of a dissociable section thereof or an essential functionality of the service is devoted to providing programmes, user-generated videos, or both, to the general public, for which the video-sharing platform provider does not have editorial responsibility, in order to inform, entertain or educate, by means of an electronic communications network within the meaning of point (a) of Article 2 of Directive 2002/21/EC and the organisation of which is determined by the video-sharing platform provider, including by automatic means or algorithms in particular by displaying, tagging and sequencing“.

De regels die van toepassing zullen zijn op deze video-sharing platform services staan met name in artikel 28a AVMSD (nieuw). Media Report zal daar binnenkort in meer detail aandacht aan besteden.

Nieuwe Revu mag namen noemen in publicatie over misstanden bij castingbureau

Door Emiel Jurjens

De Nieuwe Revu berichtte vorig jaar over misstanden bij een Nederlands castingbureau (onder de kop “de Nederlandse Harvey Weinstein“). Dit maakte veel los: uiteindelijk bleek het artikel te gaan over het castingbureau Kemna Casting en haar baas Job Gosschalk. Een half jaar later, begin april 2018, wil Nieuwe Revu berichten over de actuele stand van zaken bij het castingbureau. Een journalist van het blad vraagt om wederhoor bij Kemna en stuurt uiteindelijk een dag voor publicatie een concept artikel aan Kemna, waarin ook twee andere met naam genoemde castingdirectors van het bureau worden beschuldigd van ‘onoorbare praktijken’. Kemna start na publicatie van het artikel in print en online een kort geding met als inzet een verbod om deze beschuldigingen te doen en de online artikelen zo aan te passen dat niets meer te herleiden is naar de twee castingdirectors. De voorzieningenrechter oordeelt dat Nieuwe Revu niet onrechtmatig heeft gehandeld en wijst de vorderingen af.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat het met naam en toenaam berichten over personen die van seksueel grensoverschrijdend gedrag worden beschuldigd toegestaan kan zijn:

Een van de omstandigheden die in die belangenafweging meeweegt, is de mate waarin de inhoud van de publicatie steun vindt in het beschikbare feitenmateriaal. In dit kader hoeft van Nieuwe Revu niet te worden verwacht dat de juistheid van de publicatie onomstotelijk vast is komen te staan. Wel mag van haar worden verwacht, zeker bij een onderwerp over ‘machtsmisbruik’ en ‘seksueel grensoverschrijdend gedrag’, dat zij voldoende zorgvuldig journalistiek onderzoek verricht. Onderdeel hiervan is een correcte toepassing van het beginsel van hoor en wederhoor. Tevens is van belang of er een noodzaak is tot het noemen van de namen, gekoppeld aan de vraag of het daarmee nagestreefde doel ook langs andere weg had kunnen worden bereikt.”

De voorzieningenrechter loopt elk van deze omstandigheden af en oordeelt allereerst dat de inhoud van de publicatie voldoende steun in de feiten vindt. Daarbij stelt de voorzieningenrechter vast dat een belangrijke melding in de publicatie is dat “de gedragingen van [naam 6] niet op zich staan, maar onderdeel uitmaken van een bedrijfscultuur waarbij misbruik wordt gemaakt van de afhankelijke positie die (beginnende) acteurs hebben ten opzichte van [eiseres] die bepaalt wie welke rollen toebedeeld krijgt“.

De voorzieningenrechter oordeelt daarop dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat uit gedegen journalistiek onderzoek is gebleken dat de onoirbare gedragingen zich niet tot Gosschalk beperken, maar dat ook tot de twee met naam vermelde casting directors in dit verband genoemd worden. Het gebruik van anonieme bronnen wordt toelaatbaar geacht gezien de precaire positie waarin deze bronnen zich bevinden en het recht op brongeheim waar Nieuwe Revu zich op beroept. Een belangrijke rol speelt verder dat de uitlatingen over de twee castingdirectors in genuanceerde termen zijn opgeschreven.

Het hoor en wederhoor acht de voorzieningenrechter ook ruim voldoende. Daarbij wordt de reactie van Kemna Casting op het verzoek tot het geven van wederhoor meegewogen – er is geen inhoudelijke reactie gekomen, slechts een sommatie. De inhoud van deze sommatie is door Nieuwe Revu bovendien in een apart kader opgenomen in het artikel.

In het licht van deze omstandigheden oordeelt de voorzieningenrechter als volgt over het vermelden van de namen van de twee castingdirectors:

De vraag is dan nog of de noodzaak bestaat om [naam 7] en [naam 8] met naam en toenaam in de publicatie te noemen of dat het nagestreefde doel ook langs andere weg had kunnen worden bereikt. In dit verband is van belang dat [naam 7] en [naam 8] , net als [naam 6] , als castingdirectors sleutelfiguren zijn/waren binnen [eiseres] . Nu er aanwijzingen bestaan dat ook zij een -al is het een beperktere- rol hebben gespeeld in de angstcultuur binnen [eiseres] waarover in de publicatie wordt geschreven, moeten zij, in de context van het gehele artikel, bij naam kunnen worden genoemd. Nu het doel van de publicatie is het aan de kaak stellen van de misstanden bij [eiseres] , waarvan aannemelijk is geworden dat die niet zijn beperkt tot de gedragingen van [naam 6] , kan dit doel niet ook langs andere weg worden bereikt.

Het artikel is dus niet onrechtmatig, de vorderingen worden afgewezen en het artikel is via Blendle te lezen. Lees ook de verslaggeving van Nieuwe Revu zelf over dit kort geding, waarin journalist Frank Waals de volgende reactie op het vonnis geeft:

Deze uitspraak is niet alleen een overwinning voor Nieuwe Revu en mijzelf, maar voor de hele journalistiek. Het bewijst dat, wanneer de zaak een groter doel dient of een complete beroepsgroep aangaat, namen van betrokkenen wel degelijk genoemd mogen worden. Temeer wanneer dit via verschillende onderbouwingen aannemelijk dan wel bewijsbaar kan worden gemaakt en de ernst en grootte van het probleem ermee kan worden aangetoond.

Tip: e-book over EHRM rechtspraak vrijheid van meningsuiting

Door Jens van den Brink

Tarlach McGonagle van het Amsterdamse IVIR en Dirk Voorhoof, hoogleraar aan de Universiteit van Gent, schreven het gratis ebook “Freedom of Expression, the Media and Journalists: Case-law of the European Court of Human Rights“. Hier in te zien. Mooi overzicht van recente EHRM rechtspraak over media en vrijheid van meningsuiting.

Recent experience shows EU measures against fake news are problematic

Door Emiel Jurjens

The EU is stepping up its fight against fake news. It recently published a new policy document (the ‘Communication on Tackling online disinformation’ of 26 April 2018) proposing several measures against fake news.

But the EU is already actively pursuing an anti-fake news campaign, specifically directed at Kremlin disinformation. It started a website called ‘EU vs Disinfo’, where it selects articles the EU qualifies as fake news and ‘pro-Kremlin disinformation’. It is a type of naming and shaming strategy, where the EU links to the media which in its eyes are ‘disinforming outlets’. On EU vs Disinfo, the EU accused three Dutch media of spreading fake news. However, these accusations were all false, and the EU had to rectify its accusations. These media were accused of ‘giving no supporting facts’, ‘repeating disinformation’ and ‘uncritical reporting’. Already at first glance, these accusations turned out to be nonsensical. The article which allegedly gave ‘no supporting facts’ in fact contained a plethora of links to authoritative sources to back up its assertions. Another article was merely a report of a political discussion in which several people were cited who criticized Ukraine. However, the EU claimed this was fake news as the article was allegedly ‘aimed only at worsening the image of Ukraine’.

None of the articles were actually fake news. The common problem with all articles for the EU appeared simply to be that they all contained some form of legitimate criticism of Ukraine.

The Dutch media therefore summoned the EU to cease publication of the false accusations and rectify them, threatening litigation. The EU then partly removed the accusations towards two of the media, but it refused to publish a rectification and maintained the accusations were correct in the third case.The Dutch media therefore commenced court proceedings against the EU in which these and other issues were raised (the writ of summons in the court case can be read here).

It was only after the Dutch media commenced court proceedings against the EU, and just a few days before the court hearing in the case, that the EU fully admitted all its accusations were wrong, removed them from the internet and placed a prominent rectification on the EU vs Disinfo website. The EU was criticized heavily for its false accusations and Dutch Parliament passed a motion to abolish EU vs Disinfo entirely: the minister of Internal Affairs is tasked with carrying out this motion.

In the recently published Communication the EU is now nonetheless proposing to build on its discredited EU vs Disinfo campaign in its fight against fake news. It proposes that the EU’s ‘strategic communications’, of which EU vs Disinfo is part and parcel, should be ‘strengthened’ and ‘developed’.

Even after the abovementioned court case the EU still appears not to see that these measures will be seriously problematic in light of the freedom of speech. They will have a chilling effect on the dissemination of viewpoints that are not to the liking of the EU. And perhaps most importantly, the EU is trying to be the arbiter of truth, which is unacceptable in a democratic society.

In its legal defense in the Netherlands, the EU did not address this point and in the Communication the freedom of speech is not even mentioned as a concern in relation to EU vs Disinfo and strategic communications. This is worrying, especially as it is the EU itself which has codified the fundamental right of freedom of speech and information and should defend this fundamental right.

To illustrate how serious the problem is, one could for example take a look at one particular publication which was flagged as ‘fake news’ by the EU. In 2016 the American politician Ron Paul wrote an opinion piece to the effect that the fight against fake news is a war against free speech, and can lead to censorship. This publication draws the ire of the EU, which promptly labeled the opinion itself as ‘fake news’ – so Paul’s opinion is incorrect according to the EU.

So: according to the EU stating that the fight against fake news can be problematic in light of the freedom of speech is ‘fake news’ and qualifies as ‘spreading of disinformation’. The irony of these accusations seems to be completely lost on the EU.

So why does the EU flag these harmless opinions and critical reports on Ukraine as fake news? Well, they’re pretty honest. The aim of the EU vs Disinfo campaign isn’t really combating the spreading of disinformation. It’s an instrument to realize the EU’s common foreign and security policy aims in the so-called ‘Eastern European Neighborhood’ (the non-EU countries east of the EU).

In the action plan underlying the campaign the EU notes: “Strategic communication is an important tool in furthering the EU’s overall policy objectives”, and also states that a fundamental tenet of the EU vs Disinfo campaign is to spread “positive and effective messages regarding EU policies towards the region”.

The aim of the EU’s anti-fake news campaign is therefore not combating the spread of incorrect information. The aim is to spread pro-EU ‘strategic communications’ (also known as propaganda). That means the EU vs Disinfo campaign is, like any propaganda campaign, primarily directed at serving the EU’s interests.

So the aim of the EU’s anti-fake news campaign isn’t really to fight fake news. The EU seems to make use of the fear for fake news to spread pro-EU ‘strategic communications’. In other words: propaganda. The EU’s initiatives in fighting fake news should therefore be regarded with a healthy dose of skepticism.

The authors of this article (Jens van den Brink and Emiel Jurjens) are both attorneys-at-law at Kennedy Van der Laan in Amsterdam, and have acted on behalf of the Dutch media in the court case against the EU discussed in this article.

Beroep journaliste De Stentor op verschoningsrecht toegewezen

Door Lotte Oranje

Een interessante uitspraak op het gebied van bronbescherming voor journalisten. Door een beroep op deze bronbescherming heeft een journaliste van de regiokrant Stentor zich met succes beroepen op haar verschoningsrecht tijdens een voorlopig getuigenverhoor voor de Rechtbank Overijssel.

De journaliste had een artikel geschreven over het ontslag van een leraar waarbij ook de school waar de leraar werkte aan het woord kwam. De leraar stelde deze publiciteit niet op prijs en wilde een procedure starten tegen zijn werkgever. Ter voorbereiding op deze procedure werd er een voorlopig getuigenverhoor gehouden, waarbij de journaliste werd gehoord. Toen zij tijdens het verhoor de vraag kreeg hoe ze aan de informatie kwam over het ontslag antwoordde zij: “Ik ben journalist bij de Stentor. Er is informatie bij de krant terechtgekomen over dit onderwerp. Op de vraag hoe deze informatie bij de krant is terechtgekomen, antwoord ik dat ik mij beroep op bronbescherming. De bron in kwestie heeft mij daarom verzocht”. De leraar stelt dat de journaliste geen verschoningsrecht toekomt, omdat hijzelf belang heeft bij de bekendmaking van de bron indien hij de school aansprakelijk wil stellen.

Met verwijzing naar de Telegraaf Media c.s./Nederland-zaak (MR 2012-13383) geeft de rechter-commissaris het algemene kader van het recht van bronbescherming van journalisten weer. Volgens vaste rechtspraak van het EHRM vloeit dit recht rechtstreeks voort uit artikel 10 EVRM en is het recht van bronbescherming één van de hoekstenen van de persvrijheid. Zonder dit recht wordt de rol van de pers als ‘publieke waakhond’ ondergraven, doordat potentiële bronnen afgeschrikt kunnen worden om de pers te informeren over zaken van algemeen belang. Bronbescherming vormt in beginsel dus voldoende grond voor een geslaagd beroep op het verschoningsrecht. Een inbreuk op de vertrouwelijkheid van journalistieke bronnen kan alleen gerechtvaardigd worden door een zwaarwegend maatschappelijk belang. Bovendien moet de inbreuk proportioneel zijn en kan er geen andere weg openstaan om een vergelijkbaar resultaat te bereiken.

Vervolgens geeft de rechter-commissaris de vereisten voor bronbescherming. Allereerst moet worden vaststellen of journaliste van de Stentor daadwerkelijk kan worden aangemerkt als journalist. Volgens het EHRM is een journalist iemand die zich beroepsmatig bezighoudt met het verzamelen, verspreiden en publiceren van informatie ten behoeve van het publieke debat. Daarnaast moet worden vastgesteld of de ‘informant’ als beschermde bron in de zin van artikel 10 EVRM kan worden aangemerkt. Alleen ‘personen die uit vrije wil en doelbewust informatie aan de pers verstrekken met het oogmerk om het publiek te informeren over zaken die betrekking hebben op het algemeen belang of het belang van anderen’ zijn aan te merken als een beschermde bron.

Bij de toepassing van het hierboven weergegeven kader overweegt de rechter-commissaris allereerst dat de medewerker bij de Stentor moet worden aangemerkt als journalist in de zin van artikel 10 EVRM, ‘aangezien zij zich beroepsmatig – voor de krant De Stentor – bezighoudt met het verzamelen, verspreiden en publiceren van informatie ten behoeve van het publieke debat.’ Ook de informant wordt door de rechter gekwalificeerd als beschermde bron, omdat deze persoon ‘immers op eigen initiatief’ De Stentor heeft benaderd. Interessant is verder nog dat de rechter-commissaris benadrukt dat het niet relevant is of de bron in kwestie verzoekt om geheimhouding van zijn/haar identiteit, zoals in deze zaak gebeurd is. Voor een beroep op bronbescherming maakt dit niks uit.

Uiteindelijk oordeelt de rechter-commissaris dat het gestelde belang van de leraar om zijn standpunt te kunnen onderbouwen in een eventuele procedure slechts individueel van aard is en daarom niet aangemerkt kan worden als zwaarwegend maatschappelijk belang waarvoor het recht op de bronbescherming van de journalist zou moeten wijken. De rechter-commissaris concludeert dan ook dat het belang van de leraar een inbreuk op het verschoningsrecht van de journaliste niet rechtvaardigt. De journaliste heeft op goede grond geweigerd antwoord te geven op de vraag.

Het onderwerp bronbescherming wordt regelmatig behandeld op Media Report. Vorig jaar werd de Becker-zaak van het EHRM, inzake bronbescherming wanneer de bron al bekend is, besproken [MR 2017-039]. Hier vindt u een overzicht met de relevante jurisprudentie van het EHRM tot augustus 2016 [MR 2016-027].

EHRM in tweede Guja-arrest: wederom schending rechten klokkenluider

Door Emiel Jurjens

Klokkenluiders kunnen bescherming ontlenen aan de vrijheid van meningsuiting (artikel 10 EVRM). Het standaard-arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) hierover is het Guja-arrest uit 2008. Deze zaak draaide om Iacob Guja, een ambtenaar in Moldavië die twee opzienbarende brieven had gelekt naar de media waaruit bleek dat vanuit de regering druk was uitgeoefend op het OM om strafzaken stop te zetten. Guja werd daarop ontslagen, wat naar het oordeel van het EHRM een schending van artikel 10 EVRM opleverde. Guja werd vervolgens weer in dienst genomen, maar kort daarop wéér ontslagen. Hij wendde zich wederom tot het EHRM, dat ook nu weer oordeelt dat zijn rechten onder artikel 10 EVRM zijn geschonden.

Het EHRM beoordeelt de nieuwe feiten vanuit het toetsingskader dat in het eerste Guja-arrest is vastgesteld (zie Bescherming van klokkenluiders onder artikel 10 EVRM, p. 10-14).

Het Hof ziet als centrale vraag in deze zaak of het tweede ontslag van Guja ook het gevolg was van zijn eerdere klokkenluiden. Als deze vraag met ‘ja’ beantwoord kan worden bestaat er een nieuwe inmenging in de rechten van Guja onder artikel 10 EVRM.

Een belangrijk vraagstuk dat in dit soort zaken telkens speelt is op wie de bewijslast rust van het geven van een antwoord op de vraag of maatregelen tegen de klokkenluider het gevolg zijn van het klokkenluiden.

Uit de omstandigheden van deze zaak is vrij duidelijk dat dit hier aan de orde is. Zo bleek uit de feiten dat op dezelfde dag dat Guja weer terugkeerde in zijn werk, zijn baas (de Procureur-Generaal) voorbereidingen begon te treffen om hem te ontslaan. Het EHRM acht dit een (op zijn zachtst gezegd) ongebruikelijke handelwijze. Ook is Guja in de twee weken tussen zijn terugkeer op werk en zijn ontslag stevig tegengewerkt door zijn werkgever (zo kreeg hij kennelijk zelfs geen toegangspasje tot zijn kantoorgebouw).

Het EHRM oordeelt dan ook:

the Court considers that there are sufficiently strong grounds for drawing an inference that the applicant’s second dismissal from his employment was not related to an ordinary labour dispute, but had all the characteristics of another act of retaliation for his disclosing the letters in 2003. The manner in which the events unfolded and their timing could make an independent observer reasonably conclude that the applicant’s second dismissal was not unrelated with the events of 2003

Daaruit lijkt te volgen dat de lat voor het aannemen van causaliteit tussen maatregelen tegen een klokkenluider en het klokkenluiden vrij laag ligt (het is voldoende als de feiten ‘could make an independent observer reasonably conclude’ dat dit het geval is).

Er is dus sprake van een inmenging in de rechten van Guja onder artikel 10 EVRM, en deze voldoet naar oordeel van het EHRM niet aan de eisen die artikel 10 lid 2 EVRM daar aan stelt. Daarbij is cruciaal dat de nationale rechter in het geheel niet aan artikel 10 EVRM heeft getoetst, terwijl dit wel door Guja is aangevoerd in de nationale procedure.

Voor de tweede keer zijn dus de rechten van Guja onder artikel 10 EVRM geschonden. Dat is voor hem goed nieuws: schrijnend is alleen wel dat hij in deze zaak al sinds 2003 bezig is om zijn gelijk te halen. In dat opzicht is zijn ervaring helaas nog steeds typisch voor klokkenluiders.

❌