[Contact]

Nieuwskop.nl Nieuwskoppen Nederland

πŸ”’
❌ Over FreshRSS
Er zijn nieuwe artikelen beschikbaar, klik om de pagina te vernieuwen.
OuderMedia Report

Hof Amsterdam stelt PowNed in het gelijk – uitzending verborgen camera beelden Onno Hoes was rechtmatig

Door Lotte Oranje

Vier jaar na de uitzending heeft het Hof Amsterdam geoordeeld dat PowNed rechtmatig handelde door met een verborgen camera beelden te maken van toenmalig burgemeester Onno Hoes van Maastricht, en deze uit te zenden in het PowNews. De rechtbank oordeelde eerder dat de opname wel, maar de uitzending niet mocht.

Het hof oordeelt ten eerste dat PowNed Hoes niet met een ‘lokhomo’ in de val heeft gelokt. Het was Hoes die zelf via Twitter (met zijn burgemeesters account ‘Burgemeester Hoes’) het initiatief nam om “een voor hem volslagen onbekende man” te benaderen. Vervolgens onderhield hij dat contact en nodigde hem uit voor een date in Hilversum (later gevolgd door een afspraak in Maastricht). Dit was, volgens het hof, voldoende aanleiding voor PowNed om nader journalistiek onderzoek te verrichten en de heimelijke opnamen te maken.

De geheime beelden die PowNed van de dates heeft gemaakt waren volgens het hof van “evident belang voor het publieke debat“. Hoes had eerder herhaaldelijk verklaard dat zijn privégedrag (de zoenfoto in de hotellobby, het Grindr profiel) gezien zijn functie ongepast was en zijn ambt schaadde. Hoes heeft volgens het hof daardoor zelf zijn privéleven, inclusief zijn seksuele ‘avonturen’, tot onderwerp van publieke aandacht en politieke beoordeling gemaakt. Daarnaast maakt Hoes in het eerste door PowNed uitgezonden fragment duidelijk dat hij het risico van zijn gedrag onderkent, maar dat hij dat risico toch moedwillig bleef opzoeken. Dat was in het bijzonder relevant omdat Hoes eerder was gechanteerd met compromitterende foto’s. Volgens het hof heeft Hoes door zijn gedrag niet alleen het risico genomen dat hij zijn reputatie als burgemeester of meer in het algemeen de waardigheid van het ambt van burgemeester zou schaden, maar maakte hij zich ook opnieuw kwetsbaar voor chantage. Het hof overweegt verder: “Ook maakt hij duidelijk dat hij probeert het risico op ontdekking te verminderen door, nadat hij kennelijk van de faciliteiten van de gemeente gebruik heeft gemaakt, berichten van zijn telefoon en daarmee van het systeem van de gemeente te verwijderen. [Hoes, red.] toont zich bewust van het risico van het aangaan van een seksueel getint contact met een voor hem alleen via sociale media bekende persoon.

Het tweede fragment was een gesprek van expliciet seksuele aard. Dat betekent weliswaar een indringender inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van Hoes, maar ook uitzending van dit fragment was rechtmatig omdat het eveneens bijdroeg aan het publieke debat. De incidenten die eerder tot onvrede bij de gemeenteraad hadden geleid hadden immers ook een seksuele lading. Het hof gaat niet mee in het betoog van Hoes dat hij zou zijn uitgelokt tot het doen van seksueel getinte uitspraken, en evenmin met zijn stelling dat PowNed de beelden misleidend zou hebben gemonteerd: “Een en ander betekent dat het uitzenden van het gesprek, waarmee het gespreksverloop op de meest transparante manier duidelijk werd gemaakt, aan het publieke debat over het gedrag van Hoes heeft bijgedragen.” (overweging 3.17).

Daarnaast speelt mee dat de opnamen zijn gemaakt in een restaurant en op een terras, in beginsel publiek toegankelijke ruimten. Hierdoor bestaat er meer ruimte voor het opnemen en uitzenden van beelden met een verborgen camera. Daarmee verwijst hof naar het EHRM arrest in Alpha t. Griekenland.

Het hof concludeert: “Bij het beantwoorden van de vraag of uitzending van de opnamen al dan niet onrechtmatig is, is leidend wat rechtens aanvaardbaar is en niet of de uitzending voldoet aan de vereisten van goede smaak.” Door zijn gedrag heeft Hoes “zijn privéleven, inclusief zijn seksuele ‘avonturen’, tot onderwerp van publieke aandacht en van politieke beoordeling [...] gemaakt.” Het hof is het ook niet eens met Hoes’ argument dat publieke personen voortaan vogelvrij zijn als deze uitzending van PowNed zou worden toegestaan. De rechter moet dit soort kwesties per geval beoordelen. Doorslaggevend is in dit geval dat beeld en geluid in voldoende mate relevant waren voor een eerder geopend publiek en politiek debat over de vrijheden van Hoes als burgemeester van Maastricht. Daarom prevaleert de vrijheid van meningsuiting van Powned en mochten de beelden worden uitgezonden (overwegingen 3.22 en 3.23).

Het hof wijst de vorderingen van Hoes geheel af en veroordeelt Hoes in de proceskosten.

PowNed werd in deze zaak bijgestaan door Jens van den Brink.

Kennedy Van der Laan ook in 2019 in rank 1 in Chambers en Legal 500 voor Media en Entertainment

Door secretariaat

De  belangrijkste jaarlijkse internationale rankings voor advocaten zijn weer verschenen; Chambers en Legal 500. Ook dit jaar krijgt het mediateam van Kennedy Van der Laan weer de hoogst mogelijke rankings in deze gidsen in de categorie Media en Entertainment Law. Ook onze Tech en Privacy teams zijn in beide gidsen weer in rank 1 ingedeeld.

Legal 500

De Legal 500 2019 plaatst het KVdL mediateam in tier one en zegt: Kennedy Van der Laan has a full spectrum of media knowledge‘ and a ‘clear understanding of ethical issues in media reporting and the EU regulations protecting press reporting’. Team head Jens Van den Brink is a smart negotiator and his strategic advice is outstanding. His team brings all aspects you might seek in a media desk. All are great to work with’. Emiel Jurjens is also well rated, especially on account of his track record of winning cases. Counsel Christien Wildeman acts for De Persgroep and is known for her defamation expertise. The team acted for NOS, RTL, and De Persgroep in proceedings before the European Court of Human Rights concerning access to state-held information on the MH17 plane crash.

Legal500 noemt Jens verder individueel als ‘Leading individual’ en Christien als ‘Next Generation Lawyer’.

Chambers

Chambers 2019 plaatst het mediateam in band 1 en zegt:

“The firm takes the lead when it comes to innovation, combining extensive knowledge about new technologies with legal knowledge about the risks and possibilities,” states one source.

Jens van den Brink acts for a diverse client roster consisting of publishing and social media companies. His prowess in defamation mandates is emphasised by commentators, one source calling him “the perfect lawyer for freedom of speech.” “He’s very quick in understanding the issues and gives practical advice,” states another interviewee.

Christien Wildeman  acts for broadcasters, newspapers and publishers in media disputes before Dutch and European courts. She has experience in cases that test the relationship between defamation, privacy and freedom of expression.

Chambers plaatst Christien en Jens individueel in respectievelijk band 2 en 1.

Dank aan al onze klanten voor hun input dat weer heeft geleid tot dit mooie resultaat!

EHRM in Hoiness: Noorse nieuwswebsite niet aansprakelijk voor anonieme posts op debatforum

Door Jens van den Brink

Het EHRM heeft op 19 maart 2019 arrest gewezen in de zaak Hoiness t. Noorwegen. Die zaak draaide om de vraag of een nieuwsforum aansprakelijk is en schadevergoeding zou moeten betalen voor drie anoniem geplaatste posts op een debatforum die door klaagster als diffamerend waren ervaren. Volgens het EHRM had de Noorse rechter binnen haar beoordelingsvrijheid gehandeld door te oordelen dat het nieuwsforum daar niet aansprakelijk voor was.

Mona Hoiness is een bekende Noorse advocate en voormalig talkshowhost, die lange tijd actief heeft deelgenomen aan het publieke debat. In 2011 zijn op het bekende Noorse nieuwsforum Hegnar Online drie seksueel getinte anonieme posts over Hoiness geplaatst over een erfkwestie waar Hoiness persoonlijk betrokken bij was.

Zij werd ervan beschuldigd een golddigger te zijn, en zich de nalatenschap van een rijke weduwe te hebben toegeëigend. Hoiness klaagde over onder meer de volgende commentaren op Hegnar Online:

  • poster claimed to “know someone who knows someone” who had been “lucky to have shagged” the applicant
  • If I were to s–– her, it would have to be blindfolded. The woman is dirt-ugly – looks like a wh––
  • whether [Høiness] was “still shagging” someone referred to by the nickname “trønderbjørn”’

Hoiness heeft het nieuwsforum van de posts op de hoogte gesteld via een meldknop bij de berichten. De eerste twee posts hadden ongeveer 10 dagen online gestaan en zijn enkele minuten na de melding verwijderd. Het derde bericht stond ongeveer drie dagen online tot het door een moderater op eigen initiatief werd verwijderd.

Hoiness heeft het nieuwsforum toch aansprakelijk gesteld voor de schade die zij zou hebben geleden. De nationale rechter heeft de vordering van Hoiness tot tweemaal toe afgewezen. In eerste instantie is geoordeeld dat de posts onder de gegeven omstandigheden onvoldoende ernstig waren om als diffamerend te kunnen worden aangemerkt. In hoger beroep oordeelt de rechter dat van schadevergoeding hoe dan ook geen sprake kon zijn. Op het nieuwsforum rustte geen verplichting om de posts vooraf te screenen en het nieuwsforum had voldoende, effectief gebleken maatregelen getroffen om de schadelijke gevolgen van onrechtmatige posts te beperken (o.a. een meldknop en de inzet van moderators). Hoiness is tot een proceskostenveroordeling veroordeeld van in totaal circa EUR 50.000,-.

Nadat het Noorse Hof van Cassatie, het verzoek om cassatie te mogen instellen had afgewezen, wendde Hoissen zich tot het EHRM, waar zij stelde dat de Noorse rechter geen juiste afweging heeft gemaakt tussen het recht op vrijheid van meningsuiting (artikel 10 EVRM) en haar recht op bescherming van haar privacy (artikel 8 EVRM).

Het Hof herhaalt, onder verwijzing naar eerdere uitspraken, dat een uiting pas een inbreuk kan maken op artikel 8 EVRM indien de uiting voldoende ernstig is en dat verder aan de nationale rechter bij de te maken belangenafweging tussen beide rechten een grote mate van beoordelingsvrijheid toekomt, mits zij bij haar beoordeling de door het Hof in de jurisprudentie vastgestelde criteria betrekt. In dit geval noemt het Hof met name de context waarin de berichten zijn geplaatst, de mogelijke alternatieve aansprakelijkheid van de auteurs van de posts, de maatregelen die het nieuwsforum heeft getroffen om onrechtmatige posts te bestrijden en de gevolgen van de nationale procedure voor het nieuwsforum. Daarbij verwijst het EHRM naar de eerdere arresten Delfi en MTE en Index.

Het EHRM vindt relevant dat “Hegnar Online was a large, commercially run news portal and that the debate forums were popular. It does not appear, however, from the judgments of the domestic courts that the debate forums were particularly integrated in the presentation of news and thus could be taken to be a continuation of the editorial articles.

Dat het gaat om een grote commerciële website maakt op zich dus niet dat de site daarom aansprakelijk wordt voor posts van derden; dat lijkt een nuancering van wat hierover is gezegd in het Delfi arrest.

Het Hof komt vervolgens tot de conclusie dat de Noorse rechter zich in zijn uitspraken van deze criteria voldoende rekenschap heeft gegeven, waarbij het met name gewicht lijkt toe te kennen aan de vaststelling van het Noorse hof dat het nieuwsforum effectieve maatregelen had getroffen om de schadelijke gevolgen van diffamerende berichten te beperken. Hoewel het EHRM erop wijst dat de moderators volgens de nationale rechter maar beperkt actief waren, en dat “they may not have discovered a great number of unlawful comments to remove of their own motion“. het Bij deze uitkomst bestaat voor het Hof geen aanleiding de uitkomst van de belangenafweging door de nationale rechter aan te tasten. Het Hof vindt ten slotte ook de omvang van de proceskostenveroordeling, mede gelet op de (financiële) slagkracht van Hoiness, niet excessief en laat deze in stand.

Na het Delfi arrest bestond de angst dat websites relatief snel aansprakelijk zouden kunnen worden gesteld voor posts van derden. Net als in MTE en Index, lijkt het EHRM hier weer de effecten van het eerdere te hebben ingeperkt.

Auteurs: Jens van den Brink en Michael Bacon

Afdeling: Wob van toepassing op sms- en WhatsApp-berichten

Door Anita van den Berg

In een eerder artikel maakte ik melding van de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 28 november 2017. Kort gezegd oordeelt de rechtbank daarin dat een sms- of WhatsApp-bericht onder het bereik van de Wob valt omdat het een ‘document’ is: “een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat” (artikel 1, onder a, van de Wob).

Tegen die uitspraak is hoger beroep ingesteld. Op 20 maart 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (‘Afdeling’) uitspraak gedaan. Er kan nu geen misverstand meer over bestaan: de Wob is ook van toepassing op zakelijke sms- en WhatsApp-berichten, ongeacht of die staan op een werktelefoon of op een privételefoon.

Stellingen in hoger beroep

Het hoger beroep is ingesteld door de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (‘minister’), aan wie het Wob-verzoek was gericht. Samengevat stelde de minister dat sms- en WhatsApp-berichten gezien moeten worden als alternatief voor telefoongesprekken en mondeling overleg in de wandelgangen. Dergelijke communicatie valt naar zijn aard niet onder de Wob, althans niet zolang daar geen gespreksnotitie van is gemaakt. Ook stelde de minister dat berichten op een telefoon van een ambtenaar niet ‘berusten bij’ de minister.

Ook de Wob-verzoeker in deze zaak heeft (incidenteel) hoger beroep ingesteld tegen de rechtbankuitspraak. De Wob-verzoeker was het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat berichten op privételefoons van ambtenaren niet onder de Wob vallen.

Oordeel van de Afdeling

De Afdeling is het met de rechtbank eens dat een sms- of WhatsApp-bericht een ‘document’ is in de zin van de Wob, namelijk ‘ander materiaal dat gegevens bevat’. Volgens de Afdeling zijn deze berichten niet de één op één vervanger van telefoongesprekken omdat bij sms- en WhatsApp-berichten onder meer andere documenten meegestuurd kunnen worden of daarin kunnen worden opgenomen. De stelling van de minister dat de aard van deze berichten over het algemeen informeel en vluchtig is, leidt niet tot een andere conclusie, omdat de aard van de berichten in dit kader niet relevant is.

Dan de vraag of de berichten ‘berusten bij’ het bestuursorgaan. De Afdeling deelt het oordeel van de rechtbank dat de techniek van opslaan niet bepalend is voor de vraag of de Wob wel of niet van toepassing is. Onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis vervolgt de Afdeling dat niet alleen de fysieke aanwezigheid van het gevraagde document relevant is voor de vraag of het berust bij het bestuursorgaan, maar ook of het bestemd is voor het bestuursorgaan als zodanig. Anders dan de rechtbank oordeelt de Afdeling dat het voor de toepasselijkheid van de Wob niet uitmaakt of het bericht staat op een werktelefoon of privételefoon, wanneer de inhoud van het bericht een bestuurlijke aangelegenheid betreft. Mijns inziens een logische uitkomst omdat anders de Wob eenvoudig te omzeilen zou zijn door gebruik te maken van een privételefoon. Zoals de Afdeling ook opmerkt, zou de toepasselijkheid van de Wob dan afhankelijk zijn van willekeur.

Gevolgen

Het moge duidelijk zijn dat deze uitspraak niet zonder gevolgen is voor bestuursorganen die uitvoering moeten geven aan de Wob. Het gebruik van sms- en WhatsApp voor het zakelijke berichtenverkeer is niet meer weg te denken. Vanwege de laagdrempeligheid, eenvoud en snelheid van deze communicatie kan het aantal berichten over een bepaalde bestuurlijke aangelegenheid al snel oplopen. De Afdeling erkent de hoge uitvoeringslasten als gevolg van haar uitspraak. Zij overweegt daar echter over dat de belasting van een bestuursorgaan als zodanig door de wetgever niet is geaccepteerd als reden om de Wob niet van toepassing te laten zijn.

Voor bestuursorganen valt het aan te bevelen werkprotocollen op te stellen voor de omgang met berichten op telefoons. Daarin kan omschreven worden hoe moet worden omgegaan met berichten die het werk betreffen.

Betekent deze uitspraak nu dat bestuursorganen bang moeten zijn dat er geen vertrouwelijke berichten meer per sms of WhatsApp verstuurd kunnen worden? Nee. Voor de beantwoording van de vraag of de berichten openbaar gemaakt kunnen worden, moet er immers eerst nog getoetst worden aan de weigeringsgronden van de Wob.

KVDL Seminar Mediarecht 2019

Door Redactie

 

Het is weer tijd voor ons jaarlijkse Kennedy Van der Laan Mediarecht Seminar.

Ons mediateam praat je in één middag bij over de belangrijkste actualiteiten in het mediarecht.

Wat kun je verwachten? Natuurlijk de laatste ontwikkelingen en rechtspraak rond uitingsvrijheid en auteursrecht. Met bijzondere aandacht voor de Auteursrechtrichtlijn die in de steigers staat, met het beruchte ‘uploadfilter’. Volgens het Europees Parlement hoeft niemand zich zorgen te maken, want “your memes are safe, freedom of expression is not affected”. En dat is volgens sommige experts weer fake news, een ander onderwerp dat we bespreken. Tenslotte aandacht voor mediaregulering: moeten we vrezen voor de komst van een internet- en mediapolitie?

We zijn heel blij dat Parool-journalist Paul Vugts niet langer permanente beveiliging nodig heeft, en dat hij bereid is bij ons te komen praten over de tijd dat hij ondergedoken zat, en over de zin en onzin van misdaadjournalistiek. Hij schrijft voor Het Parool al jaren over de onderwereld, en hun banden met de bovenwereld, en is auteur van meerdere boeken over het onderwerp. Paul ontvangt in die hoedanigheid ook met enige regelmaat advocatenbrieven van boze criminelen en verdachten.

Datum en tijd 

Het  KVDL Seminar Mediarecht wordt gehouden op donderdag 11 april 2018 van 13.30 tot 17.00 uur (met aansluitende borrel) in Het Ketelhuis in het Westerpark, Pazzanilaan 4 in Amsterdam.

Aanmelden

Relaties die nog geen uitnodiging hebben ontvangen en wel willen komen, kunnen contact opnemen met Bianca Evers, via bianca.evers@kvdl.com. Er is een beperkt aantal plaatsen beschikbaar dus wees er snel bij.

Heb je verder nog vragen, dan kun je contact opnemen met Bianca Evers.

 

Hartelijke groeten,

namens het gehele mediateam van Kennedy Van der Laan

 

Jens van den Brink l Emiel Jurjens l Sophie van Loon

Joran Spauwen l Christien Wildeman l Quirine Tjeenk Willink

 

Markt voor online kansspelen gaat open

Door Joran Spauwen

Op 19 februari jl. is het wetsvoorstel Kansspelen op Afstand (KOA) aangenomen door de Eerste Kamer. Deze wet moet ervoor zorgen dat het aanbieden- en spelen van online kansspelen door de overheid gereguleerd wordt. De gedachte hierachter is dat consumenten (de kansspelers) beter beschermd kunnen worden in een gelegaliseerde en gereguleerde markt. Met het aannemen van dit wetsvoorstel is Nederland een van de laatste Europese landen die een vergunningsstelsel krijgt voor online kansspelaanbieders. Hoewel wijdverspreid, waren online gaming sites in Nederland technisch illegaal. Met de wetswijziging komt ook een eind aan een wetgevingsproces dat flink wat tijd in beslag heeft genomen. Zo berichtten wij in 2013 al over de eerste consultatieronde van dit wetsvoorstel.

De wet Kansspelen op Afstand zorgt voor een modernisering van de wet op de Kansspelen (Wok) en de wet op de Kanspelbelasting (wet KSB). De wet moet ervoor zorgen dat online kansspelen in Nederland kunnen worden gespeeld en aangeboden, mits wordt voldaan aan strenge voorwaarden. Het in bezit zijn van een vergunning voordat je online kansspelen kunt aanbieden, is de eerste stap. De Kansspelautoriteit krijgt daarnaast meerdere bevoegdheden. Niet alleen om online kansspelaanbieders die geen vergunning hebben harder aan te pakken, maar ook diensten die dit illegale aanbod ondersteunen (zoals partijen die reclame maken voor illegaal aanbod).

Vergunningsvoorwaarden

Het ministerie van Justitie en Veiligheid zal zich nu gaan buigen over nadere regels in de vorm van een AMvB. Vervolgens zal de Kansspelautoriteit deze regels vertalen in vergunningsvoorwaarden, voorwaarden waaraan moet worden voldaan als je als kansspelaanbieder aanspraak wil maken over een vergunning. De Kansspelautoriteit zal vervolgens vergunningsaanvragen beoordelen. Hoewel de onderliggende regelgeving nog vertaald moet worden in vergunningsvoorwaarden, zijn enkele ideeën over deze vergunning al wel duidelijk.

Zo moet een aanvrager:

  • gevestigd zijn in de Europese Unie of EER of, indien dit niet zo is, moet de aanvrager daar een vestiging openen;
  • indien deze aanvrager is gevestigd in Nederland, een deskundige in dienst hebben die aanspreekbaar is en kennis heeft over kansspelverslaving en verslavingspreventie;
  • aangesloten zijn bij het CRUKS (Centraal Register Uitsluiting Kansspelen), zodat mensen die in dit register zijn opgenomen (vrijwillig of gedwongen), niet meer deel kunnen nemen aan online Kansspelen;
  • op zijn betrouwbaarheid worden getoetst in het kader van de Wet bevordering integriteitsbeoordeling;
  • circa 40.000 euro betalen voor de behandeling van de vergunningsaanvraag. Daar komen nog andere kosten bij die gekoppeld zijn aan de vergunning.

Ook komt alleen een kansspelaanbieder die zich in de afgelopen twee jaar níét zonder vergunning op de Nederlandse markt heeft gericht in aanmerking voor een vergunning.

Goed nieuws voor legale partijen

De kansspelautoriteit verwacht dat ongeveer 45 aanvragers een vergunning zullen krijgen. Dit aantal wordt gehanteerd zodat de variatie tussen spelaanbieders en soorten kansspelen gewaarborgd wordt. Te denken valt dus bijvoorbeeld aan het aanbieden van pokerwedstrijden of het houden van sportweddenschappen.

Goed nieuws dus voor kansspelaanbieders die zich legaal willen richten op de Nederlandse kansspelmarkt. Voor partijen die (mogelijk) geïnteresseerd zijn om in de toekomst een vergunning aan te vragen is het mogelijk om dit alvast bij de Kansspelautoriteit aan te geven. Zo kan de Kansspelautoriteit een inschatting maken van hoeveel partijen er mogelijk een aanvraag gaan doen.

Over de precieze invulling van de vergunningen publiceren we spoedig meer!

Met dank aan Thijs Hannema. Heeft u vragen over dit onderwerp? Neem dan contact op met Joran Spauwen.

Rechtbank wijst verzoek Dutch Filmworks af – Ziggo hoeft klantgegevens van vermeende downloaders niet af te staan

Door Redactie

Dutch Filmworks (DFW) is filmdistributeur. Zij distribueert in Nederland onder meer de film ‘The Hitman’s Bodyguard’ uit 2017, die zich overigens in Amsterdam afspeelt. Sinds het Thuiskopie arrest uit 2014 staat vast dat illegaal downloaden van auteursrechtelijk beschermd materiaal onrechtmatig is. DFW had in de media al in 2015 laten weten dat zij nu achter illegale downloaders aan wilde gaan van films die zij distribueert.

Om achter de identiteit van de illegale downloaders te komen schakelde DFW eind 2017 het Duitse bedrijf Tecxipio in, dat de IP-adressen moest opsporen van inbreukmakers. Vervolgens meldde DFW zich in 2018 bij Ziggo, met het verzoek de persoonsgegevens af te staan bij die hoorden bij IP-adressen van Ziggo klanten. Texcipio had zelf aan de bittorrent uitwisseling van de film meegedaan en stelde zo aan de IP-adressen te zijn gekomen. Met die persoonsgegevens wilde DFW vervolgens inbreukmakers aanschrijven en van hen een geldbedrag vorderen. Welk bedrag was niet duidelijk. DFW noemde een schikkingsvoorstel van €150, -, maar had het in de media ook over ‘enkele honderden euro’s’. Ziggo weigerde de gegevens vrijwillig af te staan omdat zij meent dat dit door de rechter behoort te worden beoordeeld.

DFW eiste uiteindelijk in kort geding dat Ziggo de NAW-gegevens behorend bij 377 IP-adressen zou afgeven aan DFW. Ziggo wees er onder meer op dat er fouten zaten in de lijsten met IP-adressen op grond waarvan DFW de persoonsgegevens eiste, en dat onduidelijk was hoe die IP-adressen zijn gevonden. Terwijl cruciaal is dat de gegevens kloppen, al was het maar omdat het gaat om dynamische IP-adressen, die ieder moment kunnen wijzigen. Om niet bij de verkeerde persoon uit te komen, moet 100% zeker zijn wanneer (bij voorkeur vastgesteld op 3 verschillende tijdstippen) en door wie de film zou zijn gedownload. Ziggo verwees naar het Belirex vonnis, waar een soortgelijke vordering om afgifte van klantgegevens tegen UPC was afgewezen, onder meer omdat onvoldoende vast stond dat de “lP-adressen daadwerkelijk met een inbreukmakende activiteit in verband gebracht kunnen worden.”

Ook wees Ziggo erop dat een IP-adres verwijst naar een router, en niet naar een inbreukmaker. Iedereen met toegang tot het wifi-netwerk van die router (kinderen, andere mede-bewoners, andere familie, de oppas, vriendjes, etc.) kan de inbreukmaker zijn. Het betekent ook dat de abonnee zich niet zou kunnen verdedigen. Want ook al heeft hij niet illegaal gedownload, hij kan nooit weten (en daar ook niet achter komen) of iemand anders dat wel heeft gedaan via zijn wifi-netwerk. De abonnee zou gedwongen worden maar te betalen, al was het maar uit kostenoverwegingen en omdat hij toch nooit zou kunnen bewijzen dat er niet via zijn router is gedownload. En dat terwijl het bedrag dat DFW zou eisen, waarschijnlijk niet in verhouding zou staan tot de daadwerkelijk geleden schade, zodat eerder sprake leek van een boete (DFW had het er in de media ook herhaaldelijk over dat ze downloaders wilde afschrikken).

De voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland wees de vorderingen van DFW af.

De rechter stelde dat het aannemelijk was dat indien de inbreuk was vastgesteld, DFW recht zou hebben op een schadevergoeding. Het bedrag dat DFW zou eisen van de downloaders, vermoedelijk € 150,– volgens de rechter, “is echter op geen enkele wijze onderbouwd en niet is uitgesloten dat in het door DFW te vragen schadebedrag ook elementen van een boete zitten“. De onduidelijkheid over het daadwerkelijk te vragen (schade) bedrag en de samenstelling daarvan werkte bij de afweging van de belangen in het nadeel van DFW. Dat gold ook voor het feit dat onduidelijk is of de Ziggo abonnee zelf ook daadwerkelijk de inbreukmaker zou zijn, en hoe DFW daar mee om zou gaan. De belangenafweging valt dan ook uit in het nadeel van DFW.

Tenslotte overweegt de rechter nog dat ook “als ten gunste van DFW voorbij wordt gegaan aan de door Ziggo c.s. (gemotiveerd) gestelde onjuistheden en inconsistenties in de door DFW samengestelde IP‑lijsten … leidt dit niet tot een andere uitkomst“.

DFW heeft laten weten in hoger beroep te gaan.

Ziggo werd in deze zaak bijgestaan door Jens van den Brink en Joran Spauwen.

Buma/Stemra moet lage Spotify tarieven ook toepassen bij anderen

Door Jens van den Brink

Een opmerkelijke uitspraak over Buma/Stemra, die illustreert dat de tarieven die de rechtenorganisatie in rekening brengt, niet altijd eerlijk zijn.

Een ondernemer die geen zin heeft om een flink bedrag neer te leggen voor het afspelen van muziek in zijn bedrijfsruimte, zou op het idee kunnen komen daarvoor gebruik te maken van zijn persoonlijke Spotify-account. Buma/Stemra treedt hier niet tegen op. Een uitkomst die veel ondernemers waarschijnlijk als muziek in de oren klinkt. Maar aanbieders van (achtergrond)muziek die zich speciaal richten op zakelijke gebruikers zijn hier niet blij mee. De licentievergoeding die Buma/Stemra vraagt van muziekdistributiebedrijven gericht op de zakelijke markt, is namelijk aanzienlijk hoger dan de vergoeding die wordt gevraagd van streamingdiensten voor consumenten. Daar komt nog bij dat een consumentenabonnement bij bijvoorbeeld Spotify veel goedkoper is dan een zakelijk abonnement bij een andere aanbieder.

De feiten van de onderliggende zaak zijn als volgt. Buma/Stemra heeft een overeenkomst met verschillende aanbieders van streamingdiensten voor privé muziekgebruik, waaronder Spotify en YouTube. Deze diensten mogen niet commercieel worden gebruikt door zakelijke partijen in bijvoorbeeld winkels, horecagelegenheden of sportscholen. Spotify heeft dit ook nadrukkelijk opgenomen in haar gebruiksvoorwaarden.

ABMD (Associated Business Music Distributors) is een vereniging van bedrijven die achtergrondmuziek voor zakelijk gebruik aanbieden. Zij betalen per afnemer een licentievergoeding volgens het door Buma/Stemra bepaalde tarief. ABMD kreeg er lucht van dat in de praktijk toch veel ondernemers een consumentenabonnement van bijvoorbeeld Spotify gebruiken voor het afspelen van muziek binnen hun bedrijf. Slecht nieuws voor ABMD, dat gewoon het veel hogere Buma/Stemra tarief rekent voor haar afnemers. Bovendien betaalde Spotify een veel lagere licentievergoeding (ABMD betaalde ongeveer 7x meer) dan zijzelf.

Buma/Stemra weigert handhavend op te treden tegenover ondernemers die hun privé abonnement zakelijk gebruiken, vanwege een afweging die gericht is op een maximale opbrengst voor de rechthebbenden (kosten van handhaving zijn te hoog en handhaving zou afdoen aan maatschappelijke acceptatie). Buma/Stemra maakt daarom volgens ABMD misbruik van machtspositie en handelt onrechtmatig jegens ABMD. Volgens ABMD zou Buma/Stemra moeten optreden tegen deze zakelijke gebruikers die (in strijd met de licentievoorwaarden van de streamingsdienst) via een consumentenabonnement muziek afspelen in hun bedrijfsruimte.

ABMD vordert onder meer een verklaring voor recht dat Buma/Stemra onrechtmatig heeft gehandeld, en een gebod om zakelijke gebruikers aan te pakken die in hun bedrijf gebruik maken van een Spotify consumenten abonnement.

De rechtbank Amsterdam stelt vast dat Buma/Stemra inderdaad onrechtmatig heeft gehandeld door de leden van ABMD een ander tarief in rekening te brengen dan het bedrag dat door streamingdiensten wordt afgedragen voor gebruik dat weliswaar voor consumenten bedoeld is, maar dat in de praktijk zakelijk wordt gebruikt.

Buma/Stemra is monopolist in Nederland wat betreft het bepalen van de tarieven voor het gebruik van de rechten die zij beheert. Daarom mag van haar verwacht worden dat zij vergelijkbare gevallen gelijk behandelt. Aangezien Buma/Stemra weigert te handhaven, kan aan de huidige feitelijke ongelijkheid daarom alleen een einde worden gemaakt door in beide gevallen van zakelijk muziekgebruik dezelfde vergoeding te vragen. De rechter beveelt Buma/Stemra de tarieven gelijk te trekken en zij moet de schade van ABMD vergoeden.

Update: Buma/Stemra meent dat het vonnis “niet volledig” is weergegeven in deze post. Hier de reactie van Buma/Stemra, die wij op hun verzoek publiceren.

Auteurs: Lotte Oranje, Julia Driessen en Jens van den Brink

Beveiliging van aantal websites onder toezicht

Door Joran Spauwen

Een aantal online dienstverleners zijn tegenwoordig wettelijk verplicht om hun cyber security op orde te hebben. Sinds kort moeten online marktplaatsen, zoekmachines en clouddiensten namelijk passende maatregelen nemen “om de risico’s voor de beveiliging van hun netwerk- en informatiesystemen te beheersen”. Natuurlijk zit niemand te wachten op een hack of een lek, dus het regelen van je beveiliging is eigenlijk altijd een goed idee. Belangrijk is echter dat de deze nieuwe wetgeving (de Wbni) ook verplicht om cyber security incidenten actief te melden bij bepaalde instanties.

Valt jouw site onder de nieuwe wet?

Online marktplaatsen en zoekmachines zullen zichzelf waarschijnlijk snel herkennen in de nieuwe wet. Voor clouddiensten is dat wat vager. Volgens de overheid gaat het om infrastructure en platform as-a-service (Iaas en Paas), maar ook om SaaS-diensten, zoals “een financieel pakket, online office, etc.”. Dat is natuurlijk vrij breed.

Niet iedereen krijgt overigens te maken met de nieuwe meld- en beveiligingsplicht. De wet geldt grof gezegd niet voor kleine bedrijven (minder dan 50 werknemers en balanstotaal < €10mio).

Ook hoeven niet alle incidenten gemeld te worden. Alleen voor incidenten met ‘aanzienlijke gevolgen’ geldt een meldplicht. De overheid heeft hiervoor een handig schemaatje gemaakt.

Datalekken moesten toch al gemeld worden?

Dit soort regels zijn niet helemaal nieuw. Voor het verwerken van persoonsgegevens gelden vergelijkbare verplichtingen. Qua scope is de Wbni iets breder; deze geldt bijvoorbeeld ook voor partijen/systemen die geen persoonsgegevens verwerken. Belangrijk is vooral dat cyber-incidenten met persoonsgegevens (datalekken) nu niet meer alleen bij de Autoriteit Persoonsgegevens gemeld moeten worden, maar ook bij het CSIRT-DSP.

Kortom: ben je als bedrijf online actief – check even vooraf welke stappen je precies moet nemen voor als er onverhoopt toch iets fout gaat.

Met dank aan Joost Lichtendahl

Activist’s conviction for hooliganism over β€˜obscene’ protest violated Article 10 ECHR

Door Redactie

* This blog post was written by Ronan Ó Fathaigh, IVIR/Univ. Amsterdam and Dirk Voorhoof, Human Rights Centre, Ghent University and Legal Human Academy

On 15 January 2019, the European Court’s Second Section unanimously found that an anti-corruption activist’s conviction for staging an “obscene” demonstration outside a prosecutor’s office, targeting a number of public officials, violated the activist’s freedom of expression. The Court in Mătăsaru v. the Republic of Moldova took the Moldovan courts to task for holding that Article 10 of the European Convention was not applicable to the activist’s protest, with the European Court reiterating that “expressive conduct” which shocks, offends or disturbs is fully protected under Article 10’s guarantee of freedom of expression.

Facts

The applicant in the case was Anatol Mătăsaru, a 49-year-old resident of the Moldovan capital Chișinău. The case began in late January 2013, when Mătăsaru demonstrated outside the Prosecutor General’s Office in Chișinău to protest against the ‘corruption and the control exercised by politicians over the Prosecutor General’s Office’. The protest involved erecting two large wooden sculptures on the stairs of the Prosecutor General’s Office, the first being a large penis with a picture of a public official attached to its head; while the second was a large vulva with pictures of several officials from the prosecutor’s office in the middle (see here and here). The protest lasted an hour before police officers intervened, arresting Mătăsaru and seizing the sculptures.

Mătăsaru was charged with hooliganism under Article 287 of the Moldovan Criminal Code, defined as ‘deliberate actions grossly violating public order, involving violence or threats of violence or resistance to authorities’ representatives or to other persons who suppress such actions as well as actions that by their content are distinguished by an excessive cynicism or impudence’. Two years later, Mătăsaru was convicted of hooliganism by the Râșcani District Court, and received a two-year prison sentence, suspended for three years. The District Court held that Mătăsaru’s actions had been “immoral” and exposed “obscene” sculptures in a public place where ‘they could be seen by anyone, including by children’. The District Court also held ‘assimilating public officials with genitals went beyond the acceptable limits of criticism’, and was ‘not an act protected under Article 10 [of the ECHR]’. Mătăsaru’s conviction and sentence were upheld by both the Chișinău Court of Appeal and Moldova’s Supreme Court of Justice.

Judgment

Mătăsaru made an application to the European Court, claiming his conviction was a violation of his right to freedom of expression under Article 10. Mătăsaru submitted that his conviction was not ‘prescribed by law’, arguing the Criminal Code’s Article 287 on the offence of hooliganism was ‘not applicable to the particular circumstances of his case’. However, the Court, while noting the Moldovan courts had ‘failed to explain in a satisfactory manner why they opted for the criminal sanction provided for by Article 287’, held it was ‘unnecessary’ to decide the issue given the Court’s later findings. Thus, the main question for the European Court was whether the conviction had been ‘necessary in a democratic society’.

The Court first reiterated that Article 10 protects ‘expressive conduct’, including expressive conduct which offends, shocks or disturbs the State or ‘any section of the population’. The Court referred to its previous case law on expressive conduct where it had found the following: displaying dirty laundry near the Hungarian parliament was a form of ‘political expression’ (Tatár and Fáber v. Hungary); pouring paint on statues of Atatürk was an ‘expressive act’ performed as a protest against the political regime (Murat Vural v. Turkey); detaching a ribbon from a wreath laid by the Ukrainian President at a monument was a form of ‘political expression’ (Shvydka v. Ukraine); and the Pussy Riot punk band attempting to perform from the altar of a Moscow cathedral was a form of ‘artistic and political expression’ (Maria Alekhina and Others v. Russia) (see our post).

The Court then examined Mătăsaru’s protest, and noted that he had been found guilty of hooliganism because during his protest he had exposed public sculptures of an obscene nature and because he had attached to them pictures of a politician and several senior prosecutors, thus ‘offending [the politician and senior prosecutors] and infringing their right to dignity’. Applying its Article 10 principles, the Court held that it ‘cannot agree’ with the Moldovan courts’ ruling that Article 10 of the Convention was ‘inapplicable to the applicant’s conduct’. The Court noted that the Moldovan courts did not conduct a ‘proper balancing exercise’ under Article 10 of the different interests involved, and imposed a ‘very heavy sanction’ on the applicant in the form of a suspended prison sentence. The Court then applied its unanimous Grand Chamber judgment in Cumpǎnǎ and Mazǎre v. Romania, holding that the circumstances of Mătăsaru’s protest ‘present no justification whatsoever for the imposition of a prison sentence’. This was because a prison sentence, even if suspended, by its very nature, not only has negative repercussions on the applicant, but may also have a ‘serious chilling effect’ on other persons and discourage them from exercising their freedom of expression.

The Court concluded that although the interference with freedom of expression ‘may have been justified by the concern to restore the balance between the various competing interests at stake’, the criminal sanction imposed was ‘manifestly disproportionate in its nature and severity to the legitimate aim pursued by the domestic authorities’. Thus, the Court unanimously held that the Moldovan courts went beyond what would have amounted to a ‘necessary’ restriction on the applicant’s freedom of expression, therefore in violation of Article 10.

Comment

The unanimous judgment in Mătăsaru is a strong reaffirmation that domestic courts may not impose prison sentences, even if suspended, on peaceful protestors engaging in expressive conduct (including artistic and satirical expression) on matters of public interest. The Court was categorical on this point, holding that there was no justification whatsoever for a suspended prison sentence. This amplifies the Court’s case law that a peaceful demonstration should not, ‘in principle’, be made subject to the ‘threat of a penal sanction’ (see, e.g., Pekaslan and Others v. Turkey, Taranenko v. RussiaPrimov v. RussiaNemtsov v. Russia, Frumkin v. Russia, and Yılmaz Yıldız and Others v. Turkey) (and our post on Novikova v. Russia).

Mătăsaru is particularly important and timely, given the controversial Sinkova v. Ukraine judgment last year from the Court’s Fourth Section (see our post). By a 4-3 vote, the Sinkova majority held that a protestor’s arrest, three-month pre-trial detention, conviction and suspended two-year prison sentence, for staging a performance-art protest at a war memorial did not violate Article 10. The judgment prompted a rigorous dissent, which highlighted ‘inconsistency’ with the Court’s prior case law on the imposition of suspended prison sentences, and issued a stark warning of a ‘real risk of eroding the right of individuals to voice their opinions and protest through peaceful, albeit controversial, means’.

This warning prompted over 22 international and national organisations involved in freedom of expression and freedom of peaceful assembly to support a request for a referral of Sinkova to the 17-judge Grand Chamber of the Court (see here). A five-judge Panel of the Grand Chamber however rejected the request for a referral. Of note, the Court in Mătăsaru nowhere mentioned, nor even cited, the Sinkova judgment. Indeed, Sinkova has not been applied in a Court judgment to date, and the Mătăsaru judgment leads to Sinkova becoming a disapproved and lone aberration in the case law on the imposition of suspended prison sentences for peaceful protest and participation in matters of public debate.

While Mătăsaru is a welcome judgment, one point needs to be teased out relating to the Court’s statement in the second-last paragraph: that the interference with freedom of expression ‘may have been justified by the concern to restore the balance between the various competing interests at stake’. The Court seemed to be leaving open the suggestion that there existed certain interests which outweighed the applicant’s freedom of expression. But while the Court did not explore the point fully, a brief mention of the relevant case law would have been relevant and informative.

The Court has already dealt with the distinct issue of public officials seeking to prohibit their depiction in an ‘obscene’ manner. The leading judgment is Vereinigung Bildender Künstler v. Austria, concerning an injunction preventing further depiction of a politician where a photo of his face was placed on a painted naked body, ‘gripping the ejaculating penis’ of another public official, while ‘being touched by two other’ public officials and ‘ejaculating on Mother Teresa’. The Court found a violation of Article 10, as the politician’s ‘personal interests’ did not outweigh the right to engage in satirical expression on a matter of public interest, and targeting a public official.  The Court applied the principle that satire is a form of ‘artistic expression and social commentary’, and by its ‘inherent features of exaggeration and distortion of reality, naturally aims to provoke and agitate’. Further, the expression at issue could not be ‘understood to address details’ of the politician’s private life, but rather his ‘public standing as a politician’, and public officials must ‘display a wider tolerance in respect of criticism’. Of course, it must be recognised that the Court takes a different approach to ‘obscene’ expression relating to non-public officials (Palomo Sánchez and Others v. Spain) and religion (see, e.g., Otto-Preminger-Institut v. Austria, Wingrove v. the United Kingdom, İ.A. v. Turkey, and E.S. v. Austria; to some extent, contra in Aydın Tatlav v. Turkey, and see also Akdaş v. Turkey).

But the expressive conduct in Mătăsaru was political expression targeting an elected official, and a number of public officials, in their official capacity, and on a matter of public interest. Indeed, on the public interest element, the Court has confirmed in other judgments concerning Moldova and anti-corruption policy (Guja v. Moldova, and Guja v. Moldova (No. 2)), the ‘strong public interest’ on the issue of  ‘separation of powe

rs’ and ‘improper conduct’ by high-ranking politicians and involving the Prosecutor General’s Office. In this regard, the Court has long held that there is ‘little scope’ for restrictions on expression on matters of public interest, and domestic authorities have a ‘particularly narrow’ margin of appreciation (Morice v. France).  It must be remembered that Mătăsaru involved criminal proceedings for hooliganism, and not administrative proceedings, nor civil proceedings by the public officials targeted. This would be difficult to square with the Court’s principle that the ‘dominant position which those in power occupy’ makes it ‘necessary for them to display restraint in resorting to criminal proceedings’, and only in ‘certain grave cases – for instance in the case of speech inciting to violence’. There was no suggestion that the expressive conduct in Mătăsaru was anything other than entirely peaceful

This post was previously published on Strasbourg Observers.

 

EHRM berispt Azerbeidzjan vanwege verspreiding seksvideo kritische journaliste

Door Daan van Straten

Khadija Ismayilova is inmiddels de bekendste journaliste van Azerbeidzjan. Bij Azadliq Radio deed zij met name tussen 2010 en 2012 onderzoek naar corruptie door de Azerbeidjaanse president en zijn familie en diens banden met een lucratief bouwproject. Ook publiceerde zij een lijst met Azerbeidjaanse politieke staatsgevangenen. De overheid zette allerlei onconventionele instrumenten in om Ismayilova het zwijgen op te leggen. De journaliste stapte uiteindelijk naar het EHRM.

In maart 2012 ontving Ismayilova een uit Moskou afkomstige dreigbrief met expliciete stills uit een seksueel getinte video van haar met haar toenmalige geliefde. De foto’s werden begeleid met de volgende, niet mis te verstane bedreiging: “Whore, refrain from what you are doing, otherwise you will be shamed!’”. Al gauw verscheen de video op het internet, waarna in 2013 twee nieuwe intieme video’s werden verspreid. Tegelijk met het opduiken van de eerste video verschenen in drie zwaar gecensureerde Azerbeidjaanse kranten artikelen waarin Ismayilova een gebrek aan professionalisme, een anti-overheidsbias en immoreel gedrag in de schoenen werd geschoven.

De journaliste ontdekte uiteindelijk verborgen camera’s en een aangelegde telefoonkabel (die de cameraopnamen naar buiten doorspeelde) in haar appartement. Deze ontdekking bracht de openbare aanklager zover een onderzoek in te stellen naar zowel de dreigbrief als de verborgen camera’s. Ismayilova en de medewerker van de telecomdienst, die aangaf de verbinding onder hevige druk te hebben aangelegd, werd gevraagd een formele verklaring af te leggen. Omdat Ismayilova vanaf het begin haar twijfels uitte over het onderzoek besloot de overheid in april 2012 een rapport te publiceren om zo het bestaan van een gedegen en goed verlopen onderzoek te bewijzen. In feite onthulde het rapport echter nog meer informatie dan reeds bekend over het privéleven van Ismayilova en dat van haar vrienden en familieleden. Het bewoog Ismayilova tot het aanspannen van een aantal civiele zaken bij de nationale rechtbank. Tevergeefs. Het onderzoek kwam in de doofpot terecht en Ismayilova werd in 2014 in het kader van een andere zaak opgepakt. De verdenkingen waren fors: verduistering, illegaal ondernemerschap, corruptie en belastingontduiking. In 2016 werd zij na maanden detentie gedeeltelijk vrijgesproken en uiteindelijk in vrijheid gesteld.

Het aan alle kanten gebrekkige onderzoek naar de lastercampagne tegen Ismayilova bracht de getroffen journaliste vorig jaar zover de zaak voor te brengen bij het Hof in Straatsburg. Het Hof constateert de inbreuk van twee fundamentele rechten: het recht op privacy en het recht op vrijheid van meningsuiting.

Volgens het Hof staat vast dat de staat verantwoordelijk is voor de ernstige privacy-inbreuk en dat er ‘significant flaws’ bestaan in de wijze waarop de overheid het onderzoek heeft vormgegeven. Daarnaast verwijt het Hof Azerbeidzjan nalatigheid in het onderzoek naar de dreigbrief en de link tussen de journalistieke activiteiten van Ismayilova en de reeks criminele feiten die tegen haar is begaan.

Wat betreft de beperking van de vrijheid van meningsuiting stelde het Hof vast dat de dreigbrief verband hield met haar kritische werk. Het Hof verwijt Azerbeidzjan niet alleen het niet beschermen van het recht op privacy, maar ook het niet naleven van haar positieve verplichting uit art. 10 EVRM de vrijheid van meningsuiting te waarborgen. Ook sprak het Hof in dit verband zijn zorgen uit over de algemene situatie in Azerbeidzjan: de stelselmatige criminalisering van kritische journalisten, tot aan het plaatsen van verborgen camera’s in de slaapkamer, inclusief het fysieke geweld, en het straffeloos blijven van de verantwoordelijken.

Bovenstaande zaak legt pijnlijk bloot hoe slecht het gesteld is met het recht op privacy en de vrijheid van meningsuiting in Azerbeidzjan.

AG Hof van Justitie: alleen right to be forgotten binnen de EU

Door Lotte Oranje

Advocaat-generaal Szpunar van het Hof van Justitie van de EU heeft op 10 januari 2019 twee interessante conclusies gewezen over het ‘right to be forgotten’.

Het gaat om twee Franse zaken. In de eerste zaak (CNIL/Google) heeft Google, na een verzoek van een persoon om zoekresultaten te verwijderen, deze zoekresultaten verwijderd, maar alleen binnen de domeinnaamextenties van de Europese Unie. De Franse gegevensbeschermingsautoriteit (CNIL) eist dat Google de verwijdering toepast op alle domeinnaamextenties van haar zoekmachine, dus ook bijvoorbeeld .com. Wereldwijde verwijdering dus. De grondslag hiervoor zou volgens de autoriteit de Europese privacy-richtlijn en het Google Spain arrest zijn. De advocaat-generaal is het daar niet mee eens en vindt dat gekeken moet worden naar de plaats van waaruit de zoekopdracht wordt uitgevoerd. Is dit buiten het grondgebied van de Europese Unie, dan komen de zoekopdrachten niet voor een verwijdering van koppelingen uit de zoekresultaten in aanmerking. Het recht van de Europese Unie kan namelijk niet zo ruim worden uitgelegd dat het ook van toepassing is buiten de landsgrenzen van de lidstaten. Alleen in bijzondere gevallen waarin de interne markt geraakt wordt, kan sprake zijn van extraterritoriale gevolgen (bijvoorbeeld in het mededingings- of merkenrecht). In deze zaak is daar geen sprake van. Daarom is de exploitant van een zoekmachine in principe niet verplicht de verwijdering toe te passen op alle domeinnaamextenties van zijn zoekmachine. De AG benadrukt echter wel een andere belangrijke beperking in het recht op toegang tot informatie. Zodra een recht op verwijdering van koppelingen binnen de EU is vastgesteld, moet de exploitant van een zoekmachine alle mogelijke maatregelen nemen om te zorgen voor een doeltreffende en volledige verwijdering van de koppelingen binnen het grondgebied van de Europese Unie. Volgens de AG kan dit door geoblocking toe te passen: het blokkeren van toegang tot bepaalde webpagina’s op basis van de geografische locatie van de internetgebruiker. Als gevolg hiervan krijgen internetgebruikers met IP-adressen uit EU-lidstaten geen toegang tot de koppelingen in de zoekresultaten, ongeacht de domeinnaam die wordt ingevoerd door de internetgebruiker of de nationaliteit van de internetgebruiker. Geen wereldwijde blokkade dus.

In de tweede zaak (CNIL/betrokkenen) gaat het om de vraag of het verbod om bijzondere persoonsgegevens te verwerken ook van toepassing is op de exploitant van een zoekmachine. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om gegevens over de geloofsovertuiging of gezondheid van personen. De advocaat-generaal beantwoordt deze vraag bevestigend. Dit verbod brengt met zich mee dat de exploitant van de zoekmachine “systematisch de verzoeken tot verwijdering van koppelingen naar webpagina’s met daarop dergelijke gegevens moet inwilligen”, waarbij rekening moet worden gehouden met de uitzonderingen uit de Europese privacy-richtlijn die deze verwerking toestaan. Het systematisch inwilligen van verzoeken kan een groot risico opleveren voor het recht op toegang tot informatie, omdat hierdoor standaard links op internet verwijderd worden, zonder dat er een belangenafweging plaatsvindt. Hiervoor lijkt Szpunar oog te hebben en hij stelt daarom dat de zoekmachine exploitant altijd nog verplicht is een afweging te maken tussen het recht op bescherming van gegevens enerzijds en het recht op toegang tot informatie en vrijheid van meningsuiting anderzijds. Hierbij moet rekening worden gehouden met de vraag of de betrokken informatie journalistieke, artistieke of literaire doeleinden dient. De vraag is echter hoe een exploitant van een zoekmachine verzoeken tot verwijdering “systematisch” kan inwilligen als de exploitant bij elk individueel verzoek uitzonderingen moet bekijken en juridische belangenafwegingen moet maken. Deze vraag laat de advocaat-generaal helaas onbeantwoord.

Een conclusie van de AG is een aanbeveling voor het Hof. Het Hof volgt meestal het advies van de AG, maar is daar niet toe verplicht. Zo besloot het Hof in het Google Spain arrest de advocaat-generaal niet te volgen (zie ook: MR 2014-035).

Voor een samenvatting in het Nederlands van de twee conclusies: zie hier en hier.

Rectificatie!

Door Jens van den Brink

Rectificatie van WUWM 89.7 FM.

Zie hier voor meer uit onze serie toprectificaties.

 

Via @remych

 

EHRM in Magyar Jeti over hyperlinken naar diffamerende content

Door Michael Bacon

Op 4 december 2018 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zich in de zaak Magyar Jeti Zrt tegen Hongarije (opnieuw) uitgesproken over hyperlinken. Hongarije wordt door het EHRM op de vingers getikt, wegens een te strenge beoordeling van de aansprakelijkheid van een nieuwswebsite voor het linken naar een publicatie met diffamerende content. Dit heeft een ‘chilling effect’ op de vrijheid van meningsuiting.

Een journalist, werkzaam bij de populaire Hongaarse nieuwswebsite www.444.hu, werd beschuldigd van het verspreiden van een onrechtmatige publicatie, door het plaatsen van een hyperlink naar deze publicatie bij een artikel op de website. De journalist schreef in 2013 een artikel over een incident in het dorpje Konyár. Daar schopten dronken voetbalsupporters herrie en maakten zij racistische opmerkingen bij een school waar voornamelijk Roma-studenten naar toe gaan. Bij het artikel plaatste de journalist een hyperlink naar een interview op YouTube met de Roma-gemeenschapsleider uit het dorp over Roma-problematiek. In dit interview beweerde de leider dat de voetbalsupporters aanhangers van de Hongaarse rechts-populistische ‘Jobbik’ partij waren. In latere uitspraken is door de Hongaarse rechter geoordeeld dat deze bewering onjuist en onrechtmatig was ten opzichte van de partij in kwestie. Omdat het Hongaarse recht bepaalt dat een verwijzer naar (later) onrechtmatig bevonden content op het internet automatisch aansprakelijk is jegens de benadeelde partij voor de verspreiding van die onrechtmatige content, is de nieuwswebsite veroordeeld tot het plaatsen van rectificaties en het verwijderen van de hyperlink uit het artikel. Het EHRM benadrukt het belang van hyperlinks voor het waarborgen van een goede werking van het internet en de toegang tot informatie.

In het uitspraak heeft het Hof het meeste commentaar op het automatisme waarmee een verwijzer in Hongarije aansprakelijk wordt gehouden voor (later) onrechtmatig bevonden content op het internet. Gelet op de karakteristieke kenmerken van hyperlinks, met name dat de content waarnaar wordt verwezen zelf niet wordt getoond en de verwijzer in de regel geen invloed op de content heeft, moet de aansprakelijkheid van de verwijzer van geval tot geval worden beoordeeld. Het Hof formuleert vervolgens vijf criteria die in de context van art. 10 EVRM kunnen worden meegenomen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid van een hyperlink naar een publicatie op het internet

  1.      Heeft de journalist de informatie ondersteund?
  2.      Heeft de journalist de inhoud slechts herhaald?
  3.      Heeft de journalist alleen de link gepost zonder iets erbij te vermelden?
  4.      Kon de journalist weten dat de inhoud lasterlijk of onrechtmatig was?
  5.      Heeft de journalist in goede trouw gehandeld, met respect voor de journalistieke ethiek?

De Hongaarse journalist heeft in dit geval bij het artikel een hyperlink geplaatst, slechts met de mededeling dat een interview met de Roma-gemeenschapsleider online stond. Daarop is verder geen commentaar gegeven en is niet ingegaan op de inhoud van het filmpje, laat staan dat de politieke partij is genoemd. Volgens het Hof was niet overduidelijk dat de journalist wist of had moeten weten dat de content waarnaar de hyperlink verwees onrechtmatig was. Onder deze omstandigheden dient de vrijheid van meningsuiting te prevaleren en was het plaatsen van een hyperlink naar dat artikel dus niet onrechtmatig in de zin van artikel 10 EVRM. De Hongaarse wetgever heeft nagelaten om te voorzien in de mogelijkheid tot een goede afweging van de belangen van de verzoekende onderneming op grond van art. 10 EVRM. Journalisten zouden zich hierdoor sneller kunnen onthouden van het linken van materiaal waarover zij geen controle hebben. Dit veroorzaakt direct of indirect een ‘chilling effect’ op de vrijheid van meningsuiting. Kortom, er is in dit geval sprake van een schending van art. 10 EVRM.

Rectificatie!

Door Redactie

Rectificatie Wall Street Journal, 29 november 2018.

 

 

 

 

Via @mathieuvonrohr

Voor andere voorbeelden uit onze collectie memorabele rectificaties, zie hierhier en hier.

EU vs Disinfo gaat zich niet langer richten op Europese media

Door Emiel Jurjens


Er is al
veel bericht over de strijd tegen fake news door de EU, waarvoor zij onder meer de website ‘EU vs Disinfo’ inzet. Dit is een database met artikelen die door de EU als ‘fake news’ (c.q. ‘disinformation’) zijn aangemerkt. Eerder dit jaar spanden drie Nederlandse media een kort geding aan omdat hun artikelen ten onrechte als fake news werden bestempeld op EU vs Disinfo, waarop de EU een rectificatie publiceerde en de beschuldigingen van de site verwijderde. De EU liet echter weten wel verder te willen met EU vs Disinfo (waarbij de EU dus bepaalt wat wel en niet fake news is), ondanks het pleidooi van Nederland in Brussel om de site op te heffen. Sterker nog: uit beleidsplannen van het EU leek te volgen dat EU vs Disinfo juist uitgebreid en versterkt zou gaan worden. Hoewel dit zeker nog niet van tafel is, bleek vandaag uit onderzoek van de NOS dat al sinds juli van dit jaar beleid is dat er geen Europese media meer op de zwarte lijst van EU vs Disinfo worden gezet. De NOS bericht hierover:

Sinds juli komen er nauwelijks meer media uit EU-landen op de lijst voor. Dat is geen toeval, maar beleid, zeggen de EU-ambtenaren. Media uit EU-landen worden in principe niet meer op de lijst gezet, tenzij lidstaten zelf vragen om ook hun media in de lijst op te nemen.”

Verder wil de EU graag dat EU vs Disinfo professioneler wordt en minder op (veelal partijdige) vrijwilligers hoeft te leunen.

Met deze maatregelen wordt echter niet tegemoetkomen aan het principiële bezwaar dat het onwenselijk (en in strijd met de uitingsvrijheid) is dat de overheid bepaalt wat de waarheid is. Bovendien blijft gelden dat EU vs Disinfo geen objectief platform is, maar een onderdeel van de tak “strategic communications” van de EU vormt. Uit de laatste beleidsplannen van de EU op het gebied van fake news volgt dat het hoofddoel van deze vorm van communicatie is: “countering false narratives about Europe and tackling disinformation, within and outside the EU.” Niet geheel uit te sluiten is dat de EU bevooroordeeld is bij het beoordelen van wat geldt als een ‘false narrative about Europe’.

Zorgwekkend is verder dat kennelijk lidstaten kunnen vragen om media op hun grondgebied in de lijst op te nemen: het is niet snel voor te stellen onder welke omstandigheden dat aan de orde zou kunnen zijn zonder strijd met artikel 10 EVRM.

De Commissie zal binnenkort, onder meer vanwege de naderende verkiezingen voor het Europese Parlement, komen met nieuwe plannen tegen fake news.

Richtlijn Audiovisuele Mediadiensten definitief aangenomen (met last minute aanpassing)

Door Emiel Jurjens

De Raad heeft op 6 november 2018 de definitieve versie aangenomen van de herziene Richtlijn Audiovisuele Mediadiensten (Richtlijn AVMD). We schreven al eerder over de grootste verandering die deze regelgeving gaat brengen, namelijk dat ‘video sharing platforms’ ook gereguleerd zullen gaan worden. Opvallend aan de definitieve tekst is dat de artikelen 28a en 28b (de artikelen over video sharing platforms) met elkaar van plaats zijn verwisseld ten opzichte van de eerder gepubliceerde tekst van de Richtlijn AVMD. Uit navraag bij de Raad blijkt dat deze wijziging is gemaakt tijdens de juridisch-linguïstieke revisie. Daar werd het logischer geacht om eerst de regels voor het vaststellen van jurisdictie over de video sharing platform aanbieders te noemen (artikel 28a definitief), en vervolgens de inhoudelijke regels waar deze aanbieders aan moeten voldoen uit te werken (artikel 28b definitief).

De redactie heeft vernomen dat de tekst van de herziene Richtlijn AVMD waarschijnlijk in het Publicatieblad van de EU van 28 november aanstaande gepubliceerd zal worden. Twintig dagen daarna wordt de Richtlijn van kracht en hebben de lidstaten 21 maanden om de regels te implementeren in de nationale wetgeving (in Nederland zal dit een wijziging van de Mediawet tot gevolg hebben).

Update 28 november 2018: De tekst van de Richtlijn is als verwacht vandaag gepubliceerd in het Publicatieblad. Daarmee zijn ook alle officiële taalversies beschikbaar, waaronder de Nederlandse.  Het rekensommetje van de termijn voor implementatie is voor ons gemaakt: “Member States shall bring into force the laws, regulations and administrative provisions necessary to comply with this Directive by 19 September 2020. They shall immediately communicate the text of those provisions to the Commission.”

Opmerkelijk: rechtbank vindt dat column niet β€˜nodeloos grievend’ mag zijn …

Door Jens van den Brink

Een BN’er (een bekende cabaretier die “regelmatig optreedt in de televisieprogramma’s Dit was het nieuws en De wereld draait door“) werd in meerdere columns in Metro van seksueel wangedrag beschuldigd. Hier een fragment uit een van de columns:

“(…) Aanranding wil ik het niet noemen, dat vind ik flauw. Al is dat technisch gezien eigenlijk precies wat er is gebeurd. Maar wat er precies is gebeurd, probeer ik nog op een rijtje te krijgen, en waarom het is gebeurd weet ik ook niet helemaal. Wel weet ik dat dit soort dingen elke dag gebeuren. En dat al die meisjes zich net als ik nu afvragen: “Heb ik dit zelf uitgelokt?” Natuurlijk klinkt dat raar, maar ik zou het ook stom vinden om er zomaar vanuit te gaan dat ik er sowieso niks aan kon doen. Dat de man altijd de schuld heeft, omdat hij nu eenmaal sterker is. (…) Aan de andere kant, terwijl ik dit schrijf staat ‘Trouble’ van Taylor Swift op repeat, voel ik me superrot (zie voorgaande punt), tel ik vijf blauw-groene plekken, kan ik mijn nek niet goed draaien en niet op mijn linkerzij liggen. En dat is helemaal niet oké. (…)

Ik weet ook wel dat hij me geen pijn wilde doen, niet expres. Want wat voor mannen blijkbaar echt onweerstaanbaar is, is het woord ‘nee’. Hard-to-get schijnt een heel leuk spelletje te zijn, maar…ik speelde helemaal geen spelletje. Waar het op neerkwam is dat de man in kwestie – die ik tot overmaat van ramp stiekem ook nog best wel lief en leuk vond – gewoon bezet was en daarom bij mij uit de buurt moest blijven. Dat heb ik ook gezegd. Een stuk of dertig keer. Maar hoe stelliger ik hem afwees, hoe stelliger hij werd. Toch lukte het me om hem van me af te houden, en geloof me als ik zeg dat mij dat ook heel veel zelfbeheersing kostte. Bijna was er niks aan de hand geweest, want ik fietste gewoon naar huis die avond. Maar we kwamen elkaar twee kilometer verder weer tegen, en dat eindigde dus met mij tegen een hek. In de armen van die supersterke sexy Neanderthaler waar ik als verwarde feministe eerder om had gevraagd. Blijkbaar werkt het woord ‘nee’ heel goed. Voor ‘iets’ in ieder geval. Vooral als je het bijna helemaal meent.”

De BN’er voerde al in 2015 een kort geding tegen Metro, dat hij won. De voorzieningenrechter oordeelde dat het een columnist(e) […] in beginsel vrij staat te schrijven over persoonlijke ervaringen. Dit neemt echter niet weg dat,[…], ook in een column niemand lichtvaardig mag worden beschuldigd en dat beschuldigingen steun dienen te vinden in het beschikbare feitenmateriaal.” Een aantal columns was niet herleidbaar tot de BN-ers en daarom al niet onrechtmatig. Voor één column vond de rechter dat die wel herleidbaar, en er onvoldoende feitelijke onderbouwing waren voor de beschuldigingen. Metro moest de column van internet verwijderen.

In 2017 schreef de columniste weer een column over de man, waarin zij nog ernstigere bewoordingen gebruikt en hem van verkrachting heeft beschuldigd, aldus eiser. De BN-er zegt dat “een onschuldige zoenpartij door haar ten onrechte is opgeblazen tot seksueel wangedrag“, en vordert nu in een bodemprocedure rectificatie en schadevergoeding.

Eerder dit jaar (het vonnis is pas op 31 oktober gepubliceerd) deed de rechtbank Amsterdam uitspraak.

De rechtbank bevestigt de bekende rechtspraak waaruit volgt dat een columnist een grotere mate van vrijheid toekomt om zijn of haar persoonlijke mening te geven, maar voegt daaraan toe: De vrijheid van meningsuiting is echter ook in een column gebonden aan grenzen, welke worden overschreden in het geval de uitingen zijn gedaan met de bedoeling de ander te kwetsen of de bewoordingen met het oog op het te dienen belang nodeloos grievend zijn. Daarnaast is sprake van overschrijding van grenzen wanneer columnisten bij het uiten van hun persoonlijke mening over personen kwalificaties bezigen of vergelijkingen treffen waartoe de feiten in redelijkheid geen aanleiding geven. Bepaalde aspecten mogen dus worden uitvergroot in een column, maar moeten wel steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal.”

De rechtbank meent verder dat de nieuwe column herleidbaar was en acht de beschuldigingen onrechtmatig en veroordeelt Metro uitgever tot een schadevergoeding van EUR 10.000,-.

Dit vonnis is naar mijn mening problematisch.

Een column mag van de rechtbank niet ‘nodeloos grievend’ zijn. Het lijkt erop alsof dat zinnetje een beetje per ongeluk in het vonnis terecht is gekomen. Althans, dat hoopt de Mediareport redactie. Het EHRM beschermt immers ook het recht “to offend, shock or disturb” en een column bij uitstek een plek is waarin ‘nodeloos grievende’ uitingen (wat dat ook moge betekenen) een plek hebben en kwetsende uingen niet bepaald uitzonderlijk zijn, laat staan verboden.

De rechtbank lijkt hier (per ongeluk?) een veel te strenge grens te trekken, die bovendien in deze zaak ook niet nodig was om tot hetzelfde oordeel te komen. Deze zaak ging er nu juist om dat dit volgens de rechtbank niet zo maar opinies of verwensingen waren, of kwetsende uitingen, maar feitelijke beschuldigingen van een ernstig strafbaar feit. Waarom de rechtbank dan overweegt dat een column niet nodeloos zou mogen grieven is onduidelijk. En kwalijk. Als dit daadwerkelijk het recht zou zijn, zou dat voor veel heel columnisten betekenen dat ze moeten inbinden.

Bijgaand de prachtige cartoon van onze voormalige collega Willem van Manen, die zich altijd (terecht) druk maakte over rechters die naar zijn idee te veel strooiden met de term ‘onnodig grievend’.

Wij hopen dat columnisten gewoon gebruik blijven maken van hun recht om onnodig te grieven.

Quirine Tjeenk Willink naar Kennedy Van der Laan

Door Redactie

Het mediateam van Kennedy Van der Laan is heel blij te kunnen melden dat Quirine Tjeenk Willink sinds deze week bij Kennedy Van der Laan is gestart als partner regulatory litigation en privacy. Dat betekent ook een fantastische versterking voor onze mediapraktijk, bijvoorbeeld voor frequentievraagstukken, issues rond de Mediawet en andere reguleringskwesties waar media- en telecombedrijven mee worden geconfronteerd.

Quirine heeft meer dan 15 jaar ervaring in de advocatuur en vertegenwoordigt al jaren partijen in de telecom- en mediasector.

Na ruim een jaar als general counsel in de directie van energienetwerkbedrijf Alliander N.V. keert ze terug in de advocatuur als partner bij Kennedy van der Laan. Tjeenk Willink was voor Alliander onder meer partner en hoofd privacy & data protection bij Bird & Bird en deed ruim 11 jaar ervaring op als counsel bij advocatenkantoor Allen & Overy.

Foto’s over de vriend van Dionne Stax in Story niet onrechtmatig

Door Joost Lichtendahl

In het tijdschrift Story is op 31 juli 2018 een aantal foto’s en een artikel gepubliceerd over de (nieuwe) vriend van nieuwslezeres Dionne Stax. De vriend van Stax is daarop een kort geding gestart bij de voorzieningenrechter in Amsterdam waarin hij onder meer heeft gevorderd iedere verdere verspreiding van de foto’s te verbieden omdat dit inbreuk zou maken op zijn privacy. De voorzieningenrechter

wijst het gevorderde verbod af.

Stax is een bekende Nederlander die volop in het nieuws staat en de publiciteit niet schuwt. Daarnaast vervult Stax volgens de voorzieningenrechter vanwege haar uitspraken en levensstijl voor veel vrouwen van haar leeftijd die ook een carrière nastreven een voorbeeldfunctie. Om deze redenen gaat het nieuws dat ze een nieuwe vriend heeft verder dan alleen het voldoen aan nieuwsgierigheid van het publiek.

Bovendien oordeelt de voorzieningenrechter dat de nieuwe vriend van Stax door zijn relatie met haar zelf ook een ‘min of meer publieke figuur [is] geworden en onderwerp van ‘entertainmentnieuws’ met, zij het in geringe mate, nieuwswaarde’. Van hem mag daarom op het gebied van blootstelling aan publiciteit meer worden gevergd dan van de gemiddelde onbekende burger.  

Verder overweegt de voorzieningenrechter in het kader van een belangenafweging dat de foto’s illustratief zijn voor het artikel, niet diffamerend zijn, niet zijn genomen in een intieme setting en evenmin tot stand zijn gekomen als gevolg van hinderlijk volgen, zoals de vriend van Stax tevergeefs had aangevoerd. Bovendien heeft Sanoma toegezegd de foto’s niet verder te zullen verspreiden zonder dat daartoe een journalistieke reden bestaat. Het artikel zelf is verder ook niet negatief van aard. Onder deze omstandigheden is de publicatie van de foto’s en het artikel niet onrechtmatig.

Ten slotte slaagt ook het beroep op de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) niet omdat Sanoma een beroep kan doen op de journalistieke uitzondering voor het verwerken van persoonsgegevens.

De slotsom luidt dat alle vorderingen worden afgewezen.

❌