[Contact]

Nieuwskop.nl Nieuwskoppen Nederland

πŸ”’
❌ Over FreshRSS
Er zijn nieuwe artikelen beschikbaar, klik om de pagina te vernieuwen.
OuderMedia Report

HvJEU: E-mail-, IP-adres en telefoonnummer zijn geen β€˜adres’ dat rechthebbenden kunnen vorderen

Door Nienke de Visser

De films ‘Scary Movie 5’ en ‘Parker’ zijn geüpload op YouTube, waar ze tienduizenden keren zijn bekeken. Dit is uiteraard tegen het zere been van filmdistributeur en producent Constantin Film Verleih, die in Duitsland de exclusieve gebruiksrechten heeft op deze films. Om te achterhalen wie verantwoordelijk zijn voor het uploaden richt Constantin Film Verleih zich tot YouTube (en moederbedrijf Google). Gebruikers kunnen hier immers pas een video uploaden nadat zij een account hebben aangemaakt, waarbij naam, e-mailadres en geboortedatum ingevuld moeten worden. Bovendien vraagt YouTube een telefoonnummer dat geverifieerd wordt met een activatiecode voordat het mogelijk is om video’s van langer dan 15 minuten te plaatsen. YouTube en Google weigeren  gegevens over de uploaders te verstrekken. Dat leidt tot een juridische procedure waarin Constantin Film Verleih inzage vordert in de e-mailadressen, mobiele telefoonnummers en IP-adressen, samen met het exacte moment waarop de films werden geüpload én het IP-adres dat de gebruikers het laatst hebben gebruikt om via hun Google-account toegang te krijgen tot YouTube en het tijdstip waarop gebruikers voor het laatst hebben ingelogd op YouTube.

Op basis van de Handhavingsrichtlijn kunnen rechterlijke instanties bevelen dat informatie wordt verstrekt over de herkomst en distributiekanalen van de goederen en diensten die inbreuk maken op een IE-recht.  Het gaat hierbij onder meer om informatie over de adressen van leveranciers en producenten van inbreukmakende goederen en diensten. Kan het begrip ‘adres’ zo ruim worden uitgelegd dat dit ook de gevorderde (informatie over) e-mailadressen, telefoonnummers en IP-adressen van de inbreukmakers omvat? Met die prejudiciële vraag wendt de Duitse rechter zich tot het HvJEU.

Het Hof wil hier niets van weten en merkt op dat ‘adres’ in de omgangstaal enkel de betekenis heeft van postadres. Ook uit de totstandkoming van de richtlijn blijkt op geen enkele manier dat er meer gegevens zijn bedoeld dan het postadres. Bovendien wordt  er binnen het Unierecht nooit gesproken van een ‘adres’ als het gaat om een e-mail- of IP-adres, zo constateert het Hof in de zaak Constantin / YouTube.

Kortom: het Hof ziet geen reden om aan te nemen dat een ‘adres’ meer omvat dan het postadres. In dit kader merkt het hof nog op dat er in de richtlijn is gekozen voor minimumharmonisatie en dat het lidstaten dus vrijstaat om houders van IE-rechten ruimere rechten op informatie toe te kennen. Hierbij moet wel een juist evenwicht worden gevonden tussen het recht op informatie van rechthebbenden en het recht op bescherming van persoonsgegevens van de gebruikers.

Geen persoonlijke aansprakelijkheid journalisten: hof vindt uitzending EenVandaag over injectienaalden Terumo toch niet onrechtmatig

Door Evi Kersbergen

In 2015 besteedde EenVandaag met twee uitzendingen aandacht aan de praktijken binnen Terumo, een bedrijf dat medische apparatuur verkoopt. In deze uitzendingen verklaarden onder andere klokkenluiders dat het productie- en controleproces van injectienaalden, stents en hartkatheters van Terumo ondeugdelijk is. Terumo meende dat zij in deze uitzendingen ten onrechte van misstanden werd beschuldigd, waardoor zij miljoenen schade heeft geleden, omdat ziekenhuizen, GGD-instellingen en farmaceuten producten hebben teruggestuurd en orders hebben stopgezet. Terumo stelde AVROTROS en de twee betrokken individuele journalisten aansprakelijk voor deze schade. De rechtbank Amsterdam ging hierin mee, omdat EenVandaag de beschuldigingen dat injectienaalden, stents en hartkatheters van Terumo ondeugdelijk zouden zou hebben waargemaakt. De rechtbank oordeelde dat de uitzending onrechtmatig was en veroordeelde de twee betrokken journalisten en de omroep hoofdelijk om de schade te vergoeden. Wij schreven daar eerder over op MediaReport.

Dat journalisten, naast hun werkgever, persoonlijk aansprakelijk worden gesteld voor schade die voortvloeit uit een publicatie komt niet vaak voor. Rechters zijn daar zeer terughoudend in (zie bijvoorbeeld MR 2016-019 en MR 2020-013). Dit omdat persoonlijke aansprakelijkheid voor journalisten “een mogelijk (‘chilling’) effect [zou] kunnen hebben op de journalistiek in het algemeen (…) waardoor de rol van de journalistiek in het maatschappelijk debat in een democratische rechtsstaat mogelijk wordt uitgehold.” (MR 2020-013). Dit was een van de redenen waarom AVROTROS en de journalisten in hoger beroep gingen.

In een uitgebreid arrest komt het hof Amsterdam tot het oordeel dat de uitzendingen van EenVandaag niet onrechtmatig zijn. Een klacht van Terumo is dat AVROTROS alleen is afgegaan op uitlatingen van “rancuneuze anonieme klokkenluiders”, maar het hof overweegt dat een zekere waarde gehecht mocht worden aan de beweringen van de klokkenluiders nu een van hen zich bij Terumo had beziggehouden met kwaliteitsbewaking. Daarnaast beschikte AVROTROS over interne stukken die op het eerste gezicht de stelling van de klokkenluiders bevestigden. Ook heeft Terumo een groot aantal beschuldigingen uit de eerste uitzending erkend.

Een andere klacht van Terumo betrof de onvolledigheden en onjuistheden van de uitzendingen. Terumo stelt onder andere dat zij ten onrechte ervan wordt beschuldigd dat de door haar geproduceerde injectienaalden een gevaar voor de gezondheid van mensen vormen, terwijl uit onderzoek van het RIVM is gebleken dat de gezondheidsrisico’s verwaarloosbaar zijn. Dit gaat volgens het hof niet op en zij overweegt dat  “in de uitzending slechts de mogelijkheid van gezondheidsrisico’s worden geopperd en niet wordt beweerd dat die risico’s daadwerkelijk aanwezig zijn. [...] AVROTROS c.s. heeft in die feiten en oordelen van deskundigen voldoende aanleiding kunnen zien om in de uitzending het risico voor de gezondheid aan de orde te stellen.“. Ook speelt volgens het hof mee dat het rapport van het RIVM pas na de uitzending van EenVandaag gepubliceerd is en AVROTROS daardoor geen rekening heeft kunnen houden met de inhoud daarvan.

Ook het punt van Terumo dat AVROTROS niet zorgvuldig wederhoor heeft toegepast gaat niet op. AVROTROS heeft voordat zij haar interview met Terumo voor de camera afnam Terumo een aantal vragen toegestuurd die aan bod zouden komen. Volgens het hof heeft AVROTROS hiermee voldoende duidelijk aangegeven over welk onderwerp zij Terumo vragen wilde stellen. Het hof oordeelt: “Terumo kan zich aan de hand daarvan, naar aangenomen mag worden, met bij haar aanwezige dossiers in voldoende mate voorbereiden op vragen over het onderwerp” en “Terumo kan evenmin ervan uitgaan dat AVROTROS c.s. zich in het interview beperkt tot de vier schriftelijk aangekondigde vragen. Deze geven naar zij mag verwachten slechts het kader weer waarbinnen de vraagstelling zich zal begeven. Niet is gebleken dat AVROTROS c.s. buiten dat kader is getreden.”. Ook oordeelt het hof dat wat betreft de gezondheidsrisico’s aandacht is besteed aan het standpunt van Terumo in de uitzending en dat daardoor een zeker evenwicht in de berichtgeving tot stand is gekomen.

Terumo had er ook nog op gewezen dat haar productieproces hetzelfde is als bij andere fabrikanten van injectienaalden. Het hof oordeelt hierover:

Dat maakt echter niet dat AVROTROS c.s. geen aandacht mag besteden aan problemen die zich in het productieproces van Terumo voordoen en die blijken uit de verklaring van de klokkenluider en de interne stukken van Terumo. Dat AVROTROS c.s. aandacht besteedt aan die problemen leidt evenmin tot de verplichting ook aandacht te besteden aan de gang van zaken bij andere fabrikanten, alleen al omdat niet op voorhand vaststaat dat bij die andere fabrikanten dezelfde problematiek speelt, laat staan dat AVROTROS c.s. over bronnen beschikt die dat in voldoende mate bevestigen.

Het hof gaat daarnaast niet mee in het punt van Terumo dat het gebruik van vertrouwelijke (gelekte) documenten in een journalistieke uiting op zichzelf genomen onrechtmatig is. “Dat zou immers tot het ongewenste resultaat leiden dat onderzoeksjournalistiek op basis van dergelijke stukken onmogelijk zou zijn.”

Samenvattend oordeelt het hof dat de beweringen in de eerste uitzending grotendeels voldoende steun in het beschikbare feitenmateriaal vinden en worden ondersteund door meerdere bronnen. Deze uitzending bevat enkele onjuistheden, maar deze zijn van onvoldoende gewicht om de uitzending onrechtmatig te achten, aldus het hof. De tweede uitzending bevat weliswaar uitspraken van een klokkenluider die niet door bronnen worden ondersteund, maar het hof is van oordeel dat Temuro die beweringen niet heeft tegengesproken of ontkracht, terwijl zij daar wel voor in de gelegenheid is gebracht. “Alles afwegende komt het hof, anders dan de rechtbank, tot de conclusie dat AVROTROS c.s. met de uitzendingen niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens Terumo.

Gemeenteraadslid handelt niet onrechtmatig door het gebruik van de term β€˜boevenclub’

Door Evi Kersbergen

Op 17 maart 2020 verschijnt in het Algemeen Dagblad een artikel over een brief die huurders (verschillende horecaondernemers) van het Rotterdamse Marcan Vastgoed hebben ontvangen over hun huurbetalingsverplichtingen. De brief wijst huurders op de “meerdere middelen die de overheid ter beschikking stelt om de gevolgen van het coronavirus in te dammen.”. De timing en de toon van de brief valt bij verschillende ondernemers niet in de smaak. Zo ook bij Tak, gemeenteraadslid in Rotterdam, die het artikel deelt op Twitter met daarbij de tekst:

Marcan Vastgoed de grootste boevenclub van @rotterdam. Vorig jaar heb ik samen met @ChantalZeegers en @diekevgroningen aan de gemeente [gevraagd] om in te grijpen bij asociale huurverhogingen. Nu knijpen ze ondernemers in nood uit. Echt walgelijk!”.

Na een soortgelijk artikel in de Telegraaf deelt Tak ook dit artikel op Twitter met de volgende tekst:

Vorig jaar nog kneep Marcan Vastgoed ondernemers uit en confronteerde zij hen met huurverhogingen van 100% of meer. Nu grijpen ze #Corona aan om ondernemers in MaHo onder druk te zetten. Marcan dreigt met boetes voor ondernemers die hun volledige omzet hebben zien wegvallen. Geen goed woord voor over. Vandaag roep ik in De Telegraaf op om Marcan uit te kopen. Wat mij betreft vertrekken ze zo snel mogelijk uit Rotterdam.

Marcan vindt dat de Twitterberichten kwalificeren als smaad en laster en start een kort geding waarin zij onder andere verwijdering van de Twitterberichten en een rectificatie vordert.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de bedrijfsvoering van Marcan niet onopgemerkt is gebleven en onderwerp is van publiek debat. Hierbij neemt de rechter in overweging dat vanaf de zomer van 2018 in de media aandacht is besteed aan de opzegging door Marcan van verschillende huurovereenkomsten en dat de bedrijfsvoering van Marcan ook binnen de gemeente besproken is. Ook heeft Marcan volgens de voorzieningenrechter door de coronacrisis opnieuw aandacht gekregen op sociale media. Naar oordeel van de voorzieningenrechter stond het Tak “gelet ook op zijn rol als gemeenteraadslid, vrij om zijn mening over de handelwijze van Marcan op deze wijze te uiten, nu de bedrijfsvoering reeds onderwerp was van publiek en politiek debat en zowel Marcan als Tak daarin van elkaar afwijkende standpunten hadden ingenomen.” Volgens de voorzieningenrechter volgt uit de berichten van Tak duidelijk dat hij in lijn met zijn eerdere opvattingen opnieuw een positie inneemt in dit publieke debat en hierdoor een waardeoordeel geeft over de handelwijze van Marcan.

Verder oordeelt de voorzieningenrechter dat “Tak in zijn berichten de artikelen uit het Algemeen Dagblad en De Telegraaf deelt en in die artikelen de standpunten van Marcan en Tak helder uiteen zijn gezet.”. Ook oordeelt de voorzieningenrechter: “Hoewel de gekozen bewoordingen fel van aard zijn – en hoezeer met een neutralere woordkeuze eenzelfde boodschap afgegeven had kunnen worden – dient Marcan zich dit te laten welgevallen”. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat Marcan een relevante speler is op de Rotterdamse vastgoedmarkt en daarmee een zekere publieke rol inneemt. Tot slot oordeelt de voorzieningenrechter dat aannemelijk is “dat de door Tak gekozen bewoordingen door zijn volgers niet zonder meer letterlijk zullen worden begrepen. Nu uit de krantenberichten volgt dat Marcan en Tak andersluidende opvattingen hebben, zal het commentaar van Tak in die context worden gelezen. Aannemelijk is dat het woord “boevenclub” in meer overdrachtelijke zin zal worden opgevat.

De voorzieningenrechter concludeert dat het recht van Tak op vrijheid van meningsuiting zwaarder weegt dan het recht van Marcan op eer en goede naam en wijst de vorderingen van Marcan af.

Hof Amsterdam: gebruik verborgen camera Undercover in Nederland niet onrechtmatig

Door Lotte Oranje

In oktober 2016 zond SBS een aflevering van ‘Undercover in Nederland’ uit over het sluiten van illegale polygame huwelijken. De uitzending liet zien dat er in Nederland imams zijn die dergelijke huwelijken inzegenen, ondanks dat dit verboden is in Nederland. Een vrouwelijke medewerker van het programma gaat undercover op zoek naar een man die al getrouwd is en ook met haar wil trouwen. Deze vindt ze, en samen met deze man en twee getuigen (ook medewerkers van het programma) gaan ze langs bij een imam in een moskee. Het gesprek dat ze daar hebben wordt met een verborgen camera opgenomen en verwerkt in de uitzending. Tijdens de uitzending wordt de imam herkenbaar in beeld gebracht, maar zijn naam wordt niet genoemd.

In het opgenomen gesprek vertelt de medewerkster van Undercover in Nederland de imam dat haar beoogde aanstaande al getrouwd is met twee andere vrouwen. De imam laat weten dat hij daar geen probleem mee heeft:

Vrouw: “Ik vind het wel belangrijk, ook in het geloof, dat de imam erachter staat, dat hij wel zijn zegen geeft.
Imam: “Natuurlijk krijg jij de zegen.
[...]
Imam: “Willen jullie zo’n akte? Dat is dus niet in Nederland geldig. Het is een bewijs, sterker nog, het mag niet in verkeerde handen komen. Officieel mag het niet gebeuren.

Wanneer presentator Alberto Stegeman na dit gesprek de imam confronteert ontkent hij zijn medewerking aan illegale polygame huwelijken. Na de uitzending start de imam een procedure tegen SBS. Hij eist schadevergoeding vanwege schending van zijn privacy en klaagt onder meer over het gebruik van de verborgen camera om het gesprek op te nemen en het feit dat hij herkenbaar in beeld is gebracht in de uitzending.

De rechtbank Amsterdam oordeelde in 2018 dat SBS niet onrechtmatig heeft gehandeld en wees de eisen af. Daarbij woog de rechtbank onder meer de ernst van de gestelde misstand, de positie van de imam (de imam moet als publiek figuur worden aangemerkt) en het gegeven dat de uitzending alleen over zijn professionele handelen ging mee. De imam stelde hoger beroep in tegen dit vonnis.

Het hof Amsterdam overweegt allereerst dat sprake is van een misstand. Volgens het hof blijkt uit de uitzending dat de imam wist dat het illegaal was om mee te werken aan het gevraagde huwelijk, onder meer omdat hij stelde dat de akte van dat huwelijk “niet in de verkeerde handen mag komen“. Ook blijkt volgens het hof uit de beelden en de inhoud van het gesprek dat de imam de intentie had de vrouw en de man desgewenst te helpen het verbod op polygamie te overtreden. Dit acht het hof een misstand, onder meer omdat:

het hof bij het bekijken van de uitzending heeft geconstateerd dat in een substantieel deel van de uitzending door ervaringsdeskundigen aandacht is besteed aan de ernstige gevolgen die een polygaam huwelijk kan hebben voor de vrouw, zoals jarenlang gevangen zitten in zo’n huwelijk. De uitzending voldoet aldus aan de eis dat het gaat om journalistieke aandacht voor een misstand die de samenleving raakt.

De uitingen in het programma over deze misstand vinden naar oordeel van het hof voldoende steun in de feiten. Het hof weegt daarbij ook de inhoud van de beelden die met de verborgen camera zijn opgenomen mee. De imam had nog betoogd dat deze beelden misleidend zouden zijn geknipt en geplakt in de uitzending, maar het hof verwerpt na het zien van de ruwe beelden deze stelling.

De imam had daarnaast nog aangevoerd dat het gebruik van de verborgen camera op zichzelf al onrechtmatig zou zijn. Het hof gaat daar niet in mee. SBS had naar oordeel van het hof voldoende informatie om te menen dat sprake kon zijn van een ernstige maatschappelijke misstand, terwijl zij geen andere middelen had om hier nadere opheldering over te verkrijgen. Bovendien zijn de opnamen belangrijk voor het aan de kaak stellen van de misstand:

De gemaakte opnamen laten zien hoe gemakkelijk het is op illegale wijze polygame religieuze huwelijken te sluiten in een moskee in Nederland. Het hof acht de zeggingskracht van deze opnamen groot en functioneel voor het aan de kaak stellen van de gesignaleerde misstand.” 

Deze omstandigheden leiden het hof verder tot de conclusie dat de imam herkenbaar in beeld gebracht mocht worden in de uitzending, waarbij ook meeweegt dat “met het herkenbaar in beeld brengen van [de imam] derden worden beschermd tegen [zijn praktijken]“. Net als de rechtbank acht het hof daarbij van belang dat hij niet als privé-persoon handelde, maar in zijn professionele hoedanigheid als imam, en dat zijn naam niet is genoemd in de uitzending.

Noch de inzet van de verborgen camera, noch de uitzending zijn al met al onrechtmatig jegens de imam. Net als de rechtbank wijst daarom ook het hof zijn eisen af.

Kantonrechter: €100,- per foto voor gebruik zonder toestemming, geen volledige proceskostenveroordeling

Door Alexandra van Lier

Wat de hoogte van de schadevergoeding bij het online gebruik van foto’s zonder toestemming van de rechthebbende moet zijn blijft de gemoederen bezighouden. Een recente zaak draaide om het gebruik van drie foto’s door Omroep Gelderland bij nieuwsartikelen op haar website zonder toestemming van de fotografe. De fotografe eiste voor het gebruik van de drie foto’s een schadevergoeding van €1749,00 bestaande uit misgelopen licentievergoeding (€ 360 per foto, per jaar) en buitengerechtelijke kosten. Omroep Gelderland stelt echter dat een bedrag van  €187,50 voor het gebruik van de drie foto’s redelijk is, nu het gebruikelijke tarief in de markt voor dit soort gebruik volgens haar €50,- per foto is. De fotografe start een procedure bij de kantonrechter, die oordeelt dat een vergoeding van €100,- per foto redelijk is.

De kantonrechter te Arnhem beoordeelt eerst de vraag hoe de schadevergoeding moet worden vastgesteld. Dit kan volgens de kantonrechter “op basis van elementen, zoals ten minste het bedrag aan royalty’s of vergoedingen dat verschuldigd was geweest indien de inbreukmaker toestemming had gevraagd” voor het gebruik. Hierbij is van belang wat het gebruikelijke bedrag is dat de rechthebbende zou vragen voor toestemming voor gebruik. De fotografe voert aan dat zij een standaardtarief hanteert van €360,- per foto per jaar. Dit zou blijken uit de tarievenlijst die in haar studio hangt en facturen aan derden. Verder sluit dit tarief volgens de fotografe aan bij de tarievenlijst van Stichting Foto Anoniem voor het online gebruik van foto’s.

Rechters passen deze tarieven soms toe in soortgelijke zaken (zie bijvoorbeeld MR 2013-044), maar er is ook kritiek op het gebruik van de tarievenlijst van Stichting Foto Anoniem bij het beoordelen van een schadevergoeding. De tarieven zouden zijn opgesteld door fotografen (en dus niet onafhankelijk zijn), en een extra ‘opslag’ bevatten bovenop de gebruikelijke tarieven (zie MR 2019-020).

De kantonrechter stelt vast dat het uitgangspunt bij de beoordeling van de omvang van de geleden schade het ‘fictieve scenario’ moet zijn waarin “voor het gebruik toestemming [was] gevraagd en dus overeenstemming was bereikt over de hoogte van de vergoeding.” In dat scenario moet worden aangeknoopt bij het tarief dat de rechthebbende normaal gezien hanteert. Dan moet wel bewezen worden dat dit echt het gebruikelijke tarief is dat wordt gerekend. De kantonrechter oordeelt dat in deze zaak niet vast is komen te staan dat de fotografe echt €360,- per foto per jaar rekent voor het gebruik bij nieuwsartikelen.

Omdat de tarieven van de fotografe dus geen aanknopingspunt bieden voor het begroten van de schade, begroot de rechter de schade aan de hand van wat gebruikelijk is in de markt. De kantonrechter oordeelt dat de tarieven van Stichting Foto Anoniem daarvoor niet kunnen worden gebruikt:

Omroep Gelderland heeft in dit verband aangevoerd (en met stukken onderbouwd) dat in de persfotografie andere tarieven gelden dan de tarieven van Stichting Foto Anoniem. Dit is door [eiseres] niet weersproken. Zij stelt echter dat dit tarief niet voor haar geldt. Daarmee heeft [eiseres] onvoldoende gemotiveerd gesteld dat de tarieven van Stichting Foto Anoniem voor dit soort gebruik als marktconform kunnen worden aangemerkt.“.

Volgens de rechter kan het door Omroep Gelderland gehanteerde tarief van €50,- wel als aanknopingspunt dienen om de schade te begroten:

Blijkens de vergelijkbare tarieven die door de Persgroep worden gehanteerd, is dit een marktconform tarief. [...] Dat [eiseres] geen persfotograaf is, staat, gezien het hier om een abstracte methode van schadeberekening gaat, aan het toepassen van dit tarief niet in de weg.

De rechter oordeelt schattenderwijs dat hoewel het marktconforme tarief €50,- is, dit is gebaseerd op regelmatige afname van foto’s. Een eenmalige afname zoals hier rechtvaardigt naar zijn oordeel een hoger tarief, dat wordt geschat op €100,- per foto. De door de fotografe geleden schade wordt daarmee begroot op €300,- (plus nog €40,- aan buitengerechtelijke kosten).

De fotografe had vergoeding van haar volledige proceskosten geëist, zoals gebruikelijk in IE-zaken. Dit wijst de kantonrechter echter af: “nu het een eenvoudige inbreukkwestie betreft, met een beperkt feitencomplex, beschouwt de kantonrechter deze zaak als een zeer eenvoudige, niet bewerkelijke bodemzaak, waarvoor het liquidatietarief geldt.

In deze zaak werd Omroep Gelderland bijgestaan door Christien Wildeman en Lotte Oranje.

Jens van den Brink and Emiel Jurjens contribute to International Libel and Privacy Handbook

Door Emiel Jurjens

Privacy Handbook - LexisNexis" src="http://www.mediareport.nl/wp-content/uploads/2020/08/Cover-Intl-Libel-and-Privacy-Handbook-LexisNexis2-150x150.gif" alt="" width="150" height="150" lazyload="" postpone="">The fifth edition of the internationally renowned International Libel and Privacy Handbook has just been published by LexisNexisJens van den Brink and Emiel Jurjens wrote the chapter on libel and privacy law in The Netherlands.

The Handbook contains practical and concise answers for media content providers worldwide to questions which are directly relevant to everyday journalistic practice in many countries. Questions discussed include who can sue for libel and on what grounds, the varying interpretations of the right to privacy in different countries and legal aspects of various journalistic methods (such as recording and/or broadcasting conversations).

The Handbook is available now both as e-book and print book.

Rechter: Artikel NRC over omstreden betalingen Tebodin en betrokkenheid ex-bestuursvoorzitter niet onrechtmatig

Door Lotte Oranje

In juni 2018 publiceert NRC een artikel over het ingenieursbureau Tebodin. Het artikel beschrijft hoe Tebodin jaren achtereen in meerdere landen ambtenaren betaalde via derden, om opdrachten, vergunningen, licenties en certificaten te regelen voor klanten. Volgens het artikel heeft de toenmalige bestuursvoorzitter van Tebodin in de periode van 2013 tot 2015 twee omstreden betalingen goedgekeurd, in Abu Dhabi en India. De toenmalige bestuursvoorzitter is het niet eens met de manier waarop hij wordt neergezet in het artikel en claimt dat hij schade lijdt door het artikel. Hij start daarom een bodemprocedure waarin hij onder andere rectificatie, verwijdering van het artikel en schadevergoeding eist. Bij vonnis van 29 juli 2020 heeft de rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan en alle eisen afgewezen.

Eiser heeft niet alleen NRC gedagvaard, maar ook de journalist die het artikel geschreven heeft. Dit acht de rechter onterecht. Er is geen reden aanwezig om persoonlijke aansprakelijkheid van de journalist aan te nemen. Daarbij geldt dat eventuele persoonlijke aansprakelijkheid voor journalisten “een mogelijk (‘chilling’) effect [zou] kunnen hebben op de journalistiek in het algemeen (…) waardoor de rol van de journalistiek in het maatschappelijk debat in een democratische rechtsstaat mogelijk wordt uitgehold.

De rechter beoordeelt daarna de zaak tegen NRC en overweegt in dat kader dat er geen beroep gedaan kan worden door eiser op artikel 8 EVRM (recht op eerbiediging van privéleven). De rechter oordeelt: “In het artikel ontbreekt echter enige mededeling over het persoonlijke leven van [eiser] , zoals NRC ook heeft aangevoerd. De stelling van [eiser] dat sprake is van een indringende inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer wordt dan ook als onvoldoende onderbouwd verworpen”.

De rechter beoordeelt vervolgens of er voldoende steun in de feiten is voor de beschuldigingen. Dat is het geval: NRC had verschillende bronnen – onderzoeksrapporten naar de verdachte betalingen van Tebodin, e-mailcorrespondentie en verklaringen van medewerkers van Tebodin – die haar conclusies in het artikel onderschrijven. Mede hierdoor komt de rechter tot het oordeel dat:

het artikel door NRC degelijk en voldoende wordt ondersteund door de voor haar bekende feiten. NRC heeft in het artikel over de conclusies van de onderzoekers een eigen waardeoordeel geuit over de praktijk binnen Tebodin en de rol van [eiser] in die organisatie en concreet bij twee (volgens KPMG India en S&S verdachte) betalingen. Dat is niet onrechtmatig omdat een dergelijke vrijheid toekomt aan NRC bij de uitoefening van haar journalistiek bedrijf. Dat [eiser] over de door KPMG India en S&S onderzochte feiten een andere mening heeft dan de onderzoekers, en dus ook NRC, speelt geen rol bij beoordeling van de vraag of NRC zich heeft gebaseerd op onafhankelijk opgesteld feitenmateriaal bij haar publicatie of de onrechtmatigheid van de publicatie.

De ex-bestuursvoorzitter had ook aangevoerd dat er geen reden was om zijn naam te noemen in het artikel. De rechter acht dit echter gerechtvaardigd, en overweegt dat NRC een grote mate van vrijheid heeft in de wijze waarop het artikel wordt verwoord of wordt vormgegeven. Daarnaast is van belang “dat indien het artikel bijdraagt aan het publieke debat deze keuzevrijheid in nog mindere mate mag worden beperkt”. Het (mogelijk) betalen van steekpenningen door een Nederlandse dochter van een beursgenoteerd bedrijf is een misstand die het Nederlandse publiek kan interesseren, en kan volgens de rechter het publieke debat in Nederland dan ook dienen. Ook overweegt de rechter dat het noemen van de naam een specifieke functie diende: “Daarnaast heeft NRC haar artikel door het noemen van de naam van [eiser] , de door haar van KPMG India en S&S overgenomen conclusies concreet gemaakt zonder andere [functie] van lokale Tebodin organisaties, mogelijk ten onrechte, impliciet of expliciet te beschuldigen, zoals NRC terecht heeft betoogd.

Verder acht de rechter de ex-bestuursvoorzitter een publiek figuur. Hij bekleedde bij Tebodin, een beursgenoteerd concern, een hoge functie. Dat maakt dat hij kan worden gezien als een persoon die een belangrijke of verantwoordelijke functie bekleedt (en dus een publiek figuur). Ook overweegt de rechter: “Bovendien is de persvrijheid niet beperkt tot publiceren over publieke figuren. Iedereen kan worden getroffen door een publicatie over hem/haar. Wel geldt voor publieke figuren dat zij meer te dulden hebben dan anderen bij een publicatie die hen betreft en de wijze waarop die publicatie is vormgegeven (in woord en beeld).

Dan gaat de rechter in op de stelling van eiser dat er geen wederhoor is gepleegd. NRC heeft op verschillende manieren gevraagd om een reactie (via e-mail en LinkedIn) en dat acht de rechter voldoende. Daarnaast overweegt de rechter dat niet duidelijk zou zijn geweest wat wederhoor zou hebben toegevoegd: “Volgens NRC zou dit niet verder zijn gegaan dan wat in deze procedure door [eiser] is gesteld en dat zou volgens haar niet hebben geleid tot een andere publicatie. Gelet op alles wat hiervoor is overwogen, wordt dat betoog van NRC gevolgd. De stelling van [eiser] over het niet hebben kunnen geven van wederhoor, is op zich dan ook geen omstandigheid waaruit kan worden afgeleid dat de publicatie van het artikel door NRC onrechtmatig jegens hem is.

Tot slot verwerpt de rechter de stelling dat de ex-bestuursvoorzitter als gevolg van de publicatie geen ander werk meer kan vinden en daar schade door lijdt: “De door [eiser] gestelde consequenties zijn ook het gevolg van de feiten uit de onderzoeksrapporten van KPMG en S&S en de door hen getrokken conclusies, die worden bevestigd door Bilfinger, de voormalige werkgever van [eiser] . Het artikel bericht hierover. Dat dergelijke berichtgeving consequenties heeft voor [eiser] kan NRC niet worden verweten, zeker niet als dit zou leiden tot een beperking van haar uitingsvrijheid – en die van de journalistiek in het algemeen“.

NRC werd in deze zaak bijgestaan door Christien Wildeman en Emiel Jurjens.

Hof Amsterdam bevestigt: €13.000 aan proceskosten vorderen in inbreukzaak over 1 foto is buitensporig

Door Evi Kersbergen

In de zomer van 2017 maakt een vrouw met haar telefoon een foto van de uitvoering van de musical ‘The Bodyguard’, waarop meerdere acteurs van de musical te zien waren. De foto werd in een plaatselijk krantje en op de online website gepubliceerd, zonder naamsvermelding. Dit was reden voor de maakster van de foto om naar de kantonrechter te stappen. Ze vorderde van Rodi Media, de exploitant van de website, onder andere een schadevergoeding van €841,25 gebaseerd op de tarievenlijst van Stichting Foto Anoniem en €12.920,51 aan proceskosten.

De kantonrechter wees een bedrag van €426,- aan schadevergoeding toe (een bedrag dat de maakster aanvankelijk in het kader van een schikking bereid was te accepteren), omdat er geen sprake was van een commercieel belang, de maakster eerder de foto voor twee kaartjes ter beschikking had gesteld en daarnaast onvoldoende is gebleken dat zij een professionele fotograaf is. Volgens de kantonrechter leidden deze omstandigheden tot onvoldoende aanknopingspunten om tot een schadeberekening aan de hand van de Stichting Foto Anoniem te komen (zie voor een vergelijkbaar oordeel MR 2019-020). De vordering tot vergoeding van de volledige proceskosten werd afgewezen en de proceskosten werden gecompenseerd, waardoor iedere partij haar eigen kosten draagt. Hierbij overwoog de kantonrechter nog ten overvloede dat de door de gemachtigde van de maakster ingediende berekening van de kosten tot een bedrag van € 12.920,51 buitensporig is en dat het auteursrecht bedoeld is om aan auteurs van werken een gerechtvaardigde vergoeding te geven voor het vervaardigde werk en niet voor het opdrijven van een vergoeding voor de gemachtigden, wat ook niet in het belang van de auteursrechthebbende is.

De maakster gaat in hoger beroep en stelt daar onder andere dat de proceskosten door toedoen van Rodi Media noodzakelijk" rel="nofollow" target="_blank">zakelijk zijn gemaakt en het recht op volledige proceskostenveroordeling in IE-zaken hier van toepassing is. Het hof is het echter eens met de kantonrechter:

Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat de door [appellante] ingediende berekening in het licht van het betrokken belang buitensporig is, nog daargelaten dat het aantal gemaakte uren door Rodi Media gemotiveerd wordt betwist en dat de kantonrechter een deel van de vordering blijkens het voorgaande (rov. 3.5) terecht heeft afgewezen. Van redelijke en evenredige proceskosten kan niet worden gesproken, terwijl ook de billijkheid zich verzet tegen toewijzing.

De grieven van de maakster falen en het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter.

 

 

KRO-NCRV hoeft geen inzage te geven in beeldmateriaal over onderzoek naar fraude restaurantketen

Door Lotte Oranje

Recent heeft de voorzieningenrechter in Amsterdam uitspraak gedaan over een eis tot afgifte van het ruwe beeldmateriaal van een documentaire van Selfmade Films en KRO-NCRV. De documentaire volgt het werk van de FIOD, waarbij onder andere in wordt gegaan op het door de FIOD verrichte onderzoek naar de verdenking van belastingfraude door de eigenaar en mede-grootaandeelhouder van een restaurantketen. De verdachten in die strafzaak, die op dit moment nog loopt, vorderden in het kort geding afgifte en/of inzage van het ruwe beeld- en geluidsmateriaal dat tijdens het onderzoek zijn gemaakt. Volgens hen is het OM waarschijnlijk (mede) tot vervolging overgegaan vanwege de documentaire, en daarom zouden de beelden informatie kunnen opleveren die relevant is voor de strafzaak.

Omdat de producent afspraken had gemaakt met het OM over de inhoud van de documentaire, voerde de restaurantketen aan dat het om “een in opdracht van de Staat gemaakte propagandafilm” zou gaan. De voorzieningsrechter oordeelt daarover dat “geen gegronde reden bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de stelling van gedaagde, dat het initiatief tot het maken van de documentaire van hen is uitgegaan en dat zij de inhoudelijke en creatieve eindverantwoordelijkheid hebben“.

De voorzieningenrechter wijst erop dat “nog niet bekend is hoe de documentaire eruit zal zien, en of wanneer [deze] wordt uitgezonden. De gevraagde voorzieningen zien op ingrijpen op voorhand door inzage of afgifte aan anderen dan degenen die betrokken zijn geweest bij het maken van de film. Gezien de waakhondfunctie van de pers en een ‘chilling’ effect dat van een dergelijk ingrijpen kan uitgaan, is daarbij uiterste terughoudendheid op zijn plaats”.

Volgens de voorzieningenrechter heeft KRO-NCRV door het maken van de documentaire geen onrechtmatige inbreuk gemaakt op de privacy en hebben zij ook de reputatie van eisers niet geschonden. Volgens de restaurantketen zou de documentaire onrechtmatig zijn, omdat, door de fraudezaak als casus te gebruiken, de verdachten lichtvaardig in het verdachtenbankje zouden belanden voor het grote publiek. De voorzieningenrechter stelt echter dat “het gedaagden vrijstaat een documentaire te maken over de FIOD en belastingfraude, een onderwerp dat in de publieke belangstelling staat. Dat zij daarbij gebruik maken van een concrete casus is een journalistieke keuze die aan hen is.” Bij deze afweging speelt ook mee dat de voormalige eigenaar en mede-grootaandeelhouder publiek figuur zijn: “Gedaagden hebben terecht aangevoerd dat eisers als voormalig eigenaar en medeaandeelhouder van een grote restaurantketen met duizenden werknemers, door hun positie en hun handelwijze de publieke arena hebben betreden, dat hen daarom minder privacybescherming toekomt dan een willekeurig ander persoon”.

De restaurantketen had verder aangevoerd dat de verkrijging van sommige beelden in strijd is met het ambtsgeheim. De voorzieningenrechter oordeelt hierover dat, als dit het geval zou zijn, “dit onvoldoende is om op voorhand tot inperking van de journalistieke vrijheden over te gaan (…). Als ambtsgeheimen zijn geschonden is dat de verantwoordelijkheid van het OM en/of de FIOD die geen partij zijn in dit kort geding”. Ook het beroep van eisers op artikel 15 AVG wordt verworpen, omdat “gedaagden zich met succes kunnen beroepen op de journalistieke exceptie in de AVG”.

Het beroep van de restaurantketen op inzage op grond van artikel 843a Rv slaagt volgens de voorzieningenrechter evenmin. De restaurantketen stelt dat zij de gevorderde informatie nodig heeft voor de strafzaak, maar de voorzieningenrechter is het met gedaagden eens dat “artikel 843a RV ziet op de bewijsvergaring ten behoeve van een civielrechtelijke procedure en niet op zaken die ter beoordeling zijn aan de strafrechter.” Hierbij speelt ook mee dat de strafrechter al had geoordeeld over het verzoek tot afgifte van het ruwe materiaal en dit had afgewezen. Daarnaast geldt dat “het materiaal waarop de vorderingen van eisers zien dermate omvangrijk is dat inzage in of afgifte daarvan neer zou komen op het vissen naar informatie, oftewel een “fishing expedition” waarvoor artikel 843a Rv niet is bedoeld”.

De voorzieningenrechter ziet geen reden om de journalistieke vrijheid in te perken, en wijst alle vorderingen van de restaurantketen af.

De producent, regisseur en KRO-NCRV werden in deze procedure bijgestaan door Jens van den Brink en Lotte Oranje.

Hof Den Haag: ex-finalisten Miss India Holland mochten geruchten over seksueel wangedrag publiceren

Door Florentine Sikking

In april 2019 leidde de finale van de Miss India Holland verkiezing in Den Haag tot een onverwachte ontknoping. Vijf van de twaalf finalisten besloten zich terug te trekken uit de verkiezing. Na zeventien dagen voorbereiding vielen vijf onbekende mannen de laatste repetitie binnen en mishandelden vervolgens de organisator van het evenement. Later hoorden de vrouwen verschillende geruchten van oud-deelnemers en presentatrices over seksueel ongepast gedrag van de organisator, waarna zij besloten niet verder deel te nemen aan de verkiezing. Ook gingen er verhalen rond dat vrouwen met wie de organisator seksueel contact had gehad werden voorgetrokken in de verkiezing.

Vervolgens richtten de ex-finalisten de Facebookpagina “Miss Awareness” op. Hier wijdden zij uit over de geruchten van seksueel wangedrag over de organisator. Ook deden de ex-finalisten hun verhaal bij verschillende kranten en nieuwswebsites. De organisator van de verkiezing begon een kort geding tegen de vijf vrouwen en eiste dat zij op hun Facebookpagina en diverse nieuwsmedia een rectificatie zouden plaatsen. Zij zouden moeten verklaren dat hun beschuldigingen van seksueel misbruik of ander ontoelaatbaar gedrag niet op waarheid berustten. Daarnaast vorderde de organisator dat het de ex-finalisten verboden zouden worden zich negatief over hem en de Miss India Holland-verkiezing uit te laten. De voorzieningenrechter wees beide vorderingen af.

De organisator stelt hoger beroep in voor zover het vier van de vijf ex-finalisten betreft. Het Hof overweegt dat de beschuldigingen ernstig zijn en dat de vrouwen daardoor in hun recht stonden om bekend te maken waarom zij hun deelname aan de verkiezing hebben gestaakt. De ex-finalisten hadden vernomen dat eerdere deelneemsters die bekend waren met de geruchten monddood waren gemaakt door angst voor de organisator, hoge boetes en de geheimhoudingsclausules waaraan deelneemsters aan de verkiezing gebonden zijn. De ex-finalisten wilden nieuwe slachtoffers voorkomen, en het hof vindt dit een goede reden om de geruchten bekend te maken.

Verder overweegt het hof dat de vrouwen dit niet met de insteek hebben gedaan om de organisator te schaden. Ook blijkt uit nagenoeg alle berichten in kranten en nieuwswebsites waar de ex-finalisten hun verhaal hebben gedaan expliciet dat het gaat om geruchten. De vrouwen hebben volgens het hof voldoende aannemelijk gemaakt dat zij dit steeds zo communiceerden naar de pers. Daarnaast vindt het hof dat de ex-finalisten in alle redelijkheid er vanuit konden gaan dat de verhalen die zij hoorden over de organisator klopten. Dit stelt het hof op basis van schriftelijke verklaringen die het heeft ontvangen van de personen van wie de ex-finalisten de geruchten hebben gehoord.

Het hof concludeert dat de belangenafweging tussen de vrijheid van meningsuiting van de ex-finalisten en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de organisator in het voordeel van de ex-finalisten uitvalt. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.

Rechtbank Den Haag: ISP moet gegevens gebruikers afgeven aan buitenlandse rechthebbende

Door Lotte Oranje

De rechtbank Den Haag heeft onlangs uitspraak gedaan in een zaak waar een rechthebbende gegevens vorderde van een internetprovider. De zaak ging tussen een Amerikaanse rechthebbende, Dish Network, een aanbieder van betaaltelevisie die auteursrechtelijke beschermde programmering aan abonnees in de Verenigde Staten aanbiedt, en de hosting provider WorldStream.

Volgens Dish Network maken aanbieders van programmeringsdiensten inbreuk op haar rechten. Deze aanbieders bieden via hun websites set-top boxen (decodeerkastjes) aan, die contact maken met een authentication server, waardoor toegang tot de content van Dish Network wordt verkregen, zonder dat de afnemer daarvoor aan Dish Network hoeft te betalen. Dish Network wil daarom de gegevens van verschillende IP-adressen van de authentication server die gehost worden door WorldStream. WorldStream wil deze gegevens echter niet zomaar afstaan, omdat volgens haar niet zeker is dat Dish Network wel rechthebbende is en omdat zij hiermee ook de privacyrechten van haar gebruikers schendt.

De voorzieningenrechter oordeelt dat Dish Network op basis van Amerikaans recht en verschillende licenties voldoende heeft aangetoond rechthebbende te zijn van de content. Interessant is wat de voorzieningenrechter daarna overweegt over de vraag of de AVG de verstrekking van de gegevens verhindert. Volgens de voorzieningenrechter is dit niet het geval. Sterker nog, er rust op WorldStream op grond artikel 6 lid 1 aanhef en onder f AVG “een rechtsplicht tot afgifte (verwerking) van persoonsgegevens aan Dish Network als (a) sprake is van een gerechtvaardigd belang, (b) de verwerking noodzakelijk" rel="nofollow" target="_blank">zakelijk is en (c) het belang van Dish Network behoort te prevaleren boven het belang van de betrokken klant van WorldStream.”. Dit is opmerkelijk, aangezien artikel 6 AVG grondslagen geeft op grond waarvan een organisatie persoonsgegevens mag verwerken. Dit betekent niet dat als een van de grondslagen van toepassing is, de organisatie ook moet verwerken.

De voorzieningenrechter verwees voor dit oordeel naar de zaak Ziggo hoeft geen klantgegevens van vermeende downloaders te verstrekken" href="http://www.mediareport.nl/internetrecht/20112019/hof-arnhem-leeuwarden-bevestigt-ziggo-hoeft-geen-klantgegevens-van-vermeende-downloaders-te-verstrekken/">Dutch Filmworks/Ziggo. In deze zaak wilde Filmdistributeur Dutch Filmworks beschikking over de klantgegevens van Ziggo behorend bij 377 IP-adressen die volgens Dutch Filmworks waren gebruikt om de film The Hitman’s Bodyguard uit 2017 van een illegale bron te downloaden. Het hof oordeelde daar dat bij de vraag of er een rechtsplicht rust op Ziggo om gegevens af te staan, moet worden gekeken of de AVG dit verhindert. Volgens de AVG moet verstrekking van gegevens berusten op een grondslag, en omdat de gebruikers van Ziggo geen toestemming hadden gegeven voor een dergelijke verstrekking, bleef ook daar alleen de grondslag van artikel 6 lid 1 onder f over. Indien de belangenafweging die bij de grondslag onder f gemaakt dient te worden in het voordeel uitvalt van de rechthebbende, kan de provider volgens het Hof veroordeeld worden de gegevens te verstrekken. Dit betekent echter niet dat artikel 6 lid 1 aanhef en onder f AVG een rechtsplicht behelst voor providers om gegevens af te staan.

De voorzieningenrecht in de Dish Network zaak gaat ook in op de belangenafweging. Volgens de voorzieningenrechter prevaleren de rechten van Dish Network, omdat Dish Network voldoende heeft aangetoond dat de WorldStream klanten achter de specifieke IP-adressen grootschalige inbreuk maken op haar auteursrechten. Daarnaast heeft zij aangegeven deze vermeende inbreukmakers in rechte te willen aanspreken en de schade te willen verhalen. Volgens de voorzieningenrechter gaat daarom het betoog van WorldStream dat de belangen van haar klanten zwaarder moeten wegen omdat Dish Network niet heeft onderbouwd hoe zij de rechten van de klanten van WorldStream zal waarborgen en/of wat de schade behelst, wat de hoogte van die schade is en wat dit per individuele klant gaat betekenen en/of welke actie(s) Dish Network daarbij zal inzetten, niet op. Volgens de voorzieningenrechter is de wijze waarop Dish Network de rechten van de klanten van WorldStream zal waarborgen niet aan de orde, omdat Dish Network een buitenlandse organisatie is in de zin van hoofdstuk V van de AVG. In dit hoofdstuk is geregeld dat doorgifte van persoonsgegevens aan organisaties buiten de EU alleen onder bepaalde voorwaarden is toegestaan, zodat een adequaat beschermingsniveau blijft gewaarborgd. Aan deze voorwaarden wordt niet voldaan, maar volgens de voorzieningenrechter kan Dish Network een beroep doen op de uitzondering van artikel 49 lid 1 onder e AVG. Dit houdt in dat wanneer de doorgifte van gegevens noodzakelijk is voor de instelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering, deze alsnog kan plaatsvinden. Waarom de toepassing van deze uitzondering maakt dat de rechter de wijze waarop Dish Network de rechten van de klanten van WorldStream zal waarborgen niet meer hoeft te beoordelen, iets wat haaks staat op het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden, wordt niet toegelicht door de voorzieningenrechter. Artikel 44 AVG veronderstelt juist dat bij internationale doorgifte altijd ook nog een geldige grondslag voor de gegevensverwerking moet zijn. In het geval van de f-grond behelst dit ook het waarborgen van de rechten van de klanten van WorldStream.

Dat Dish Network zich kan beroepen op de uitzondering van artikel 49 lid 1 onder e AVG is bovendien opvallend omdat de voorzieningenrechter afwijkt van de European Data Protection Board (voorheen de Artikel 29 Werkgroep). Volgens de board moet er een zeer nauw verband zijn tussen de doorgifte en de betreffende procedure waarin de rechtsvordering wordt ingesteld. De voorzieningenrechter erkent dat aan deze eis niet is voldaan, maar concludeert desondanks dat van deze norm moet worden afgeweken. De vraag is of deze conclusie wenselijk is omdat het dan wel erg aantrekkelijk wordt om opsporing van inbreuken of ander onrechtmatig handelen buiten de waarborgen van de AVG te plaatsen door ze in het buitenland te laten plaatsvinden.

Weer hoogste rankings in Chambers en Legal 500 voor Mediateam Kennedy Van der Laan

Door Redactie

De belangrijkste jaarlijkse internationale rankings voor advocaten zijn weer verschenen; Chambers en Legal 500. Ook dit jaar kreeg het mediateam van Kennedy Van der Laan weer de hoogste rankings in beide gidsen in de categorie Media en Entertainment Law. Ook onze Tech en Privacy teams zijn in beide gidsen weer in rank 1 ingedeeld.

Chambers

Chambers 2020 plaatst het mediateam in band 1 en schrijft:

‘Clients report the team is “excellent, provides top-notch performance, is efficient and is interested in being productive for the client.” Interviewees also laud the team for being “client-driven and innovative.” Clients describe Jens van den Brink as a “keen litigator and adviser.” He maintains a broad media practice encompassing prominent regulatory litigation, documentary production and unlawful publication cases. Christien Wildeman has extensive experience assisting Dutch publishers and newspapers with headline-grabbing unlawful publication disputes. She also handles misleading advertising disputes and media regulatory matters for leading players in the media and telecoms sector.’

Chambers plaatst Christien en Jens individueel in respectievelijk band 2 en 1.

Legal 500

De Legal 500 2020 plaatst het KVdL mediateam in tier one en zegt:
‘At Kennedy Van der LaanJens van den Brink litigates on behalf of national and international media companies, often at the intersection of IP, privacy, and free speech. He also regularly handles entertainment law issues, varying from image rights to format and licensing issues. Emiel Jurjens provides expert advice on media regulation to Dutch and international online platforms. Counsel Christien Wildeman, who has a strong focus on defamation cases, is also recommended.’

Legal500 noemt Jens verder individueel als ‘Leading individual’ en Christien als ‘Next Generation Partner’.

Dank weer aan al onze klanten voor hun input en dit mooie resultaat!

Andere leden van het Kennedy Van der Laan mediateam, naast Christien, Emiel en Jens:
Joran Spauwen
Sophie van Loon
Lotte Oranje
Michael Bacon

 

Emiel Jurjens in NRC over β€˜right to be forgotten’ na vrijspraak

Door Emiel Jurjens

Een Spaanse psycholoog werd verdacht van seksueel misbruik, maar werd uiteindelijk vrijgesproken. Na de vrijspraak wilde hij dat Google alle zoekresultaten naar oudere artikelen over zijn zaak verwijderde. Dit leidde tot een rechtszaak, waarvan de uitkomsten deze week zijn besproken in NRC – “Vrijgesproken? Dan moet Google dat wel laten zien” – tegen de achtergrond van het ‘right to be forgotten’.  In dit artikel geeft Emiel Jurjens commentaar op de uitspraak.  Eerder dit jaar schreven we ook al over dit onderwerp op Media Report: “Geen vergeetrecht voor media-archieven: oud artikel Volkskrant blijft toegankelijk“.

Rechter: parafrasering Buitenhof uitingen Thierry Baudet niet onrechtmatig

Door Emiel Jurjens

video - Zitting Baudet" src="http://www.mediareport.nl/wp-content/uploads/2020/03/Screenshot-Telegraaf-video-Zitting-Baudet4-150x150.jpg" alt="" width="150" height="150" lazyload="" postpone="">In de uitzending van 23 februari 2020 van Buitenhof was politicus Henk Otten te gast. De presentatrice van Buitenhof stelde hem een vraag over ophef die was ontstaan naar aanleiding van uitingen in de Tweede Kamer van Thierry Baudet. In die vraag werden de uitingen van Baudet als volgt geparafraseerd: “Thierry Baudet baarde deze week in de Tweede Kamer opzien door te zeggen dat hij denkt dat de EU een vooropgezet plan heeft om het blanke Europese ras te vervangen door Afrikaanse migranten.” Baudet viel over deze weergave van zijn standpunten en reageerde kort na de uitzending met een tweet waarin hij rectificatie eiste. Buitenhof ging daar niet op in en publiceerde een reactie op haar site met uitleg over de totstandkoming van de uitzending. Baudet en Forum voor Democratie startten daarop een kort geding, waar op 11 maart onder grote publieke belangstelling het pleidooi in plaatsvond. Vorige week woensdag is vonnis gewezen: de voorzieningenrechter heeft de vorderingen van Baudet en het Forum voor Democratie afgewezen.

De rechter is met de VPRO eens dat sprake is van een parafrasering van de uitingen van Baudet door Buitenhof (r.o. 4.6):

Ziet het citeren op het letterlijk weergeven van datgene wat er gezegd is, het parafraseren ziet op het in eigen bewoordingen weergeven van de inhoud van hetgeen er gezegd is. Bij een parafrase heeft degene die parafraseert dus meer vrijheid. Maar ook de parafrase moet (in voldoende mate) inhoudelijk recht doen aan hetgeen wat gezegd is. Dit laatste geldt sterker indien men weet of moet weten dat hetgeen dat men parafraseert (maatschappelijk) gevoelig ligt en dat bij een onjuiste parafrasering dit mogelijk schadelijke gevolgen kan hebben voor degene die wordt geparafraseerd.”

Bij de beoordeling van deze parafrase kijkt de voorzieningenrechter in eerste instantie alleen naar wat Baudet in de Tweede Kamer heeft gezegd op 18 februari 2020 (hoewel de rechter opvallend genoeg later weer opmerkt dat zijn uitspraken in de Kamer niet los zijn te zien van zijn eerdere uitspraken). Hij oordeelt dat de parafrase “tot op zekere hoogte juist” is maar dat de woorden ‘blank’, ‘ras’ en ‘vervanging’ in het debat van 18 februari 2020 niet zijn genoemd door Baudet. De parafrase is volgens de voorzieningenrechter in zoverre “gebrekkig“, maar met de stelling van Baudet dat hij “in het programma Buitenhof Baudet een racist is genoemd of is neergezet als racist” is de voorzieningenrechter het niet eens.

De voorzieningenrechter vindt het verder van belang dat Baudet eerder uitingen heeft gedaan over zijn wens dat Europa “dominant blank en cultureel blijft zoals het is . Baudet stelde in reactie daarop dat dit oude uitingen zijn en dat hij “straks nog wordt geconfronteerd met een mededeling die hij op de peuterspeelzaal heeft gedaanDit verweer passeert de voorzieningenrechter. Hij oordeelt dat de uitspraken 2,5 tot 4,5 jaar geleden zijn gedaan, wat niet zo lang geleden is “dat daaraan bij de beoordeling van de vorderingen )…’ geen betekenis toe kan komen“.  De voorzieningenrechter constateert verder:

Bovendien heeft Baudet het standpunt van Vpro dat Baudet nog steeds achter deze uitspraken staat, ter zitting onweersproken gelaten. Een en ander is van belang, omdat bij de beoordeling of de door Baudet c.s. ingeroepen beperking van de vrijheid van meningsuiting noodzakelijk" rel="nofollow" target="_blank">zakelijk is in een democratische samenleving ook gekeken mag worden naar eerdere uitspraken van Baudet.”

De voorzieningenrechter oordeelt dat de eerdere uitspraken van Baudet dus wel degelijk relevant zijn voor de beoordeling van de parafrase in Buitenhof:

In dat kader van die eerdere uitspraken is ook van belang dat Baudet in het gesprek met Filemon Wesseling de ene keer wel een onderscheid maakt tussen blank, etniciteit en cultuur, maar dat hij dat de andere keer niet doet of niet lijkt te doen (hoofdzakelijk of dominant blank dus geen etnische minderheid). Dat onderscheid volgt ook niet uit zijn eerder gedane uitlating dat hij niet wil dat Europa Afrikaniseert en dat hij graag wil dat Europa dominant blank en cultureel blijft zoals het is. Aangezien Baudet in de Tweede Kamer heeft gesproken over het door de Europese Unie opzetten van veerdiensten waarmee immigranten vanuit Afrika worden overgezet naar Europa om de nationale identiteit te verzwakken zodat er geen nationale staten meer zullen zijn, kan bij de beoordeling van het geschil niet voorbij gegaan worden aan zijn eerdere uitspraken”. 

De stelling van Baudet dat er sprake zou zijn van een ‘vooropgezet doel’ om ‘karaktermoord’ te plegen verwerpt de voorzieningenrechter: de uiting is niet onrechtmatig.

Daarbij wegen volgens de voorzieningenrechter ook nog de volgende omstandigheden mee:

- Baudet is een bekende politicus en daarmee een publiek figuur, die een dikke huid moet hebben voor kritiek;

- De uiting is een bijdrage aan het publieke debat, waardoor er minder noodzaak is om in te grijpen in de uitingsvrijheid;

- De door Baudet gestelde schendingen van journalistieke codes zijn niet relevant, want “een schending daarvan levert niet zonder meer een onrechtmatig handelen van VPRO op“;

- Er was, in tegenstelling tot wat Baudet stelde, geen wederhoor nodig in deze omstandigheden. Er is iemand om een reactie gevraagd op het standpunt van een ander, en daarvoor geldt geen eis om gelegenheid voor wederhoor te geven aan die ander.

De voorzieningenrechter vat zijn overwegingen als volgt samen:

… de door de presentatrice gedane uitlating in het programma Buitenhof van 23 februari 2020 [is] niet onrechtmatig jegens Baudet c.s. Doorslaggevend is daarbij geweest … dat Baudet een publieke figuur is die actief deelneemt aan het publieke (politieke) debat, dat de presentatrice met haar openingsvraag aan Otten een bijdrage heeft willen leveren aan dat publieke debat, dat die vraag niet los kan worden gezien van eerdere door Baudet gedane uitspraken, dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat sprake is van een vooropgezet doel om karaktermoord te plegen op Baudet c.s., dat Vpro Baudet niet heeft weggezet als racist en dat Baudet c.s. niet vooraf om een reactie had moeten worden gevraagd. Verder geldt dat de door Baudet c.s. gestelde negatieve gevolgen onvoldoende zijn onderbouwd.

De vorderingen worden afgewezen en Buitenhof hoeft dus niet te rectificeren. Over de gevorderde rectificatie merkt de rechter nog op dat deze in elk geval ‘niet zonder meer’ toewijsbaar zouden zijn geweest, onder meer omdat in de gevorderde rectificatietekst stond dat “Baudet ten onrechte is neergezet als racist“. De voorzieningenrechter stelt daarover echter vast dat “het programma Buitenhof Baudet niet heeft neergezet als racist.” Bovendien oordeelt de voorzieningenrechter dat Baudet niet heeft kunnen laten zien dat hij schade heeft geleden door de parafrase in Buitenhof, in het bijzonder omdat hij zelf de publiciteit heeft gezocht en dat zijn standpunt daarbij breed aan de orde is gekomen. Daarbij weegt ook mee dat de VPRO zelf het volgens de voorzieningenrechter “deels gebrekkige karakter” van de parafrase al heeft “verholpen“ door de hierboven genoemde verklaring, met link naar een transcriptie van het Kamerdebat, te publiceren.

Buitenhof (de VPRO) werd in deze zaak bijgestaan door Jens van den Brink, Tamilla Abdul-Aliyeva en Emiel Jurjens.

Studio Monitori and Others v. Georgia: access to public documents must be β€˜instrumental’ for the right to freedom of expression

Door Redactie

* This blog post was written by Ronan Ó Fathaigh, IVIR/Univ. Amsterdam and Dirk Voorhoof, Human Rights Centre, Ghent University and Legal Human Academy

In the case of Studio Monitori and Others v. Georgia the European Court of Human Rights (ECtHR) in its judgment of 30 January 2020 has confirmed that the right to freedom of expression and information as guaranteed by Article 10 of the European Convention on Human Rights (ECHR) can only be invoked in order to obtain access to public documents when a set of conditions are fulfilled. It is one of the cases following the judgment of the Grand Chamber in Magyar Helsinki Bizottság v. Hungary to test the scope and limits of the right of access to information and the applicability of Article 10 ECHR. The most important consequence of the judgment in Studio Monitori and Others is that NGOs, journalists or other public watchdogs requesting access to public documents have to motivate and clarify in their request that access to the documents they are applying for is instrumental, and even necessary, for their journalistic reporting and that the requested documents contain information of public interest.

Facts

 In Studio Monitori the first applicant is a non-governmental organisation (NGO) established with the aim of conducting journalistic investigations into matters of public interest. The second applicant is a journalist and one of its founding members. Acting on behalf of the NGO for the purpose of a journalistic investigative project, the journalist requested access to a case file concerning a criminal case in which a certain T.E. had been convicted. The court registry informed the journalist that the criminal file contained classified investigative information of which public disclosure was strictly prohibited. The criminal case file also contained personal data about T.E., as well as other parties to the criminal proceedings in question, and therefore public disclosure of that information was only possible with their explicit consent. But the court registry also invited the journalist to specify exactly which information and/or documents she wished to consult and for what purpose, stating that it would review its decision upon receipt of the requested information. The journalist never provided the further clarification sought by the court registry, and instead she lodged a court action against the refusal by the court registry. Before the Tbilisi Court of Appeal, the journalist argued that she wanted  to create a legal precedent that would acknowledge the significance of the right to have unfettered access to information of public interest and the recognition that anyone was entitled to have access to criminal case files as public information within the meaning the General Administrative Code. However the Court of Appeal confirmed that the requested information was not accessible under the Georgian legislation on access to public documents. Appeal before the Supreme Court was rejected as inadmissible.

The third applicant in this case is a lawyer who requested the Tbilisi City Court to send him a copy of all the court orders concerning the imposition of pre-trial preventive measures in six distinct and unrelated criminal cases. He did not specify why he was interested in that particular information. The lawyer only received a copy of the operative parts of the relevant court orders, as in accordance with the Code of Criminal Procedure only the operative parts of detention orders could be disclosed. The lawyer lodged a court action in order to obtain a full copy of the relevant court orders, but his action failed.  The Georgian courts held that the right of access to administrative documents did not apply to the judiciary within the framework of the administration of justice. It was also emphasised that all six of the criminal cases about which the lawyer had tried to obtain information were still ongoing at that time. Appeal before the Supreme Court was also rejected.

All three applicants complained that the domestic judicial authorities had denied them access to specific criminal case files and court decisions, which amounted to a violation of their right of access to public documents under Article 10 ECHR. The initial and crucial question before the ECtHR was whether there had been an interference with the applicants’ rights under Article 10 ECHR.

Judgment

In general terms the ECtHR first reiterated that Article 10 ECHR ‘does not confer on the individual a right of access to information held by a public authority nor oblige the Government to impart such information to the individual. However, such a right or obligation may arise … in circumstances where access to the information is instrumental for the individual’s exercise of his or her right to freedom of expression’. Referring to its 2016 Grand Chamber judgment in Magyar Helsinki Bizottság v. Hungary, the ECtHR clarified that whether and to what extent the denial of access to information constitutes an interference with an applicant’s freedom‑of‑expression rights under Article 10 ECHR ‘must be assessed in each individual case and in the light of its particular circumstances’. As decided in Magyar Helsinki Bizottság this assessment shall include the following criteria: (a) the purpose of the information request; (b) the nature of the information sought; (c) the particular role of the seeker of the information in receiving and imparting it to the public; and (d) whether the information was ready and available.

With regard to the NGO and journalist, the ECtHR confirmed that their journalistic role ‘was undeniably compatible with the scope of the right to solicit access to State‑held information’, but it observed that ‘the purpose of their information request cannot be said to have satisfied the relevant criterion under Article 10 ECHR’. The ECtHR found that both applicants had failed to specify, in the relevant domestic proceedings, the purpose of their request for permission to consult the criminal case file. They never explained to the relevant court registry why the documents were necessary for the exercise of their freedom to receive and impart information to others. Noting that omission, the domestic authority explicitly invited the applicants to address that gap by clarifying the purpose of their request, while the authority expressed its readiness to reconsider its initial refusal upon receipt of the requisite information from the applicants. The NGO and journalist however ignored that opportunity and instead decided to sue the authority for breaching their alleged right to have unrestricted access to State-held information of public interest. The ECtHR further observed that, even in the absence of the information sought, the NGO and journalist were able to proceed with their journalistic investigation. Indeed, even without waiting for the outcome of the relevant proceedings which they themselves had initiated against the domestic judicial authority, they finalised the investigation and made its results accessible to the public. Therefore the ECtHR concluded that the access sought by the NGO and journalist to the relevant criminal case material ‘was not instrumental for the effective exercise of their freedom-of-expression rights’.

With regard to the application by the lawyer, the ECtHR also observed that he did not explain to the court registry the purpose of his request to obtain a full copy of the relevant court decisions. Therefore the ECtHR could not accept that the information sought was instrumental for the exercise of the lawyer’s freedom-of-expression rights. Furthermore it was also unclear how the lawyer’s role in society was supposed to satisfy the relevant criterion under Article 10 ECHR, as he was neither a journalist nor a representative of a ‘public watchdog’. There were no indications how the lawyer could enhance, by receiving a copy of detention orders in six criminal cases totally unrelated to him, the public’s access to news or facilitate the dissemination of information in the interest of public governance. In addition the ECtHR was neither persuaded that the information solicited from the domestic judicial authority met the relevant public interest-test under Article 10 ECHR. The ECtHR did acknowledge explicitly ‘the significance of the principle that court decisions are to be pronounced publicly and should be, in some form, made accessible to the public in the interest of the good administration of justice and transparency’. But it emphasised that ‘the requirement that the information sought meet a public interest-test in order to prompt a need for disclosure under Article 10 of the Convention is different, as it refers to the specific subject‑matter of the document, in this case of the judicial orders’. The lawyer limited his arguments to mentioning that the solicited judicial decisions concerned high-profile criminal cases instituted against former high-ranking State officials for corruption offences. The ECtHR however found that the reference to the involvement of ‘well‑known public figures’ was not in itself sufficient to justify, under Article 10 ECHR, disclosure of a full copy of the relevant judicial orders concerning the ongoing criminal proceedings, adding the consideration that ‘the public interest is hardly the same as an audience’s curiosity’.

On the basis of these findings and considerations concerning the questions of applicability of Article 10 ECHR and the existence of an interference under this provision the ECtHR, unanimously, came to the conclusion that there has been no violation of the applicants’ right to freedom of expression and information under Article 10 ECHR.

Comment

For those unfamiliar with the Court’s recent case law on access to official information, the Studio Monitori and Others judgment might seem surprising, with the Court’s intense focus on the applicants’ failing to provide sufficient explanation to national authorities of the ‘purpose’ of seeking the documents, and explaining why such documents were ‘necessary’. This focus is particularly strange, given that the Council of Europe’s Committee of Ministers has stated that access to information ‘shall not be refused on the ground that the requesting person has not a specific interest in the matter’ (here), and individuals ‘should not be obliged to give reasons’ for having access to official documents (here). The Council of Europe Convention no. 205 on Access to Official Documents, although not yet in force due to lack of ratification by one more State, also explicitly states that individuals ‘shall not be obliged to give reasons for having access to the official document’ (Article 4, here). It must also be very odd to read the part in Studio Monitori and Others which focuses on the third applicant being ‘neither a journalist nor a representative of a ‘public watchdog’, and how this squares with Article 2 of Convention no. 205, which provides that there is a ‘right of everyone, without discrimination on any ground, to have access, on request, to official documents held by public authorities’. Indeed, most national laws and constitutional provisions guaranteeing a right of access to public documents are applicable to ‘everyone’, without the need to demonstrate a specific interest (see here).

But while Studio Monitori and Others may seem a strange judgment in the abstract, it is a creature of the Grand Chamber’s 2016 judgment in Magyar Helsinki Bizottság, where the ECtHR found that a refusal to give access to public documents violated Article 10 ECHR, as in that case the applicant NGO wished to exercise its right to impart information on a matter of public interest and had sought access to information to that end. This Grand Chamber judgment was important for the recognition of the applicability of Article 10 guaranteeing a right of access to public documents. At the same time however it also made the right of access to public documents under Article 10 ECHR very conditional and dependant on the fulfilment of a set of criteria: (a) the purpose of the information request; (b) the nature of the information sought; (c) the particular role of the seeker of the information in receiving and imparting it to the public; and (d) whether the information was ready and available (see also blog here). In essence the purpose must be to inform society on a matter of public interest and enhance the public’s access to news and facilitating the dissemination of information. The requested documents themselves must also contain information of public interest, while the request must be formulated by a journalist, an NGO or another ‘public watchdog’. And finally the information must be ready and available.

If these conditions are not fulfilled, Article 10 ECHR does not guarantee or cover a right of access to information, which leaves the national authorities the discretionary power to determine at domestic level the scope and limits of the right of access to public documents. This is reflected in a number of other cases delivered by the Court since Magyar Helsinki Bizottság. In Bubon v. Russia the Court found that the applicant could not rely on Article 10 ECHR as the requested documents were not ‘ready and available’. In Dimitri Sioutis v. Greece, the Court decided that the documents requested a copy of did not meet the public interest-test and that the applicant could not be considered as a public watchdog as he did not invoke any special role that he might have had in enhancing the public’s access to news and facilitating the dissemination of information. The ECtHR concluded that Article 10 did not give the applicant the right to obtain a copy of the requested decision, nor did it embody an obligation on the Government to impart such information to the applicant. Also in another recent decision, Gennadiy Vladimirovich Tokarev v. Ukraine, the ECtHR found that Article 10 was not applicable because the requested documents could not be seen as being of a public-interest nature, and the applicant did not perform a role of ‘public watchdog’, while the purpose of his request was not to use the obtained document to contribute to an informed public debate. Further, in Cangi v. Turkey on the other hand the ECtHR came to the conclusion that all four conditions were fulfilled in order to rely on Article 10 ECHR in relation to a request for access to public documents. In that case the ECtHR found that the applicant could invoke his right to receive and communicate information of public interest in his capacity as a citizen and a member of an NGO fighting against the destruction of an ancient site that risked to be engulfed by a dam and to promote public awareness on the issue. The refusal of access by the Turkish authorities violated the applicant’s right under Article 10 ECHR.

Thus, on the one hand, there has been a consistent application by the ECtHR, including in Studio Monitori and Others, of the four criteria/conditions as developed in the Grand Chamber judgment in Magyar Helsinki Bizottság. But there is also a problem with the condition of the ‘purpose’ and the instrumental character of the request: access to info rights are for everybody, without the need to show interest at national level. Also Article 10 ECHR guarantees the freedom of expression to ‘everyone’, but the ECtHR has held that, to have claim on access to public documents under Article 10, an important consideration is whether the person seeking access to the information does so with a view to informing the public in the capacity of a ‘public watchdog’. This means that the (extra) protection by Article 10 is only for ‘public watchdogs’ that request information with public-interest nature, justifying their interest as being instrumental for their right to freedom of expression.

The judgment in Studio Monitori and Others has now clarified that the condition of the ‘purpose’ and the ‘instrumental character’ of the request for access to information with a public interest, includes the obligation for the applicant to integrate in his request the justification that the purpose is to disclose the requested information. However it can be argued that the Court in Studio Monitori and Others not only required that access must be ‘instrumental’, but also emphasised an additional condition of ‘necessary’ for the journalistic reporting, suggesting the documents must be indispensable. ‘Instrumental’ however is a lower threshold than ‘necessary’; and this is arguably a dangerous condition to be evaluated by the domestic authorities. Journalists cannot know in advance that the requested documents are ‘necessary’ for their journalistic reporting, and access requests can be very broad, and not all documents may contain information of public interest. In other judgments the ECtHR has placed emphasis on whether the gathering of the information was a relevant preparatory step in journalistic activities or in other activities creating a forum for, or constituting an essential element of, public debate (see, eg, Dammann v. Switzerland). But under Studio Monitori and Others, if a journalist succeeds to report on an issue even without having succeeded in obtaining access to certain documents, the Court considers this as an argument that the access to the documents at issue was not instrumental, and hence as a consequence Article 10 is not applicable in such circumstances. This means that the national authorities can refuse to disclose certain documents speculating that a journalist will succeed anyway to report about an issue, eventually through other sources or leaks, and then afterwards this circumstance can be used as a decisive argument for the non-applicability of Article 10 ECHR.

 

A final point is whether access to public or administrative documents also covers access to criminal files or documents of the judiciary. Importantly, the judgment in Studio Monitori and Others seems not to exclude these documents, as the Court held that court decisions or judicial orders ‘should be made accessible, in some form, to the public in the interest of the good administration of justice and transparency’. The ECtHR makes the right of access to judicial orders in essence dependent of the content whether or not the documents are of sufficient public interest. The Court’s approach in Studio Monitori and Others with regard the transparency of judicial orders and court decisions however will not lead necessarily to broadening the right of access to documents of the judicial authorities, as it has only consequences from the perspective of Article 10 if the request for access of such documents fulfils the four conditions of Magyar Helsinki Bizottság. At the same time the Court has narrowed the notion of public interest, as it did not recognise the public-interest nature of judicial orders about ‘well-known public persons’, in casu former high-ranking State officials being charged for corruption offences. It is surprising that the Court considers the interest of access to such documents merely as based on the ‘audience’s curiosity’, instead of containing or reflecting a public interest.

Dirk Voorhoof (Human Rights Centre UGent and Legal Human Academy) is also a member of the European Centre for Press and Media Freedom.

This post was previously published on Strasbourg Observers.

 

Geen vergeetrecht voor media-archieven: oud artikel Volkskrant blijft toegankelijk

Door Emiel Jurjens

- Beeld Google, LLC" src="http://www.mediareport.nl/wp-content/uploads/2020/03/Google-en-Volkskrant-Beeld-Google-LLC-150x150.gif" alt="" width="150" height="150" lazyload="" postpone="">In 1999 publiceert de Volkskrant een artikel over de betrokkenheid van een man bij piramidespelen. Dit artikel is ook opgenomen in het online archief van de Volkskrant en vindbaar via Google als de naam van de man als zoekterm wordt gebruikt. De man schrijft in 2011 de Volkskrant aan met het verzoek het artikel uit het archief te verwijderen, wat wordt geweigerd. Enkele jaren later start de man een rechtszaak tegen de Volkskrant met als inzet het artikel verwijderd te krijgen. De rechtbank wijst zijn eis af, waar wij eerder over schreven. Daarop gaat hij in hoger beroep, en het Hof Amsterdam heeft bij arrest van 3 maart het vonnis bekrachtigd, waarmee het artikel in het online archief van de Volkskrant beschikbaar kan blijven.

Het Hof begint met het vaststellen dat het belang van de Volkskrant ligt in zowel het aan de kaak stellen van misstanden als het “toegankelijk houden van (artikelen in) nieuwsarchieven en [het] daarmee corresponderend belang bij volledigheid daarvan” (r.o. 3.7). Anderzijds is er naar oordeel van het Hof sprake van een belang van de man niet blootgesteld te worden aan lichtvaardige verdachtmakingen. Het Hof laat de belangen van de Volkskrant prevaleren, en neemt daarbij onder meer de volgende relevante omstandigheden mee.

Het artikel heeft naar oordeel van het Hof voldoende steun in de feiten. Daarbij kijkt het Hof naar wat er in het artikel staat, en niet zozeer wat de man daarin leest. De door de man gestelde feitelijke onjuistheden vinden naar oordeel van het Hof allemaal voldoende steun in de feiten. Daarbij acht het Hof het acceptabel dat de relevante feiten (deels) na publicatie boven tafel zijn gekomen.

Gezien het tijdsverloop is niet zonder meer te achterhalen of er sprake is geweest van het bieden van gelegenheid voor wederhoor. Het Hof oordeelt dat toepassing van wederhoor niet tot een andere inhoud van de publicatie zou hebben geleid. Het artikel gaat over de betrokkenheid van de man bij een piramidespel, en daarvoor is voldoende steun in de feiten.

Verder oordeelt het Hof dat het artikel zowel vroeger als nu een publiek belang heeft gediend en nog steeds dient. Piramidespelen en de benadeling van consumenten daardoor zijn onderwerpen die maatschappelijk van belang zijn, aldus het Hof.

Het Hof weegt tot slot mee dat de man een publiek figuur is, zowel door zijn betrokkenheid bij het piramidespel als door zijn succesvolle carrière in de muziek en verschillende andere activiteiten. Daarom moet de man zich “meer publiciteit laten welgevallen dan gemiddeld het geval is“.

Het Hof concludeert:

Aldus is gebleken dat de publicatie in voldoende mate steun vindt in het feitenmateriaal en dat weliswaar niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van wederhoor maar dat daaraan slechts in geringe mate betekenis toekomt. Voorts is vast komen te staan dat met de publicatie een publiek belang is gediend en dat [appellant] op de hiervoor beschreven wijze een publieke figuur is. Alles afwegende, dient in dit geval de vrijheid van meningsuiting aan de zijde van de Volkskrant te prevaleren in het licht van haar taak om maatschappelijk relevante feiten in haar publicaties aan de orde te stellen. Dat [appellant] lichtvaardig is blootgesteld aan verdachtmakingen, is daar tegenover in onvoldoende mate gebleken. Van een onrechtmatige publicatie is dan ook geen sprake.”

Het artikel is dus rechtmatig. Het Hof verwerpt de stelling van de man dat het enkele beschikbaar houden van dit rechtmatige artikel in het archief van de Volkskrant als zodanig onrechtmatig jegens hem is. Daarbij weegt het Hof met name mee dat het gegeven dat de man in zijn zakelijke leven last stelt te hebben van de beschikbaarheid van het artikel “niet in voldoende mate op[weegt] tegen het belang van de Volkskrant, en het daarmee tegelijkertijd gegeven maatschappelijk belang, om een compleet en integer online te raadplegen archief te behouden“.

De Volkskrant werd in deze procedure bijgestaan door de auteur van dit artikel.

Ali B mag stemfragment over β€œAli B accent” gebruiken in zijn theatershow

Door Alexandra van Lier

In 2011 vindt een overval op een bloemenwinkel plaats. De overval haalt Opsporing Verzocht en de eigenaresse van de winkel spreekt een voice-over in bij een reconstructie van de overval. In de reconstructie zegt ze over één van de overvallers: “Degene die praatte had een Ali B accent”. Over deze uiting ontstond publiek debat en uiteindelijk verwerkte Ali B zelf dit fragment uit Opsporing Verzocht in zijn theatervoorstelling “Je suis Ali”. De voorstelling wordt ook uitgezonden op RTL4 en het deel van de voorstelling over dit incident wordt besproken in de media. De eigenaresse van de bloemenwinkel start daarop een procedure tegen Ali B en zijn management. Ze eist onder meer de verwijdering van het fragment uit de voorstelling en een schadevergoeding. De rechtbank gaat echter niet mee in haar eisen.

In de kern voert eiseres twee argumenten aan: portretrecht en privacy.

De rechtbank maakt korte metten met het argument dat het verwerken van haar stem in de voorstelling een schending van het portretrecht zou opleveren. Want, zo oordeelt de rechtbank, voor schending van portretrecht is vereist dat iemand een afbeelding van je gezicht gebruikt. Het laten horen van een stem is niet gelijk te stellen aan het tonen van een afbeelding van je gezicht. Dit is in lijn met de bestaande rechtspraak over het portretrecht.

Dan rest het privacy-argument. Eiseres voert eerst aan dat haar rechten onder de AVG zijn geschonden. De verdediging bracht hiertegen in dat de AVG niet van toepassing is op anonieme gegevens, en dat daar hiervan sprake is omdat eiseres alleen aan de hand van het geluidsfragment niet kan worden geïdentificeerd. Daar gaat de rechtbank niet in mee: het is naar het oordeel van de rechtbank “redelijk eenvoudig” om de identiteit van de vrouw te achterhalen op basis van de informatie die in de show wordt gegeven. Er is dus sprake van een persoonsgegeven. Daar is echter wel een verwerkingsgrond voor: Ali B heeft namelijk het fragment gebruikt voor een “uitsluitend artistieke uitdrukkingsvorm”, waarmee de verwerking rechtmatig wordt geoordeeld.

Eiseres heeft dan nog één laatste anker: artikel 8 EVRM (recht op privacy). De rechtbank weegt dit zoals altijd af tegen het recht op uitingsvrijheid. Ook daar prevaleert de uitingsvrijheid, waarbij de rechtbank de volgende omstandigheden meeneemt:
- Eiseres heeft in eerste instantie toestemming gegeven voor het gebruik van haar stem in de uitzending van Opsporing Verzocht;
- Ali B is hierdoor in negatieve context in de publiciteit gekomen. Hij heeft het recht hierover zijn gevoelens te uiten en hierop te reageren, wat hij volgens de rechtbank op toelaatbare wijze heeft gedaan in zijn theatervoorstelling;
- De door eiseres gestelde gevolgen van het gebruik van het fragment in de theatervoorstelling zijn niet aannemelijk en niet onderbouwd.
- Hoewel aannemelijk is dat de gang van zaken voor eiseres “vervelend en pijnlijk” is, heeft zij ook gesteld geen bezwaar te hebben tegen het gebruik van de uiting als deze ingesproken zou zijn door een andere vrouwenstem. Het verwijt is dus kennelijk enkel het gebruik van de stem van eiseres (zo oordeelt de rechtbank).
- Het fragment is nog steeds online beschikbaar in de uitzending van Opsporing Verzocht, waar eiseres geen bezwaar tegen heeft.

De vorderingen worden afgewezen en “Je suis Ali” blijft onaangetast.

Beeld: Ali B./Je Suis Ali

Hof Arnhem: JA/JA sticker in Utrecht geldt voorlopig niet voor huis-aan-huiskranten

Door Emiel Jurjens

- Bron rechtspraak.nl" src="http://www.mediareport.nl/wp-content/uploads/2020/02/Hof-Arnhem-Bron-rechtspraak.nl_-150x150.gif" alt="" width="150" height="150" lazyload="" postpone="">Veel gemeenten in Nederland zijn bezig met de invoering van de ‘ja/ja’ sticker. Waar vroeger ongeadresseerd reclamedrukwerk (reclamefolders) mocht worden verspreid en bezorgd tenzij de bewoner van dat adres een ‘nee/nee’ of nee/ja sticker had geplakt, zal in veel gemeenten gaan gelden (of geldt al) dat de situatie precies andersom wordt. Dus als er geen sticker is geplakt, mag er niet bezorgd worden. In 2019 heeft de gemeente Utrecht besloten dit systeem ook te gaan invoeren per 1 januari 2020.

De bijzonderheid daarbij is dat in Utrecht ook huis-aan-huiskranten onder dit systeem vallen. In andere gemeenten geldt het systeem alleen voor reclamefolders. DPG Media, uitgever van het Utrechtse Stadsblad, vond dat het Utrechtse beleid onder meer in strijd was met de persvrijheid en startte een kort geding tegen de gemeente. De voorzieningenrechter wees de eisen van DPG af. In hoger beroep (spoedappel) oordeelde het Hof Arnhem gisteren in een principieel arrest dat het Utrechtse beleid inderdaad in strijd is met artikel 10 EVRM. De gemeente Utrecht wordt verboden dit beleid te handhaven totdat de bodemrechter zich over de zaak heeft uitgesproken. Dat betekent, zoals namens DPG vandaag in de Volkskrant werd gezegd: “Vanaf komende week zullen wij het Stadsblad weer ruim gaan verspreiden in Utrecht. Anders hadden we moeten stoppen.

Het Hof neemt als startpunt bij de beoordeling het zwaarwegende belang dat het EHRM hecht aan de door artikel 10 EVRM beschermde rechten. Daarbij benadrukt het Hof dat deze rechten in elk geval de persvrijheid, het recht zich niet te willen uiten en het recht van de ontvanger op de vrije ontvangst van informatie omvatten. Bij het beoordelen van zaken waarin de door artikel 10 EVRM beschermde rechten in het geding zijn past (naar oordeel van het Hof) niet een ruime beoordelingsvrijheid voor de Staat.

Vervolgens stelt het Hof vast dat het Utrechtse beleid “een beperking van het verspreiden van nieuws en informatie onder de inwoners van Utrecht” inhoudt. Daarmee is er sprake van een beperking op, of inmenging in, de door artikel 10 EVRM beschermde rechten. Dat is alleen toelaatbaar als de beperking de toets van artikel 10 lid 2 EVRM kan doorstaan.

Het Hof oordeelt dat daar geen sprake van is.

Het recht van het publiek informatie te ontvangen wordt geraakt, evenals het recht zich niet te uiten.  De ontvanger moet “moeite doen om het nieuwsmedium te ontvangen en dit door het aanbrengen van een sticker, ook zichtbaar maken voor derden“. Daar is volgens het Hof ten onrechte niet bij stilgestaan door de gemeente bij de voorbereiding van de regelgeving.

Verder moet er bij een beperking op de persvrijheid sprake zijn van “een dringende maatschappelijke behoefte die eerder stringent dan ruimhartig dient te worden benaderd. Van een overheidsorgaan dat een beperking van het recht op art. 10 EVRM voorstaat, mag dan ook worden verwacht dat het onderzoek doet om hierop zicht te krijgen”.

Het Hof oordeelt dat het onderzoek dat de gemeente ten grondslag heeft gelegd bestaat uit een “algemene, niet op Utrecht toegesneden studie,  een “mededeling” (“waar die mededeling op is gebaseerd wordt niet duidelijk“) en een onderzoek dat “in hoofdzaak betrekking op ongeadresseerd reclamedrukwerk” had en waaruit bovendien volgde dat een significant merendeel van de – zeker oudere – inwoners van Utrecht juist prijs stelden op bezorging van de huis-aan-huiskrant.

Dit onderzoek acht het Hof onvoldoende om de beperking op de door artikel 10 EVRM beschermde rechten te rechtvaardigen. Het Hof oordeelt dat de gang van zaken “het beeld geeft van een gebrekkige voorbereiding en een summier onderzoek, dat bovendien voornamelijk betrekking had op ongeadresseerd reclamedrukwerk en niet op huis-aan-huisbladen“. Het Hof concludeert:

De onderbouwing van het besluit is dan ook niet voldoende en relevant geweest. De gemeente is zich mogelijk onvoldoende bewust geweest van de mate waarin zij het recht van art. 10 EVRM beperkte en heeft geen onderzoek gedaan naar eventuele alternatieven. Gezien de mate van beperking was zij daartoe wel gehouden.”

Tot slot stelt het Hof vast dat het “voldoende aannemelijk” is dat er een reëel gevaar bestaat dat het Stadsblad als gevolg van het Utrechtse beleid zal verdwijnen. Dit is relevant, want:

De stelling van de gemeente dat zij niet gehouden is om de bedrijfseconomische belangen van DPG te beschermen, gaat eraan voorbij dat door de vastgestelde regeling het uitbrengen van een bestaand nieuwsmedium direct in gevaar wordt gebracht. Juist omdat, zoals hierboven al is overwogen, nieuwsmedia veelal afhankelijk zijn van een rendabele exploitatie, kan door de aantasting daarvan het medium zelf worden getroffen en zelfs zozeer dat het ophoudt te bestaan.

Het Hof oordeelt dat het aannemelijk is dat in een bodemprocedure geoordeeld zal worden dat het Utrechtse beleid in strijd met artikel 10 EVRM is, en daarom onverbindend is (c.q. ten aanzien van DPG buiten werking zal worden gesteld). De gemeente wordt verboden het beleid te handhaven jegens DPG totdat de bodemrechter zich over de zaak heeft uitgesproken.

Deze zaak wordt voor DPG behandeld door Emiel Jurjens en Anita van den Berg.

Hof: NRC mag naam hoogleraar noemen in #metoo-publicatie

Door Lotte Oranje

In mei 2019 publiceerde NRC een artikel over een voormalig rechter-plaatsvervanger en hoogleraar aan de UvA, B., die eind 2018 ontslagen is. De UvA heeft destijds een persbericht naar buiten gebracht waarin stond dat een onderzoeksbureau heeft geconstateerd dat sprake is geweest van ‘grensoverschrijdend gedrag’ en dat om die reden de niet bij naam genoemde hoogleraar niet bij de UvA zou terugkeren. In het concept-artikel schrijft NRC dat dit persbericht op B. (waarbij zijn naam voluit werd geschreven) ziet en dat uit langdurig onderzoek blijkt dat het ontslag het gevolg is van jarenlang (seksueel) wangedrag en machtsmisbruik: “B. is een gangmaker, houdt van de kroeg en is vrijpostig in de omgang, zeker met vrouwen. Een vrouwelijke collega die vraagt of hij iets na wil kijken, antwoordt hij: „Ik kijk liever naar iets anders.” Zo maakt hij met regelmaat toespelingen, seksueel getinte opmerkingen en ‘grappen’ tegenover meerdere vrouwelijke collega’s. („Ik heb me net op je afgetrokken”). Het internet, dat in die jaren in opkomst is, biedt hem daartoe volop ruimte. Meerdere collega’s ontvangen pornoplaatjes en filmpjes van hem.

Als NRC het artikel voorafgaand aan publicatie in het kader van wederhoor aan B voorlegt, besluit hij een kort geding te starten, voorafgaand aan publicatie. Hij stelt zich niet te verzetten tegen de inhoud van het artikel, maar eist een verbod op het noemen van zijn voor- en achternaam, het noemen van het feit dat hij hoogleraar was bij de sectie arbeidsrecht van de UvA en op het tonen van zijn portretfoto in het artikel. Hij vindt dat hij geen publiek figuur is en dat het noemen van zijn naam een ernstige inbreuk op zijn privacy vormt. NRC verweert zich, onder andere door aan te voeren dat B wel degelijk een publiek figuur is, dat het artikel gebaseerd is op zorgvuldig journalistiek onderzoek en bijdraagt aan een publiek debat – het #metoo-debat – en dat de schade die B zou lijden een rechtstreeks gevolg is van zijn eigen gedrag.

De voorzieningenrechter in Amsterdam oordeelt dat NRC de sectie arbeidsrecht van de UvA in het artikel mag noemen, maar niet de voor- en achternaam van B. en/of zijn portretfoto mag publiceren. B. is weliswaar een publiek figuur, maar: “Voor het publieke debat over deze #metoo-kwestie is het niet nodig dat de naam van eiser wordt genoemd. Binnen zijn eigen professionele kringen zal (vrijwel) iedereen, voor zover dat niet al het geval is, snel weten dat het over hem gaat, ook als zijn naam niet wordt genoemd. [...] Een verdergaande inbreuk op zijn privacy en die van zijn gezin door het noemen van zijn naam in het artikel is in de gegeven omstandigheden niet gerechtvaardigd.

NRC publiceert het artikel zonder de naam van B. te noemen, maar gaat wel in hoger beroep. In hoger beroep besluit het hof Arnhem-Leeuwarden anders.

Het hof oordeelt ten eerste, net als de voorzieningenrechter, dat B. een publiek figuur is, door zijn positie in de samenleving als hoogleraar en rechter-plaatsvervanger. Daarnaast had hij binnen zijn vakgebied veel aanzien en trad hij op als spreker op grote arbeidsrechtelijke congressen en sprak of schreef hij als arbeidsrecht expert in verschillende nationale media. “Voor het zijn van een publiek figuur is niet nodig dat het grote publiek iemand kent of dat iemand de openbaarheid zoekt.” Ook oordeelt het hof dat de publicatie voldoende steun in het feitenmateriaal vindt en dat het een resultaat is van deugdelijk onderzoek door de journalisten: “NRC heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij, door 35 bronnen te horen en vertrouwelijke documenten in te zien, een grondig en behoorlijk onderzoek heeft verricht voor dit artikel.

Dan komt het hof tot de kern van de zaak: de naam van B. mag genoemd worden in het artikel. Hierbij oordeelt het hof, in tegenstelling tot de voorzieningenrechter, dat het noemen van zijn naam nou juist wel bijdraagt aan het publieke debat over deze #metoo-kwestie: “NRC heeft ook aannemelijk gemaakt dat het noemen van de naam van [B., red.] bijdraagt aan de zeggingskracht van het artikel en aan het algemeen belang. Juist in #metoo-zaken bestaat er namelijk een grote belangstelling bij het publiek om te vernemen welke hooggeplaatste of publieke personen zich vaak gedurende langere tijd straffeloos seksueel grensoverschrijdend hebben gedragen (vaak ten opzichte van mensen die in een afhankelijkheidsrelatie tot hen staan). Bovendien is aannemelijk dat het artikel voldoet aan de binnen de journalistiek geldende ethische regels en gedragscodes. Vaststaat dat [B., red.] niet strafrechtelijk wordt vervolgd voor de in het artikel beschreven incidenten. Dat betekent dat het artikel niet onder de initialenregel valt (die voor verdachten en daders van strafbare feiten geldt en inhoudt dat van hen slechts de voornaam en de eerste letter van de achternaam wordt genoemd). Ook als hij wel als verdachte zou zijn vervolgd, staat in de NRC Code trouwens dat van de initialenregel kan worden afgeweken bij hooggeplaatste publieke functionarissen (volgens die code onder andere rechters en hoogleraren).“. Ook weegt het hof mee dat het hier gaat om een ernstige misstand (“langdurig seksueel grensoverschrijdend gedrag ten aanzien van meerdere (ondergeschikte) collega’s en studenten“), waardoor het belang van NRC om het artikel te publiceren en de naam te noemen wordt vergroot. De omstandigheid dat de gevolgen van publicatie met naam aanzienlijk zullen zijn voor B., weegt hier niet tegenop.

Het hof wijst op de journalistieke vrijheid van NRC: “[B., red.] heeft nog aangevoerd dat de manier waarop de beschuldigingen zijn beschreven bijzonder stellig is, waarbij de beschuldigingen als feiten worden gepresenteerd en iedere nuance ontbreekt. [...] Dit valt echter onder de journalistieke vrijheid die NRC ook met betrekking tot de schrijfstijl heeft en maakt, ook in samenhang met de overige door [B., red.] genoemde punten, niet dat het privacybelang van [B., red.] voorgaat op het publicatiebelang van NRC.

Het hof vernietigt het door de voorzieningenrechter uitgesproken publicatieverbod. NRC bericht op 17 december 2019 hierover.

NRC werd in deze zaak bijgestaan door Christien Wildeman en Emiel Jurjens.

Journalist and editor’s conviction for incitement to religious hatred violated Article 10

Door Redactie

* This blog post was written by Ronan Ó Fathaigh, IVIR/Univ. Amsterdam and Dirk Voorhoof, Human Rights Centre, Ghent University and Legal Human Academy


In Tagiyev and Huseynov v. Azerbaijan, the European Court of Human Rights unanimously held that the conviction and imprisonment of Azerbaijani journalist Rafig Nazir oglu Tagiye, and editor Samir Sadagat oglu Huseynov, for incitement to religious hatred, violated their right to freedom of expression under Article 10 ECHR. Both had spent over a year in an Azerbaijan prison, and shockingly, following his release, Tagiyev was stabbed to death in an attack in Baku while his case was pending before the European Court. Tagiyev’s wife has continued the proceedings over her husband’s conviction and imprisonment, proceedings that took more than 11 years before the European Court. Mrs. Tagiyev also has a separate case pending over her husband’s killing, claiming that the Azerbaijani government failed to protect his right to life, and that he was targeted over his journalistic activities (here).

Facts

The case began in early November 2006, when Tagiyev wrote an article headlined ‘Europe and us’, which was published in the Sanat Gazeti newspaper, where Huseynov was editor-in-chief. The article was part of a series on ‘East-West studies’, which discussed the role of religion in society, and the influence of Iran in Azerbaijan. The article contained  comments on Islam, including that ‘Morality in Islam is a juggling act; its humanism is not convincing’; ‘in comparison with Jesus Christ, the father of war fatwas the Prophet Muhammad is simply a frightful creature’; ‘at best, Islam would advance in Europe with tiny demographic steps. And maybe there would be a country in which Islam would be represented by a few individuals or terrorists living incognito’, and the ‘Eastern philosopher’ acts ‘as a clown’. The article also criticised Iran, commenting that ‘[t]he Azerbaijani Turk even remains European within the strict Shiite-Islamic regime of Iran. Oppressions and any kind of persecution, or nationalist assimilation attempts, bring no success to Persian chauvinism’. These statements  led to public protests against Tagiyev, as well as criticism by various Azerbaijani and Iranian religious groups. In particular, a religious leader of Iran issued a religious fatwa calling for Tagiyev’s death (see also here and here).

Criminal proceedings were initiated against Tagiyev and Huseynov, under Article 283 of the Criminal Code, which criminalises ‘incitement to religious hatred’, and carries a possible four-year prison sentence. The investigator ordered a ‘forensic linguistic and Islamic assessment’ of the article, which was carried out by the religious expertise department at the State Committee for Work with Religious Organisations. The department’s report referred to the remarks above, and concluded that the article ‘seeks to spread propaganda of hatred and hostility against Islam’, and that there were ‘sufficient grounds to conclude the existence of elements of actions leading to incitement to religious hatred and hostility’.

Subsequently, the Nasimi District Court ordered Tagiyev and Huseynov’s pre-trial detention. In May 2007, the Sabayil District Court convicted Tagiyev of incitement to religious hatred over the article; and Huseynov was also convicted of incitement to religious hatred for having authorised publication. The District Court relied on the conclusions of the religious expertise department’s report, ‘without making any legal assessment or giving further explanation’. Tagiyev was given a three-year prison sentence, and Huseynov a four-year prison sentence. Both appealed their convictions, claiming a violation of Article 10 ECHR. But both the Court of Appeal and the Supreme Court rejected their appeals.

In December 2007, Tagiyev and Huseynov were released from prison, following a presidential pardon decree, having spent more than 13 months in detention. Both made applications to the European Court in 2008, claiming their convictions and imprisonment violated their right to freedom of expression. Tragically, in 2011, Tagiyev was stabbed as he returned home by an unknown person, and died four days later in hospital. As mentioned above, Tagiyev’s wife has a separate case pending against Azerbaijan over the killing.

Judgment

In its judgment of 5 December 2019, the Court accepted that the convictions were ‘prescribed by law’, as Article 283 of the Criminal Code was ‘accessible and foreseeable’; and pursued the legitimate aims of ‘protection of the rights of others’ and ‘prevention of disorder’. The main question for the Court was whether the convictions were ‘necessary in a democratic society’. In this regard, the Court reiterated the principle from its seminal 1979 judgment Sunday Times v. UK, that its supervisory function is ‘not limited’ to ascertaining whether national authorities exercised their discretion ‘reasonably, carefully and in good faith’. Instead, the Court must determine whether the reasons adduced by the authorities were ‘relevant and sufficient’, whether the measures taken were ‘proportionate’; and the Court must ‘satisfy itself’ that the national authorities, ‘basing themselves on an acceptable assessment of the relevant facts, applied standards which were in conformity with the principles embodied in Article 10’ (see also more recently: the Grand Chamber in Magyar Helsinki Bizottság v. Hungary, para. 187; and Baka v. Hungary, para. 158).

First, the Court noted that although Tagiyev’s article contained several remarks about Islam, the article ‘mainly dealt with the comparison between Western and Eastern values, expressing the author’s ideas about the role of religion in the formation of those values’. As such, the article was not to be examined ‘only’ in the context of religious beliefs, but ‘also in the context of a debate on a matter of public interest’. The Court reiterated the principle that under Article 10, there is ‘little scope’ for  restrictions on political speech and expression on matters of public interest, citing the Grand Chamber in Baka v. Hungary.

The Court then examined the impugned remarks ‘characterised by the domestic courts as incitement to religious hatred’, and noted that some of the remarks ‘may’ be seen by ‘certain religious people’ as an ‘abusive attack on the Prophet of Islam and Muslims living in Europe, capable of causing religious hatred’. Crucially, however, the Court held that it ‘cannot’ accept the reasons provided by the Azerbaijan courts as ‘relevant and sufficient’ for imposing the convictions. The Court held that the domestic courts had ‘failed’ to carry out any assessment of the remarks by examining them ‘within the general context of the article’, and had failed to assess the ‘author’s intention’, and the ‘public interest of the matter discussed’. Notably, the Court reiterated the principle from Paraskevopoulos v. Greece, that national courts ‘are required’ to consider an article’s ‘context’ and ‘public interest’, and ‘intention of the author’.

Further, the Court criticised the domestic courts for (a) ‘confin[ing] themselves’ to ‘reiterating the conclusions of a forensic report, without giving any explanation as to why the particular remarks contained in the article constituted incitement to religious hatred’; and (b) ‘fail[ing] to examine the report and merely endorsed its conclusions’. The Court was of the opinion that the forensic report ‘went far beyond’ mere language and religious issues, and ‘provided, in essence, a legal characterisation of the impugned remarks’. The Court found this ‘unacceptable’, and stressed ‘all legal matters must be resolved exclusively by the courts’. Moreover the domestic courts did not strike a right balance between the rights protected under Articles 9 and 10 ECHR.

Finally, the Court thought it ‘necessary’ to draw attention to the severity of the penalties imposed, namely criminal proceedings, three- and four-year prison sentences, and detention for more than 13 months. The Court held that the case did not present ‘any justification’ for such ‘severe sanctions’, which were capable of producing a ‘chilling effect on the exercise of freedom of expression in Azerbaijan’, and ‘dissuading the press from openly discussing matters relating to religion, its role in society or other matters of public interest’. The Court concluded that Tagiyev and Huseynov’s criminal convictions were ‘disproportionate’, and not ‘necessary in a democratic society’, in violation of Article 10 ECHR.

Comment

The most important aspect of the Tagiyev and Huseynov judgment is undoubtedly the human tragedy. It involved Rafig Tagiyev and Samir Huseynov, who were both subjected to criminal prosecution, pre-trial detention, conviction, and 13 months in prison, for publication of an article on a matter of public interest: discussing the role of religion in society and endorsing the perspective of humanism and respect for human rights in Europe. It also involved Rafig’s wife Maila Tagiyeva, who after the assassination of her husband continued the proceedings, and continues proceedings against Azerbaijan over her husband’s killing. Indeed, a number of NGOs recently submitted an alert to the Council of Europe’s platform on the safety of journalists, over ‘continued impunity’ for the murder of Rafiq Tagiyev (here and here). It is hoped that the European Court will soon deliver its judgment on the killing, and the subsequent (lack of) investigation mainly from the perspective of Article 2 ECHR (right to life) and that effective steps will be taken in Azerbaijan to protect journalists’ life, their physical integrity, their right to respect for private and family life and freedom of expression under Articles 2, 3, 8 and 10 ECHR (see Emin Huseynov v. Azerbaijan; Uzeyir Jafarov v. Azerbaijan; Huseynova v. AzerbaijanandKhadija Ismayilova v. Azerbaijan. See also Gongadze v. Ukraine; Dink v. Turkey and Mazepa a.o. v. Russia).

The unanimous judgment in Tagiyev and Huseynov raises some important issues. First, it clearly and unambiguously applies the principle that when considering incitement to hatred, national courts are required to assess (a) the context, (b) the author’s intention, and (c) the public interest of the matter discussed, in combination with other relevant elements. The Court found that the domestic courts did not pertinently justify that the article incited to hatred and religious intolerance as they only ‘examined the impugned remarks detached from the general context and content of the article, without assessing the author’s intention, the public interest of the matter discussed and other relevant elements’. Thus, the judgment in Tagiyev and Huseynov confirms the European Court’s approach that radical statements using a degree of provocation or exaggeration and allegedly inciting to hatred or violence can only be interfered with under the strict conditions of ‘relevant and sufficient reasons’ justifying a proportionate interference. In other recent cases the Court not only emphasised the importance of the context, the content and intention, but also ‘other relevant elements’ such as the impact or the (lack of) ‘clear and imminent danger’ of the alleged incitement to hatred or violence (see Gül and Others v. Turkey (para. 42); Kılıç and Eren v. Turkey (para. 29); Mart ao v. Turkey (para. 31-32); Koç v. Turkey (para. 41); Mariya Alehkina a.o. (Pussy Riot) v. Russia (see blog here); Stomakhin v. Russia (see blog here); and Savva Terentyev v. Russia  (see blog here)). The UN Special Rapporteur on freedom of expression also considers these elements ‘essential’ when determining whether an expression constitutes incitement to hatred: ‘real and imminent danger’ of violence; ‘intent of the speaker’ to incite discrimination, hostility or violence’, and careful consideration of the ‘context’ ((here) and quoted in Mariya Alehkina a.o. v. Russia, para. 106, here).

Second, the Court seems to have moved away from its controversial, and heavily-criticised judgment, in E.S. v. Austria (see blog here), where it found no violation of Article 10 ECHR over a conviction for ‘disparaging religious doctrines’ under Austria’s Criminal Code (an expert in the field of Islamic doctrine holding training seminars for the Austrian Freedom Party had been convicted for suggesting Mohammad had ‘paedophilic tendencies’). Indeed, the Fifth Section of the Court, which delivered Tagiyev and Huseynov, had also delivered the earlier E.S. judgment. While leaving a wide margin of appreciation – as the domestic authorities were considered to be ‘in a better position to evaluate which statements were likely to disturb the religious peace in their country’ – the European Court was satisfied with the argumentation by the domestic courts that the applicant’s statements about Mohammed ‘had been capable of arousing justified indignation, namely that they had not been made in an objective manner aiming at contributing to a debate of public interest’. The Court also emphasised the authorities’ positive obligations under Article 9 ECHR to secure the peaceful co-existence of religious and non-religious groups by ensuring ‘an atmosphere of mutual tolerance’ and it agreed with the domestic courts’ findings that provocative statements capable of hurting the feelings of the followers of a religion could be conceived as ‘a malicious violation of the spirit of tolerance, which was one of the bases of a democratic society’. In its conclusion in E.S., the Court emphasised that the statements at issue were ‘likely to arouse justified indignation in Muslims’ and were not ‘not phrased in a neutral manner aimed at being an objective contribution to a public debate’. On these grounds, the Fifth Section accepted the domestic courts findings that the statements went beyond the permissible limits of ‘an objective debate’, were capable of ‘stirring up prejudice and putting at risk religious peace’, and ‘contained elements of incitement to religious intolerance’.

Now in Tagiyev and Huseynov, the Fifth Section, under the same President – Judge Angelika Nußberger – did not follow the domestic courts and government’s reasoning: it reduced the margin of appreciation, as indeed the impugned press article was to be situated in ‘the context of the freedom of press’ and ‘political expression’, a domain where the authorities enjoy only a limited margin of appreciation in assessing whether a pressing social need exists for interfering with the right to freedom of expression. And unlike in E.S., the Court found that the offending article ‘should not be examined only in the context of a matter relating to religious beliefs, but also in the context of a debate on a matter of public interest, namely the role of a religion in society and its role in the development of society’. Neither did the Court impose the condition that the wordings need to be phrased ‘in a neutral manner’, as an ‘objective contribution’ to that public debate. Also, in contrast with E.S., the Court in Tagiyev and Huseynov found it not decisive that the article at issue could be seen by ‘certain religious people as an abusive attack on the Prophet of Islam and Muslims living in Europe, capable of causing religious hatred’, as it is for the national authorities to carry out a comprehensive assessment of the impugned remarks, putting forward relevant and sufficient reasons for justifying the interference. And although the Court in Tagiyev and Huseynov, as in E.S., referred to the positive obligations of the authorities under Article 9, it did not reproduce the wording in E.S. that provocative statements ‘capable of hurting the feelings of the followers of a religion’ could be conceived as ‘a malicious violation of the spirit of tolerance, which was one of the bases of a democratic society’.

It is also noticeable that in E.S., the Court held that the ‘(potential) effects’ of the statements ‘depend to a certain degree’, on the ‘situation’ in the country where the statements were made at the time (para. 50). The Court however provided no authority for this principle, cited no case law, and nowhere explained what such supposed ‘situations’ were. But notably, in Tagiyev and Huseynov, the Fifth Section omitted any reference to this principle, or E.S.’s paragraph 50. However, in another case of ‘disparaging religious doctrines’ (Otto Preminger Institute v. Austria) the Court justified the interference with freedom of expression referring to the religion of the (overwhelming) majority of the population in the region of Tirol where an alleged blasphemous movie was seized by the authorities, preventing its public showing in a cinema. The Court stated that it could not ‘disregard the fact that the Roman Catholic religion is the religion of the overwhelming majority of Tyroleans. In seizing the film, the Austrian authorities acted to ensure religious peace in that region and to prevent that some people should feel the object of attacks on their religious beliefs in an unwarranted and offensive manner’. In Tagiyev and Huseynov the Court did not consider it relevant to refer to the situation that the Islam religion is the religion of an overwhelming majority in Azerbaijan. Certainly the Court did not consider it sufficient that the Azerbaijani authorities had acted to ensure religious peace or to prevent that ‘some people’ could have felt offended in their religious beliefs (see also Aydin Tatlav v. Turkey, para. 28).

In Tagiyev and Huseynov the crucial point for the Court is that the domestic authorities gave no explanation as to why particular remarks or statements contained in the Tagiyev’s article constituted ‘incitement to religious hatred and hostility’. The fact that some people, a religious minority or even a religious majority can be offended in their religious beliefs cannot be a sufficient argument to interfere with the right to freedom of expression as part of a public debate on matters of religion. The crucial issue is whether the offensive or insulting statements about a religion incite to hatred or violence (see also the Report of the Venice Commission (CDL-AD(2008)026) on this issue, finding ‘[t]hat it is neither necessary nor desirable to create an offence of religious insult (that is, insult to religious feelings) simpliciter, without the element of incitement to hatred as an essential component’ and General Comment no. 34 on freedom of opinion and freedom of expression of the Human Rights Committee, para. 48, both quoted in E.S. v. Austria, para. 28 and 30). By finding a violation of Article 10 ECHR, the judgment in Tagiyev and Huseynov continues the Court’s line of case law on incitement to hatred and violence – Gül and Others; Kılıç and Eren; Mart and Others; Koç; Mariya Alehkina and Others; Stomakhin and Savva Terentyev – which is aligning Article 10 ECHR principles with UN freedom of expression standards. This line of case law reflects the concerns earlier expressed by the Court in Stomakhin and Savva Terentyev that it is ‘vitally important that the domestic authorities adopt a cautious approach in determining the scope of “hate speech” crimes and strictly construe the relevant legal provisions in order to avoid excessive interference under the guise of action taken against “hate speech”’ and ‘to avoid a situation where the State’s discretion to prosecute for such offences becomes too broad and potentially subject to abuse through selective enforcement’.

Finally, it must be recognised that also in Tagiyev and Huseynov, the Court’s starting point is the possibility – and even the necessity – of interferences with the right to freedom of expression based on the religious rights of others, considering that:

[w]here such expressions go beyond the limits of a critical denial of other people’s religious beliefs and are likely to incite religious intolerance, for example in the event of an improper or even abusive attack on an object of religious veneration, a State may legitimately consider them to be incompatible with respect for the freedom of thought, conscience and religion and take proportionate restrictive measures’.

The Court also reminded that ‘tolerance and respect for the equal dignity of all human beings constitute the foundations of a democratic, pluralistic society’, and that it ‘may be considered necessary in democratic societies to sanction or even prevent all forms of expression which spread, incite, promote or justify violence or hatred based on intolerance’. However, the Court reiterated a major qualification: ‘a religious group must tolerate the denial by others of their religious beliefs and even the propagation by others of doctrines hostile to their faith, as long as the statements at issue do not incite to hatred or religious intolerance’. As such, the test for incitement to hatred or religious intolerance is key, and it is expected that the Court’s strict test under Tagiyev and Huseynov will lead to the continued full Article 10 ECHR protection for public-interest and controversial expression concerning religion, in particular in the European countries that still have laws criminalising blasphemy or religious insult (see here).

 

Dirk Voorhoof (Human Rights Centre UGent and Legal Human Academy) is also a member of the European Centre for Press and Media Freedom.

This post was previously published on Strasbourg Observers.

❌