[Contact]

Nieuwskop.nl Nieuwskoppen Nederland

πŸ”’
❌ Over FreshRSS
Er zijn nieuwe artikelen beschikbaar, klik om de pagina te vernieuwen.
Gisteren β€” 14 November 2018Media Report

Opmerkelijk: rechtbank vindt dat column niet β€˜nodeloos grievend’ mag zijn …

Door Jens van den Brink

Een BN’er (een bekende cabaretier die “regelmatig optreedt in de televisieprogramma’s Dit was het nieuws en De wereld draait door“) werd in meerdere columns in Metro van seksueel wangedrag beschuldigd. Hier een fragment uit een van de columns:

“(…) Aanranding wil ik het niet noemen, dat vind ik flauw. Al is dat technisch gezien eigenlijk precies wat er is gebeurd. Maar wat er precies is gebeurd, probeer ik nog op een rijtje te krijgen, en waarom het is gebeurd weet ik ook niet helemaal. Wel weet ik dat dit soort dingen elke dag gebeuren. En dat al die meisjes zich net als ik nu afvragen: “Heb ik dit zelf uitgelokt?” Natuurlijk klinkt dat raar, maar ik zou het ook stom vinden om er zomaar vanuit te gaan dat ik er sowieso niks aan kon doen. Dat de man altijd de schuld heeft, omdat hij nu eenmaal sterker is. (…) Aan de andere kant, terwijl ik dit schrijf staat ‘Trouble’ van Taylor Swift op repeat, voel ik me superrot (zie voorgaande punt), tel ik vijf blauw-groene plekken, kan ik mijn nek niet goed draaien en niet op mijn linkerzij liggen. En dat is helemaal niet oké. (…)

Ik weet ook wel dat hij me geen pijn wilde doen, niet expres. Want wat voor mannen blijkbaar echt onweerstaanbaar is, is het woord ‘nee’. Hard-to-get schijnt een heel leuk spelletje te zijn, maar…ik speelde helemaal geen spelletje. Waar het op neerkwam is dat de man in kwestie – die ik tot overmaat van ramp stiekem ook nog best wel lief en leuk vond – gewoon bezet was en daarom bij mij uit de buurt moest blijven. Dat heb ik ook gezegd. Een stuk of dertig keer. Maar hoe stelliger ik hem afwees, hoe stelliger hij werd. Toch lukte het me om hem van me af te houden, en geloof me als ik zeg dat mij dat ook heel veel zelfbeheersing kostte. Bijna was er niks aan de hand geweest, want ik fietste gewoon naar huis die avond. Maar we kwamen elkaar twee kilometer verder weer tegen, en dat eindigde dus met mij tegen een hek. In de armen van die supersterke sexy Neanderthaler waar ik als verwarde feministe eerder om had gevraagd. Blijkbaar werkt het woord ‘nee’ heel goed. Voor ‘iets’ in ieder geval. Vooral als je het bijna helemaal meent.”

De BN’er voerde al in 2015 een kort geding tegen Metro, dat hij won. De voorzieningenrechter oordeelde dat het een columnist(e) […] in beginsel vrij staat te schrijven over persoonlijke ervaringen. Dit neemt echter niet weg dat,[…], ook in een column niemand lichtvaardig mag worden beschuldigd en dat beschuldigingen steun dienen te vinden in het beschikbare feitenmateriaal.” Een aantal columns was niet herleidbaar tot de BN-ers en daarom al niet onrechtmatig. Voor één column vond de rechter dat die wel herleidbaar, en er onvoldoende feitelijke onderbouwing waren voor de beschuldigingen. Metro moest de column van internet verwijderen.

In 2017 schreef de columniste weer een column over de man, waarin zij nog ernstigere bewoordingen gebruikt en hem van verkrachting heeft beschuldigd, aldus eiser. De BN-er zegt dat “een onschuldige zoenpartij door haar ten onrechte is opgeblazen tot seksueel wangedrag“, en vordert nu in een bodemprocedure rectificatie en schadevergoeding.

Eerder dit jaar (het vonnis is pas op 31 oktober gepubliceerd) deed de rechtbank Amsterdam uitspraak.

De rechtbank bevestigt de bekende rechtspraak waaruit volgt dat een columnist een grotere mate van vrijheid toekomt om zijn of haar persoonlijke mening te geven, maar voegt daaraan toe: De vrijheid van meningsuiting is echter ook in een column gebonden aan grenzen, welke worden overschreden in het geval de uitingen zijn gedaan met de bedoeling de ander te kwetsen of de bewoordingen met het oog op het te dienen belang nodeloos grievend zijn. Daarnaast is sprake van overschrijding van grenzen wanneer columnisten bij het uiten van hun persoonlijke mening over personen kwalificaties bezigen of vergelijkingen treffen waartoe de feiten in redelijkheid geen aanleiding geven. Bepaalde aspecten mogen dus worden uitvergroot in een column, maar moeten wel steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal.”

De rechtbank meent verder dat de nieuwe column herleidbaar was en acht de beschuldigingen onrechtmatig en veroordeelt Metro uitgever tot een schadevergoeding van EUR 10.000,-.

Dit vonnis is naar mijn mening problematisch.

Een column mag van de rechtbank niet ‘nodeloos grievend’ zijn. Het lijkt erop alsof dat zinnetje een beetje per ongeluk in het vonnis terecht is gekomen. Althans, dat hoopt de Mediareport redactie. Het EHRM beschermt immers ook het recht “to offend, shock or disturb” en een column bij uitstek een plek is waarin ‘nodeloos grievende’ uitingen (wat dat ook moge betekenen) een plek hebben en kwetsende uingen niet bepaald uitzonderlijk zijn, laat staan verboden.

De rechtbank lijkt hier (per ongeluk?) een veel te strenge grens te trekken, die bovendien in deze zaak ook niet nodig was om tot hetzelfde oordeel te komen. Deze zaak ging er nu juist om dat dit volgens de rechtbank niet zo maar opinies of verwensingen waren, of kwetsende uitingen, maar feitelijke beschuldigingen van een ernstig strafbaar feit. Waarom de rechtbank dan overweegt dat een column niet nodeloos zou mogen grieven is onduidelijk. En kwalijk. Als dit daadwerkelijk het recht zou zijn, zou dat voor veel heel columnisten betekenen dat ze moeten inbinden.

Bijgaand de prachtige cartoon van onze voormalige collega Willem van Manen, die zich altijd (terecht) druk maakte over rechters die naar zijn idee te veel strooiden met de term ‘onnodig grievend’.

Wij hopen dat columnisten gewoon gebruik blijven maken van hun recht om onnodig te grieven.

OuderMedia Report

Quirine Tjeenk Willink naar Kennedy Van der Laan

Door Redactie

Het mediateam van Kennedy Van der Laan is heel blij te kunnen melden dat Quirine Tjeenk Willink sinds deze week bij Kennedy Van der Laan is gestart als partner regulatory litigation en privacy. Dat betekent ook een fantastische versterking voor onze mediapraktijk, bijvoorbeeld voor frequentievraagstukken, issues rond de Mediawet en andere reguleringskwesties waar media- en telecombedrijven mee worden geconfronteerd.

Quirine heeft meer dan 15 jaar ervaring in de advocatuur en vertegenwoordigt al jaren partijen in de telecom- en mediasector.

Na ruim een jaar als general counsel in de directie van energienetwerkbedrijf Alliander N.V. keert ze terug in de advocatuur als partner bij Kennedy van der Laan. Tjeenk Willink was voor Alliander onder meer partner en hoofd privacy & data protection bij Bird & Bird en deed ruim 11 jaar ervaring op als counsel bij advocatenkantoor Allen & Overy.

Foto’s over de vriend van Dionne Stax in Story niet onrechtmatig

Door Joost Lichtendahl

In het tijdschrift Story is op 31 juli 2018 een aantal foto’s en een artikel gepubliceerd over de (nieuwe) vriend van nieuwslezeres Dionne Stax. De vriend van Stax is daarop een kort geding gestart bij de voorzieningenrechter in Amsterdam waarin hij onder meer heeft gevorderd iedere verdere verspreiding van de foto’s te verbieden omdat dit inbreuk zou maken op zijn privacy. De voorzieningenrechter

wijst het gevorderde verbod af.

Stax is een bekende Nederlander die volop in het nieuws staat en de publiciteit niet schuwt. Daarnaast vervult Stax volgens de voorzieningenrechter vanwege haar uitspraken en levensstijl voor veel vrouwen van haar leeftijd die ook een carrière nastreven een voorbeeldfunctie. Om deze redenen gaat het nieuws dat ze een nieuwe vriend heeft verder dan alleen het voldoen aan nieuwsgierigheid van het publiek.

Bovendien oordeelt de voorzieningenrechter dat de nieuwe vriend van Stax door zijn relatie met haar zelf ook een ‘min of meer publieke figuur [is] geworden en onderwerp van ‘entertainmentnieuws’ met, zij het in geringe mate, nieuwswaarde’. Van hem mag daarom op het gebied van blootstelling aan publiciteit meer worden gevergd dan van de gemiddelde onbekende burger.  

Verder overweegt de voorzieningenrechter in het kader van een belangenafweging dat de foto’s illustratief zijn voor het artikel, niet diffamerend zijn, niet zijn genomen in een intieme setting en evenmin tot stand zijn gekomen als gevolg van hinderlijk volgen, zoals de vriend van Stax tevergeefs had aangevoerd. Bovendien heeft Sanoma toegezegd de foto’s niet verder te zullen verspreiden zonder dat daartoe een journalistieke reden bestaat. Het artikel zelf is verder ook niet negatief van aard. Onder deze omstandigheden is de publicatie van de foto’s en het artikel niet onrechtmatig.

Ten slotte slaagt ook het beroep op de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) niet omdat Sanoma een beroep kan doen op de journalistieke uitzondering voor het verwerken van persoonsgegevens.

De slotsom luidt dat alle vorderingen worden afgewezen.

HR bevestigt portretrecht uitspraak Hof Den Haag: geen verbod op boek β€˜De Gekooide Recherche’

Door Jens van den Brink

De Hoge Raad verwierp in een arrest van vandaag de cassatie tegen het arrest van het Hof Den Haag over het boek De Gekooide Recherche van Michiel Princen, over zijn ervaringen als rechercheur bij de politie. Eiser in deze zaak is Jonathan T., die al meermalen onderwerp is geweest van publicaties en over wie ook een boek is geschreven, waarbij hij ook herkenbaar is afgebeeld, en met zijn volledige naam is genoemd. Daar heeft hij ook eerder over geprocedeerd. Eerder trad hij bijvoorbeeld zonder succes op tegen publicatie van dezelfde foto door Quote.

T. deed zich ten onrechte voor als advocaat en werd beschuldigd van oplichting van meerdere BN-ers, waaronder de weduwe Endstra. T. is uiteindelijk veroordeeld tot 3,5 jaar gevangenisstraf. In het boek wordt de strafzaak tegen T. beschreven en wordt T. opgevoerd met volledige naam en een herkenbare foto, waarop hij op de rode loper te zien is met de weduwe Endstra.

T. startte daarop een civiele procedure tegen de Nederlandse Staat, de Nationale Politie en auteur – en voormalig rechercheur – Princen van het boek over deze passage. Hij wilde onder meer dat het boek uit de handel zou worden genomen.

Volgens T. had Princen zich schuldig gemaakt aan schending van zijn ambstgeheim en waren T’s recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer en zijn rechten onder de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) geschonden.

Volgens T diende het voorkomen van zijn naam en het tonen van een foto van hem alleen maar de bevrediging van publieke nieuwsgierigheid. Dat was het hof niet met hem eens: “Princen heeft toegelicht dat hij ervoor heeft gekozen de problemen binnen de recherche inzichtelijk te maken aan de hand van het verloop van het onderzoek in strafzaken waarover in de media al breed was bericht, zoals de zaken tegen H., P. en T. Die koppeling van het bekende (de strafzaken) aan de boodschap (de opsporingsproblemen) kan de controleerbaarheid en geloofwaardigheid en daarmee de zeggingskracht vergroten. In die zin draagt ook het noemen van de naam van T. en het tonen van zijn portret bij aan het hiervoor genoemde algemeen belang. Het betoog van T. dat Princen het nagestreefde doel ook had kunnen bereiken zonder zijn naam te noemen treft in zoverre dus geen doel.”

Daarbij speelde mee dat de feiten die over hem in het boek staan, al eerder waren gepubliceerd. Dat gold ook voor de beschrijving van hem als oplichter, en informatie over zijn seksuele geaardheid.

Het hof wijst nog op de bekende regel uit het Springer arrest, dat geen beroep kan worden gedaan op het recht op bescherming van reputatie als het verlies van goede naam een voorzienbaar gevolg is van het eigen gedrag, zoals het plegen van een strafbaar feit. “Die publiciteit was in dit geval extra goed te voorzien vanwege de bekendheid van ten minste één slachtoffer van de door [appellant] gepleegde strafbare feiten, te weten [de weduwe Endstra]. Niet in geschil is dat [slachtoffer] als de weduwe van Endstra kan worden gekwalificeerd als een publiek persoon.”

Bovendien ging T om met allerlei andere bekende Nederlanders en trok hij daarom ook zelf aandacht van de media. Dat gedrag van brengt ook mee dat zijn beroep op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer minder zwaarder weegt.

Er is T geen wederhoor geboden, maar dat is ook geen absoluut recht en het ontbreken ervan maakt de publicatie niet onrechtmatig.

Het beroep op de Wbp (inmiddels de AVG) wordt eenvoudig afgeserveerd; de uitingsvrijheid weegt hier zwaarder dan de belangen die de Wbp beschermt.

Ook meer in het algemeen weegt de uitingsvrijheid hier volgens het hof zwaarder dan de het recht op privacy waar T zich op beroept. Zijn vorderingen worden afgewezen.

De Hoge Raad heeft vandaag het cassatieberoep van T. verworpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO. Dat betekent dat de Hoge Raad de zaak afdoet zonder inhoudelijke motivering, omdat het cassatieberoep ongegrond is en geen juridisch belangrijke nieuwe vragen oproept.

Passages over moeder van schrijfster in β€˜autobiografisch dagboek’ niet onrechtmatig

Door Meyke Rietveld

Op 11 oktober 2018 heeft de voorzieningenrechter uitspraak gedaan in een zaak over het boek De Porseleinkast, Faxen aan Ger van Nicolien Mizee. In dit boek, dat grotendeels bestaat uit een verzameling faxen die de auteur in de jaren ’90 van de vorige eeuw heeft verzonden aan een vriend, staan verschillende uitingen van de auteur over haar moeder. Haar moeder is niet blij met deze uitingen en start een rechtszaak tegen de uitgever (Van Oorschot) met als doel de verspreiding van het boek te voorkomen. De voorzieningenrechter wijst haar vorderingen echter af.

De zaak draait om een zevental passages in het boek, waarin Mizee herinneringen ophaalt aan haar moeder en enkele negatieve ervaringen over haar moeder deelt. De moeder van Mizee voert in het kort geding aan “zeer diep gekwetst” te zijn door deze passages en stelt dat ze bovendien feitelijk onjuist zijn.

De voorzieningenrechter beoordeelt eerst of er steun in de feiten bestaat voor de uitingen.

Daarbij kwalificeert zij eerst een deel van de uitingen van Mizee als waardeoordelen. Mizee heeft zich bij het schrijven van het boek dan wel “laten inspireren door waargebeurde feiten en in werkelijkheid bestaande personen“, maar het boek bevat (naar oordeel van de rechter) ‘haar waarheid’, die bestaat uit waardeoordelen:

“4.4. (…) Het werk is aan te merken als een autobiografisch dagboek. De gemiddelde hedendaagse lezer zal begrijpen dat het boek niet altijd objectieve beschrijving van de werkelijkheid betreft, maar de persoonlijke beleving en herinnering van de schrijfster, die zij soms heeft overdreven of aangedikt en dier zij op een literaire wijze heeft ingekleurd met haar verbeelding en emoties. Het boek bevat dus niet de waarheid, maar haar waarheid.

De voorzieningenrechter noemt daarbij passages als “dat [haar moeder] de schrijfster heeft gekleineerd en een afkeer van haar heeft” en “dat de schrijfster haar moeder vreemd vindt“. Dergelijke waardeoordelen zijn niet voor bewijs vatbaar, en de voorzieningenrechter oordeelt daarom dat niet van de uitgever gevergd kan worden dat zij aannemelijk maakt dat deze uitingen steun vinden in de feiten.

De passages bevatten ook enkele feitelijke beschuldigingen. Bij de beoordeling of deze steun in de feiten vinden stelt de voorzieningenrechter voorop: “Gezien het literaire karakter van het boek en gezien de schrijfstijl van de auteur zal de gemiddelde hedendaagse lezer begrijpen dat niet ieder in het boek gepresenteerd feit ook daadwerkelijk zo hoeft te zijn gebeurd.

De voorzieningenrechter vergt echter wel enig onderzoek van de uitgever, nu de dagboekvorm van het boek bij de gemiddelde lezer de indruk wekt op feiten te zijn gebaseerd. De uitgever heeft in de procedure toegelicht dat zij dit onderzoek heeft verricht en heeft daarbij verschillende producties in het geding gebracht, op grond waarvan de voorzieningenrechter oordeelt dat er voldoende steun in de feiten bestaat voor de ‘feitelijke passages’ in het boek. De eerste lijn van klachten van eiseres (dat de uitingen onjuist zijn) faalt dus.

Dan beoordeelt de voorzieningenrechter het beroep van de moeder op de schending van haar persoonlijke levenssfeer. De moeder is herkenbaar in het boek beschreven en de negatieve ervaringen van de auteur gaan over het gezinsleven en de verhoudingen tussen de leden in het gezin. Op grond daarvan oordeelt de voorzieningenrechter dat de passages kwalificeren als “een inbreuk op haar door artikel 8 EVRM beschermde rechten“.

De uitingsvrijheid weegt echter zwaarder, zo oordeelt de voorzieningenrechter, nu onder meer “[het boek] gaat om de persoonlijke beleving en herinnering van de schrijfster“, waarbij het “moeilijk is het personage van de moeder te fingeren of daarin wijzigingen aan te brengen”. Ook weegt de voorzieningenrechter mee dat de de moeder “weliswaar in een kwaad daglicht [wordt gesteld“, maar dat ze slechts “een zeer beperkte rol” heeft in het boek. Verder overweegt de voorzieningenrechter dat de passages “niet buiten iedere proportie” grievend zijn en dat het boek ook positieve(re) uitingen over de moeder bevat. En tot slot is volgens de voorzieningenrechter relevant dat “de impact van het boek beperkt” is, nu de oplage niet groot is en de gebeurtenissen enkele decennia geleden hebben plaatsgevonden.

De uitingsvrijheid weegt in dit geval dus zwaarder dan de schending van de persoonlijke levenssfeer en de vorderingen worden afgewezen. De voorzieningenrechter merkt tot slot nog op dat de uitingsvrijheid niet alleen strekt tot het aan de kaak stellen van maatschappelijke misstanden (wat kennelijk was betoogd), maar ook de “artistieke uitingsvrijheid” omvat.

Savva Terentyev v. Russia: criminal conviction for inciting hatred against the police violated a blogger’s freedom of expression

Door Redactie

* Guest post By Dirk Voorhoof, Human Rights Centre, Ghent University and Legal Human Academy

In Savva Terentyev v. Russia the ECtHR has applied a very high level of free speech-protection for aggressively insulting and hostile comments about police officers, published on a weblog. The ECtHR observes that some of the wording in the blog post was offensive, insulting and virulent, but it found that the (emotional and sarcastic) comments as a whole could not be seen as inciting to hatred or violence. In contrast with the findings by the Russian authorities, the ECtHR is of the opinion that Terentyev’s blog did not pose “a clear and imminent danger” and could not be seen as stirring up “base emotions or embedded prejudices” attempting to incite hatred or violence against Russian police officers.

Controversial police action and conviction for inciting hatred and enmity

The applicant in this case, Savva Terentyev (not to be confused with the applicant in the 2017 judgment in the case of Terentyev v. Russia), living in the Komi Republic of Russia, had a blog hosted by livejournal.com, a popular blog platform. A police action in the premises of a local newspaper journal had resulted in sharp criticism on social media and websites. The official version was that the police found illegal software on the newspaper’s computers, and that this justified the seizure of the hard disks in the newspaper’s office. The police action against the newspaper however took place only short time before regional elections in the Komi Republic, and therefore the search and seizure by the police was linked to the election campaign, especially because the newspaper was in opposition to the current authorities of the Komi Republic and was actively supporting a well-known local politician who had a long-standing conflict with those authorities. In a press release by an NGO and in several blogs, the police action was considered as a political intervention in order to silence the newspaper. One comment labelled the police as “‘the regime’s faithful dogs’ (..) with the mentality of a repressive hard stick in the hands of those who have the power”. Also Savva Terentyev posted a comment entitled “I hate the cops, for fuck’s sake”, in which he compared police officers with pigs and filth, and he suggested that it would be great if in the centre of every Russian city, on the main square “there was an oven, like at Auschwitz”, in which ceremonially “infidel cops” would be burnt.

Criminal proceedings were brought against Terentyev under Article 282 § 1 of the Russian Criminal Code. The blogger was found guilty for “having publicly committed actions aimed at inciting hatred and enmity and humiliating the dignity of a group of persons on the grounds of their membership of a social group”. The court based its findings on, among other evidence, two expert reports and it found that Terentyev had negatively influenced public opinion “with the aim of inciting social hatred and enmity, escalating social conflict and controversy in society and awakening base instincts in people”, calling for the “physical extermination” of police officers by ordinary people. According to the trial court “the text did not allow for any ambiguous interpretation of its content and meaning”. It considered that the crime committed by Terentyev was “particularly blatant and dangerous for national security” as it ran against the fundamentals of the constitutional system and State security. The domestic court found that a sentence involving the deprivation of liberty should be imposed on Terentyev, but given his positive references at his place of residence and work and the absence of a criminal record, Terentyev was imposed a suspended sentence of one year’s imprisonment. The Supreme Court of the Komi Republic rejected Terentyev’s appeal and endorsed the Town Court’s conclusions, confirming that he had publicly called for violence against police officers. Terentyev lodged a complaint with the ECtHR, alleging in particular that his criminal conviction for a comment on the Internet had violated his right to freedom of expression under Article 10 ECHR.

 The Court’s judgment

The ECtHR assumes that the interference with Terentyev’s right to freedom of expression was “prescribed by law” and aimed at the protection of the rights of others, namely Russian police personnel. With regard to the assessment of the necessity in a democratic society, the ECtHR first recalls that

“there is little scope under Article 10 § 2 ECHR for restrictions on political speech or on debate on questions of public interest. It is the Court’s consistent approach to require very strong reasons for justifying restrictions on such debate, for broad restrictions imposed in individual cases would undoubtedly affect respect for the freedom of expression in general in the State concerned”.

 The ECtHR accepts that it may be necessary in democratic societies to sanction or even prevent forms of expression which spread, incite, promote or justify violence or hatred based on intolerance provided that any “formalities”, “conditions”, “restrictions” or “penalties” imposed are proportionate to the legitimate aim pursued. Next, the ECtHR examines the nature and wording of the impugned statements, the context in which they were published, their potential to lead to harmful consequences and the reasons adduced by the Russian courts to justify the interference in question.

The ECtHR reiterates that offensive language may fall outside the protection of freedom of expression if it amounts to wanton denigration. The use of vulgar phrases in itself is however not decisive in the assessment of an offensive expression as it may well serve merely stylistic purposes: style constitutes part of the communication as the form of expression and is as such protected together with the substance of the ideas and information expressed. The ECtHR stresses that not every remark which may be perceived as offensive or insulting by particular individuals or groups justifies a criminal conviction in the form of imprisonment. It is only by a careful examination of the context in which the insulting or aggressive words appear that one can draw a meaningful distinction between shocking and offensive language which is protected by Article 10 ECHR and that which forfeits its right to tolerance in a democratic society. The key issue in the present case is whether Terentyev’s statements, when read as a whole and in their context, can be seen as promoting violence, hatred or intolerance.

The ECtHR finds that the statements in Terentyev’s blog raised the issue of the alleged involvement of the police in silencing and oppressing the political opposition in the period of an electoral campaign and therefore concerned a matter of general and public concern, a sphere in which restrictions of freedom of expression are to be strictly construed. With regard the content of the statements, the ECtHR notes that the passage about the ceremonial incineration of “infidel cops” in ovens, referring to Auschwitz, is particularly aggressive and hostile in tone. However, unlike the domestic courts, it is not convinced that that passage can actually be interpreted as a call for the police officers’ physical extermination by ordinary people. Rather it was used as a provocative metaphor, which frantically affirmed Terentyev’s wish to see the police “cleansed” of corrupt and abusive officers (“infidel cops”). It is furthermore of relevance that the remarks in Terentyev’s blog did not attack personally any identifiable police officers but rather concerned the police as a public institution. A certain degree of immoderation may be acceptable, particularly where it involves a reaction to what is perceived as unjustified or unlawful conduct of civil servants. In the Court’s view, being a part of the security forces of the State, the police should display a particularly high degree of tolerance to offensive speech, unless such inflammatory speech is likely to provoke imminent unlawful actions in respect of their personnel and to expose them to a real risk of physical violence. The ECtHR is not convinced that Terentyev’s comment was likely to encourage violence capable of putting the Russian police officers at risk. Furthermore his blog had only a minor impact, as it drew seemingly very little public attention, and the comments remained only one month online. Finally the Court reiterates that a criminal conviction is a serious sanction, while moreover the imposition of a prison sentence for an offence in the area of a debate on an issue of legitimate public interest is only compatible with Article 10 ECHR in exceptional circumstances, notably where other fundamental rights have been seriously impaired, as, for example, in the case of hate speech or incitement to violence. The ECtHR repeats that it is not convinced that Terentyev’s comment had the potential to provoke any violence with regard to the Russian police officers, and thus posed a clear and imminent danger which required his criminal prosecution and conviction. The ECtHR furthermore stresses

 “that it is vitally important that criminal law provisions directed against expressions that stir up, promote or justify violence, hatred or intolerance clearly and precisely define the scope of relevant offences, and that those provisions be strictly construed in order to avoid a situation where the State’s discretion to prosecute for such offences becomes too broad and potentially subject to abuse through selective enforcement” (§ 85).

On the basis of these considerations the ECtHR comes to the conclusion that Terentyev’s criminal conviction did not meet a “pressing social need” and was disproportionate to the legitimate aim invoked. The interference was thus not “necessary in a democratic society” and accordingly violated Article 10 ECHR.
Comments

The outcome in this case with the finding of a violation of Article 10 ECHR might be surprising, as the comments at issue wishing that “infidel cops” may be ritually burnt by the people, in an oven “like at Auschwitz”, can be considered as incitement to hatred and even violence against the police, while incitement to hatred and violence can be sanctioned with criminal sanctions without amounting to a violation of Article 10 ECHR (see e.g. Sürek (no. 1) v. Turkey, Sürek (no 3) v. Turkey, Zana v. Turkey, Hocaoğullari v. Turkey, Halis Doğan (no. 3) v. Turkey, Karatepe v. Turkey, Falakaoğlu and Saygili v. Turkey, Saygili and Falakaoğlu (no. 2) v. Turkey, Féret v. Belgium, Lindon, Otchakovsky-Laurens and July v. France and Leroy v. France). In some exceptional and extreme cases, the abuse clause of Article 17 ECHR has even been declared applicable, excluding “hate speech” from any protection under the Convention’s right to freedom of expression (eg. Mark Anthony Norwood v. the United Kingdom (dec.), Fouad Belkacam v. Belgium (dec.), Dieudonné M’bala M’bala v. France(dec.) and ROJ TV A/S v. Denmark(dec.)). The unanimous finding by the ECtHR in Savva Terentyev v. Russia that the offensive comments posted on the Internet did not justify a suspended prison sentence, is however in line with the Court’s jurisprudence in cases where the ECtHR is not convinced that the statements (or slogans) at issue contained incitement to hatred or violence, or acts of terrorism (see the Court’s findings in numerous cases against Turkey since 1999, most recently e.g. Dündar and Aydınkaya v. Turkey, Düzel v. Turkey, Varhan v. Turkey, Yildirim v. Turkey, Kinik v. Turkey, Polat and Tali v. Turkey and Ayadin v. Turkey). The ECtHR also reiterates that in principle the police should display a particularly high degree of tolerance to offensive speech. Earlier case law of the Court made clear that calling the police “wild beasts in uniform” was considered as protected speech under Article 10 ECHR (Thorgeir Thorgeirson v. Iceland. See also Lyashko v. Ukraine and Vellutini and Michel v. France). In Savva Terentyev v. Russia, the statements furthermore did not attack personally any identifiable police officers, but concerned the police as a public institution.

As the ECtHR emphasized in other judgments, provisions in criminal law restricting political speech or debate on questions of public interest must be strictly interpreted (Gündüz v. Turkey and Perinçek v. Switzerland). It is indeed the Court’s consistent approach to require very strong reasons for justifying restrictions on such debate, especially in pre-election periods (Długołęcki v. Poland). More recently, in Stomakhin v. Russia, the ECtHR emphasized “that it is vitally important that the domestic authorities adopt a cautious approach in determining the scope of “hate speech” crimes and strictly construe the relevant legal provisions in order to avoid excessive interference under the guise of action taken against “hate speech”, where such charges are brought for a mere criticism of the Government, State institutions and their policies and practices” (see Mariya Alekhina a.o. v. Russia and our blog on the Pussy Riot case).

The judgment in Savva Terentyev v. Russia confirms the strict scrutiny by the ECtHR of the domestic courts’ findings in cases of hate speech related to political speech or debate on issues of public interest. While the domestic courts found that the statements at issue did not allow for any ambiguous interpretation of its content and meaning, the ECtHR itself comes to another interpretation. According to the ECtHR, the blog showed Terentyev’s

“emotional disapproval and rejection of what he saw as abuse of authority by the police and conveys his sceptical and sarcastic point of view on the moral and ethical standards of the personnel of the Russian police. Seen in this perspective, the statements in question can be understood as a scathing criticism of the current state of affairs in the Russian police and, in particular, the lack of rigour in the recruitment of their personnel” (§ 71).

In other cases the ECtHR found that some statements were at least “contradictory and ambiguous” in order to accept the domestic courts’ findings of incitement to violence (Zana v. Turkey), or it considered that the comments in question “did not include sophisticated metaphors” as they were “manifest expressions of hatred and blatant threats to the physical integrity of the insulted person” (Delfi AS v. Estonia). In Savva Terentyev v. Russia the ECtHR applies another reading and interpretation of the statements at issue, neutralizing their incitement character by qualifying them as a “provocative metaphor” and as an “emotional appeal to take measures with a view to improving the situation”, also referring to the “sceptical and sarcastic” view expressed in the statements. However, like in other cases, the ECtHR moreover emphasizes that the statements cannot be looked at in isolation, and that it is crucial to determine whether or not the statements run the risk of effectively inciting to hatred or act of violence or can be regarded as likely to exacerbate an already explosive situation in the region concerned(see e.g. Zana v. Turkey and Leroy v. France). In Savva Terentyev v. Russia the ECtHR discerns no elements, either in the domestic courts’ decisions or in the Government’s submission, which would enable it to conclude that Terentyev’s comment had the potential to provoke any violence with regard to the Russian police officers, thereby posing “a clear and imminent danger” which required his criminal prosecution and conviction (see also Gül and Others v. Turkey, Kılıç and Eren v. Turkey; Erbakan v. Turkey and Stomakhin v. Russia).

This approach by the ECtHR, applied on internet comment and “hate speech”, integrates the principles enshrined in the 2012 Report of the UN Special Rapporteur on the promotion and protection of the right to freedom of opinion and expression (also referred to in the judgment’s overview of “relevant international instruments materials”, § 34). According to this UN report the following elements are essential when determining whether an expression constitutes incitement to hatred:

“real and imminent danger of violence resulting from the expression; intent of the speaker to incite discrimination, hostility or violence; and careful consideration by the judiciary of the context in which hatred was expressed (..). Accordingly, any contextual assessment must include consideration of various factors, including the existence of patterns of tension between religious or racial communities, discrimination against the targeted group, the tone and content of the speech, the person inciting hatred and the means of disseminating the expression of hate. For example, a statement released by an individual to a small and restricted group of Facebook users does not carry the same weight as a statement published on a mainstream website (..)”

As Savva Terentyev v. Russia is the first judgment of the ECtHR applying explicitly and substantially the “clear and imminent danger”-test with regard to alleged hate speech in a blog posted on the internet, the importance and the impact of this unanimous finding by the ECtHR of a violation of Article 10 ECHR cannot be underestimated for future cases on internet-related hate crime.

This post was previously published on Strasbourg Observers.

*Dirk Voorhoof, Human Rights Centre Ghent University (Belgium),  Legal Human Academy and member the European Centre for Press and Media Freedom (ECPMF, Germany)

Oud-president GeorgiΓ« mag vanuit Nederland kritiek blijven uiten in Georgische media

Door Emiel Jurjens

Na twee veelbewogen termijnen als president van Georgië woont Michail Sakaasjvili inmiddels in Nederland. Hij is nog steeds politiek actief in Georgië en geeft in april-mei 2018 interviews aan Georgische media waarin hij felle kritiek uit op de handelwijze van de Georgische banken. Daarbij bekritiseert hij verschillende betrokkenen in het bijzonder, waaronder een andere oud-president van Georgië (Bidzina Ivanishvili) en een ‘Amerikaans staatsburger van Georgische komaf’. Laatstgenoemde start een kort geding in Nederland tegen Sakaasjvili, met als inzet onder meer het verkrijgen van een uitingsverbod en plaatsing van een rectificatie. De voorzieningenrechter wijst echter alle vorderingen af.

De voorzieningenrechter acht zich, nu Sakaasjvili in Nederland woont, bevoegd van de zaak kennis te nemen en oordeelt dat het toepasselijk recht Georgisch recht is. Het nationale Georgische recht speelt echter geen rol van betekenis in deze zaak. Partijen zijn het er namelijk over eens dat de jurisprudentie van het EHRM onderdeel uitmaakt van het Georgisch recht en dat zij hier een rechtstreeks beroep op kunnen doen. Bij de beoordeling van de zaak baseert de voorzieningenrechter zich dan ook alleen op uitspraken van het EHRM.

Sakaasjvili heeft in uitgebreide interviews zijn visie gegeven op de banksector van Georgië, en de rol van specifieke personen (waaronder eiser) daarin. Hij stelt daarover dat een kleine groep banken en hun vertegenwoordigers “de macht in handen hebben (oligarchie), de overheid beïnvloeden en controleren, hun greep op de Georgische maatschappij vergroten en zich verrijken ten koste van de Georgische bevolking

De voorzieningenrechter oordeelt dat deze uitingen kwalificeren als uitingen van algemeen belang, gedaan in het kader van een politiek debat, waarmee wordt beoogd een ernstige maatschappelijke misstand aan de orde te stellen. Aan dergelijke uitingen dient een “groot gewicht” te worden toegekend, temeer nu deze zijn gedaan door een lid van de oppositie: de voorzieningenrechter verwijst naar het EHRM-arrest Incal/Turkije waarin is uitgemaakt dat beperking van de uitingsvrijheid voor dergelijke politici ‘the closest scrutiny’ van het Hof vereist.

Verder acht de voorzieningenrechter van belang dat de uitingen uitsluitend zien op het professionele handelen van eiser, en dat deze gezien zijn positie in de Georgische samenleving kwalificeert als een ‘public figure’ die een dikke huid voor kritiek moet hebben. Daarbij is het naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet van belang dat eiser stelt er naar te streven ‘zo veel mogelijk uit de publiciteit te blijven’.

Na deze vaststellingen kijkt de voorzieningenrechter naar de gewraakte uitingen. Eiser stelt dat Sakaasjvili hem zou hebben beschuldigd van het plegen van strafbare feiten. De voorzieningenrechter volgt hem daar echter niet in en oordeelt dat de uitingen in hun context gelezen moeten worden, en daarbinnen kwalificeren als ‘overwegend waardeoordelen’:

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kunnen de hiervoor onder 4.11. genoemde beschuldigingen, gelet op de context waarin deze zijn gedaan, worden aangemerkt als overwegend waardeoordelen, die als zodanig een voldoende feitelijke basis vinden in de hiervoor weergegeven – niet weersproken – gegevens over de bankensector in Georgië en de positie van [eiser] in de Georgische samenleving.”

De voorzieningenrechter overweegt dat de feitelijke juistheid van de uitingen en de betekenis die het Georgische publiek aan de uitingen toekent zonder nadere voorlichting niet goed te beoordelen zijn, maar dat naar voorlopig oordeel de waardeoordelen in elk geval niet excessief te noemen zijn.

Het vonnis sluit af met een herbevestiging van het belang van de grote ruimte die moet worden gegeven aan uitingen in het kader van het politieke debat:

De voorzieningenrechter herhaalt dat aan het belang om in het kader van een politiek debat beweerdelijke misstanden aan de orde te stellen die de kern van een democratische rechtsstaat raken, een zeer groot gewicht moet worden toegekend. Dat geldt ook voor uitingen die als beledigend kunnen worden ervaren.

Drie billboards in de buurt van boerderij deels onrechtmatig

Door Joost Lichtendahl

In de alom geprezen film Three Billboards Outside Ebbing, Missouri uit 2017 plaatst de moeder van een vermoord meisje drie grote reclameborden langs de weg met kritiek op het optreden van de politie in de zaak. Kritische reclameborden vormden recent ook de steen des aanstoots in een zaak voor de voorzieningenrechter in Rotterdam. De feiten waren gelukkig minder dramatisch: een aannemer had drie borden langs de weg geplaatst met de melding dat opdrachtgevers de facturen van de aannemer niet volledig hadden voldaan, waardoor zij als ‘oplichters’ zouden kwalificeren. Deze borden waren strategisch in de buurt van de boerderij van de opdrachtgevers geplaatst. Deze eisten vervolgens in kort geding een uitings- en contactverbod. De voorzieningenrechter wijst de eis deels toe.

Eisers hebben samen een melkveebedrijf en hebben de aannemer de opdracht verstrekt een veranda te bouwen. De aannemer heeft de veranda voor een groot deel gebouwd. Vervolgens hebben eisers besloten om de veranda door een ander af te laten maken, omdat het werk volgens hen niet opschoot. Hierdoor is tussen partijen een geschil ontstaan over de laatste deelbetaling van € 3.107,63. De aannemer heeft daarop borden langs de openbare weg geplaatst met teksten als “[namen eisers] Veranda betalen”, “[eisers] hebben hun veranda nog steeds niet helemaal betaald” en “oplichting”.

Daarnaast heeft de aannemer SMS, WhatsApp en e-mail berichten gestuurd naar de eisers met de teksten als: “jullie moeten gaan betalen anders wordt het geen leuk jaar voor jullie”, “Neem contact met mij op want anders gaat het zeker uit de hand lopen als wij komen om mijn spullen terug te halen” en “Hee oplichters, gaan jullie nog betalen?

De voorzieningenrechter oordeelt dat niet in geschil is dat de laatste rekening niet betaald is. Daaruit volgt dat de uitingen over het onbetaald blijven van de rekening voldoende steun in de feiten hebben. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter in een fraaie passage:

Die mededeling is immers feitelijk juist en heeft betrekking op een zakelijk geschil. Dit valt naar voorlopig oordeel onder de vrijheid van meningsuiting. Eisers zullen begrijpelijkerwijs ongemak ervaren door deze tekstborden maar dat maakt de mededelingen nog niet zonder meer onrechtmatig. In dit oordeel wordt meegewogen dat de vrijheid van meningsuiting juist is bedoeld voor die gevallen waarin de uitlatingen (kunnen) schrijnen. Het recht op vrije meningsuiting zal gewoonlijk niet ingeroepen hoeven te worden bij een eenvoudig praatje over het weer

Echter, de voorzieningenrechter trekt een streep bij de uiting dat er sprake zou zijn geweest van ‘oplichting’. Uit het vonnis blijkt dat de voorzieningenrechter de aannemer ter zitting heeft gevraagd of hier enige steun in de feiten voor bestond:

De voorzieningenrechter heeft [gedaagde] ter zitting gevraagd of hij bewijzen had en het antwoord was: ja, maar die heb ik niet bij me. Dat is niet voldoende. [gedaagde] had die bewijzen moeten tonen aan de voorzieningenrechter toen hij daar de kans voor had maar dat heeft hij niet gedaan.”

De uiting dat er sprake zou zijn van ‘oplichting’ acht de voorzieningenrechter dan ook onrechtmatig, net als de ‘bedreigende berichten’ die gedaagde aan eisers heeft gestuurd. Echter, de voorzieningenrechter oordeelt dat de eis dat gedaagde zich ‘niet langer smadelijk/lasterend’ zou mogen uitlaten te ver gaat:

Een vordering tot een algemeen verbod aan [gedaagde] om zich niet langer smadelijk uit te laten, of uitlatingen te doen die ‘op andere wijze onrechtmatig zijn’ kan niet worden toegewezen. De vordering is te onbepaald en kan niet ten uitvoer worden gelegd.”

De voorzieningenrechter wijst een beperkter geformuleerd uitingsverbod toe voor de duur van een jaar. Ook moet de aannemer zich een jaar lang onthouden van het sturen van berichten ‘van dreigende aard en/of waarbij de strekking is dat eisers tot betaling worden gedwongen’.

De Volkskrant mag oud artikel beschikbaar houden in online archief

Door Emiel Jurjens

Na het Google Spain-arrest uit 2014 wordt het ‘recht om vergeten te worden’ ook met regelmaat in Nederland ingeroepen. De verzoeken van personen die ‘vergeten’ willen worden komen, naast bij Google, ook wel eens bij media binnen. Over de vraag hoe daarmee omgegaan moet worden gaat een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 8 augustus 2018 in een zaak die door eiser was aangespannen tegen de Volkskrant. Eiser maakte in deze zaak bezwaar tegen de vindbaarheid via Google van een artikel in het online archief van de Volkskrant over hem uit de jaren ’90 van de vorige eeuw, en vorderde verwijdering van het artikel uit het online archief van de Volkskrant. De rechtbank wijst in een principieel vonnis echter alle eisen af.

In het eerste deel van het vonnis buigt de rechtbank zich over de beschikbaarheid van het artikel via Google. De rechtbank constateert op dat punt:

De URL naar de publicatie verschijnt als eerste zoekresultaat, als op [de naam van eiser] wordt gezocht. Het gaat dus om de gevonden zoekresultaten in de zoekmachine en niet om de inhoud van de webpagina waarnaar de URL in de zoekresultaten verwijst.

De rechtbank oordeelt vervolgens dat Google de verantwoordelijke is voor de verwerking van persoonsgegevens die bij het zoeken plaatsvindt, en constateert onder verwijzing naar het Google Spain-arrest:

Gelet hierop had [eiser] zich – anders dan hij kennelijk veronderstelt – ten aanzien van de vindbaarheid van de publicatie via de zoekmachine dienen te richten tot de exploitant van de betrokken zoekmachine voor een verwijderings- of afschermingsverzoek (…) Dit wordt niet anders, nu [eiser] de Volkskrant aanspreekt, omdat volgens [eiser] in de publicatie onjuistheden staan en de Volkskrant daarvan de bron is. Het is immers Google Search die de publicatie vindbaar maakt; de Volkskrant is bij het aanbieden van de dienst Google Search niet betrokken.” 

In het tweede deel van het vonnis beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de beschikbaarheid van het oude artikel in het online archief van de Volkskrant. De rechtbank stelt vast dat de gevraagde vorderingen beperkingen op de uitingsvrijheid van de Volkskrant zijn, waardoor het vereiste geldt dat toewijzing ervan ‘dringend noodzakelijk’ moet zijn (artikel 10 lid 2 EVRM).

De rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is en overweegt daarbij ten eerste dat eiser zich niet tot Google heeft gewend, waardoor “een minder vergaande mogelijkheid met een redelijke kans van slagen voor handen is teneinde het gestelde doel te bereiken“. De rechtbank weegt verder mee dat verwijdering uit het online archief een zeer ingrijpende maatregel is:

Verwijdering van het artikel uit het archief heeft, mede gelet op het belang van een volledige en integere online archivering die een betrouwbare getuigenis van het verleden dient te vormen, en op de rol van de pers nieuws in archieven beschikbaar te maken, een ingrijpend gevolg voor de verslaggeving.

Ook speelt mee (zo overweegt de rechtbank verder) dat eiser te lang heeft gewacht met het instellen van zijn eis. De rechtbank constateert dat twaalf jaar is verstreken tussen publicatie en sommatie en oordeelt daarom dat “[eiser] verzuimd heeft bijtijds stappen tegen de publicatie te ondernemen.

Het beschikbaar houden van het artikel over eiser in het online archief wordt al met al rechtmatig geoordeeld.

De Volkskrant werd in deze procedure bijgestaan door Emiel Jurjens.

Update fake news: zelfregulering online platforms in Code of Practice on Disinformation

Door Emiel Jurjens

De Europese Unie strijdt zeer actief tegen fake news (of ‘disinformation’, het begrip dat de EU bij voorkeur hanteert), overigens met wisselende gevolgen. Onderdeel van deze strijd is het reguleren van online platforms, omdat de EU meent dat deze een ‘key role’ spelen in het verspreiden van online desinformatie. De EU heeft de online platforms daarom gemaand om tot zelfregulering over desinformatie te komen, waarbij de EU opmerkte dat als dit er niet zou komen er mogelijk overgegaan zou worden tot het opstellen van bindende regelgeving. Daarop zijn een aantal online platforms aan de slag gegaan met het opstellen van een set regels: het eindresultaat daarvan is  de “Code of Practice on Disinformation”, die vorige week is gepubliceerd. Nog niet geheel duidelijk is welke platforms zich op dit moment hebben gecommitteerd aan de Code.

Definitie desinformatie

Voor de definitie van fake news, of ‘disinformation’, sluit de Code of Practice aan bij de definitie die de EU eerder dit jaar heeft vastgelegd in de Communication Tackling online disinformation: a European approach. Deze luidt:

[Disinformation is] “verifiably false or misleading information” which, cumulatively,

(a) ‘Is created, presented and disseminated for economic gain or to intentionally deceive the public’; and

(b) ‘May cause public harm’, intended as ‘threats to democratic political and policymaking processes as well as public goods such as the protection of EU citizens’ health, the environment or security’

Dit is een behoorlijk brede definitie: zo omvat het ‘misleidende’ informatie die wordt ‘gemaakt of gepresenteerd met een winstoogmerk’ en het publiek belang zou kunnen schaden. Weliswaar zijn bepaalde categorieën informatie uitgezonderd van de definitie (bijvoorbeeld satire, parodie, ‘clearly identified partisan news’), maar de definitie geeft wel erg veel ruimte aan de verbeelding van degene die hem hanteert.

Verplichtingen Code of Practice

De online platforms die de Code ondertekenen committeren zich aan breed geformuleerde verplichtingen op vijf vlakken:

  1. Online advertenties: de platforms dienen zich in te spannen om de inkomsten uit online advertenties voor ‘fake’ accounts (accounts ‘misrepresenting material information about [themselves]’) te beperken, en zoveel mogelijk te voorkomen dat advertenties van dergelijke partijen te zien zijn voor gebruikers;
  2. Politieke en ‘issue-based’ advertenties: dit soort online advertenties dienen duidelijk herkenbaar te zijn als zodanig. Voor politieke advertenties geldt dat de platforms inzicht moeten bieden in bijvoorbeeld van wie de advertentie afkomstig is, en wat er besteed is aan de advertentie
  3. Tegengaan bots: de platforms moeten beleid ontwikkelen tegen het misbruik van bots en het geautomatiseerd aanmaken van fake accounts bij het gebruik van hun diensten;
  4. Vindbaarheid ‘betrouwbare’ informatie: de online platforms zeggen toe om hun diensten zo in te richten dat gebruikers de betrouwbaarheid van de daar beschikbare informatie beter kunnen beoordelen. Ook zullen de platforms investeren in “technological means to prioritize relevant, authentic and authoritative information where appropriate in search, feeds or other automatically ranked distribution channels”;
  5. Onderzoek: de platforms zullen meewerken – onder meer door het verstrekken van data – aan onderzoek over desinformatie.

De EU heeft de online platforms hierbij de opdracht meegegeven dat alle maatregelen die worden genomen volledig in lijn moeten zijn met alle relevante grondrechten, en in het bijzonder met de uitingsvrijheid. Het is niet duidelijk of, en hoe, de EU zal gaan monitoren op de conformiteit van de maatregelen met onder meer artikel 10 EVRM.

In een reactie geeft de EU aan dat, zoals al was gepland, er eind 2018 gekeken zal worden naar de stand van zaken en in het bijzonder of verdergaande regelgeving nodig is:

As foreseen in the Communication, the Commission will closely follow the progress made and analyse the first results of the Code of Practice by the end of 2018. Should the results prove unsatisfactory, the Commission may propose further actions, including actions of a regulatory nature.”

BNNVARA mocht heimelijke opname gesprek Azarkan over fake news campagne Denk uitzenden

Door Redactie

BNNVARA radio-programma De Nieuws BV komt er achter dat het door Farid Azarkan geleide campagneteam van Denk rond de Tweede Kamerverkiezingen in 2017 een ‘PVV’ banner op internet wilde zetten, met de slogan “Na 15 maart gaan we Nederland zuiveren” (zie plaatje links). De banner was vormgegeven in de PVV huisstijl, met foto van Wilders en het PVV logo. Alleen was het geen PVV banner. De banner was ontworpen en bedacht door Denk. Een variant op deze banner, met dezelfde tekst, is ook daadwerkelijk (als test) op internet gezet in opdracht van Denk. Als de definitieve banner klaar staat om online te gaan, onder meer op nu.nl en telegraaf.nl, wordt Azarkan (de huidige fractievoorzitter) teruggefloten door zijn collega’s Öztürk en Kuzu en wordt de campagne afgeblazen.

Azarkan wordt op 28 april 2018 benaderd door 2 redacteuren van BNNVARA in het kader van wederhoor. Er vindt een gesprek plaats in de fractiekamer van Denk in de Tweede Kamer, waarbij ook de persvoorlichter van Denk aansluit.

In het gesprek erkent Azarkan dat Denk aanvankelijk van plan was de nepbanner op internet te zetten. Het gesprek wordt door  BNNVARA opgenomen, hoewel Azarkan aangeeft dat hij daar geen toestemming voor geeft. Voordat BNNVARA naar buiten treedt met het nieuws, zet Denk een video online waarin de BNNVARA redacteuren (met foto en naam) worden beschuldigd de directeur van een bedrijf dat Denk hielp bij haar online campagne te hebben aangespoord valse informatie en beschuldigingen te verzinnen over Denk. In de video ontkent Denk de beschuldigingen van BNNVARA over de nepbanner en doet zij het af als ‘fake news’. BNNVARA reageert hierop door (na Denk hierover te hebben geïnformeerd) fragmenten van de audio opnamen te verwerken in het item over de nepbanner, dat vervolgens wordt uitgezonden in De Nieuws BV van 20 juni 2018. Dit om de onjuiste beschuldigingen en ontkenning van Denk te ontkrachten.

Denk start vervolgens een kort geding tegen BNNVARA en de redacteuren. Zij vordert dat de geluidsfragmenten worden verwijderd en openbaarmaking of verstrekking aan derden hiervan wordt verboden. Volgens Denk heeft BNNVARA in strijd gehandeld met de opnamerichtlijnen van de Tweede Kamer en onrechtmatig gehandeld door het gesprek zonder toestemming op te nemen, en vervolgens in de uitzending te verwerken.

BNNVARA verweert zich door uit te leggen dat zij het gesprek aanvankelijk toch opnam uit voorzorg en zorgvuldigheid. Zij kende de wijze waarop Denk vaak met de media omgaat en wist dat het belangrijk was dat zij de woorden van Azarkan zeer precies zou kunnen weergeven, en dat de kans bestond dat Denk haar eigen versie op de feiten zou publiceren, wat inderdaad gebeurde.  En toen Denk BNNVARA vervolgens beschuldigde van fake news en onjuistheden verkondigde over de nepbanner, was ze gerechtigd fragmenten van de opname in de uitzending te verwerken, aldus BNNVARA.

De voorzieningenrechter overweegt dat voorzorg en zorgvuldigheid voor het te maken item geen rechtvaardiging is voor het maken van heimelijke opnamen tegen de uitdrukkelijke wens van de gesprekspartner. De rechter merkt daarbij ook op dat, als het bij heimelijk opnemen was gebleven, dat geen gevolgen had gehad. De rechter beoordeelt dan of de uitzending van delen van het gesprek gerechtvaardigd was. De beschuldigingen aan het adres van BNNVARA waren onterecht en de plannen van Denk om een nep PVV-banner online te plaatsen een ernstige misstand, waarover het publiek moest worden geïnformeerd. Vanwege de onterechte beschuldigingen en de ernstige misstand aan de zijde van Denk was het gebruik van de opnamen – ondanks het heimelijke karakter ervan – gerechtvaardigd en proportioneel.

Dat het gesprek plaatsvond in de fractiekamer was de keuze van Azarkan, waar dit overal plaats had kunnen vinden. Denk en Azarkan zijn bovendien voldoende in de gelegenheid gesteld om hun reactie te geven. “Bovendien heeft hij [Azarkan] in het gesprek niets gezegd dat tussen hem en de journalisten had moeten blijven en waarvan het dus niet de bedoeling was dat het door hen zou worden gebruikt. Op de heimelijke opname kan dan ook geen woord staan dat eigenlijk binnen de muren van de fractiekamer had moeten blijven. Onder deze omstandigheden legt het enkele feit dat in de fractiekamer is opgenomen weinig gewicht in de schaal. Het is weliswaar in strijd met de Richtlijnen voor het maken van opnamen in de gebouwen van de Tweede Kamer, maar dat is in eerste instantie een zaak voor het Presidium, waarbij Denk hierover een klacht heeft ingediend. Daarop heeft Denk nog geen reactie ontvangen, ofschoon BNNVARA in deze procedure al wel een brief over kon leggen, waaruit kan blijken dat het Presidium de zaak minder hoog opneemt dan aanvankelijk het geval leek.

Afsluitend wijst de rechter op de publieke discussie die is losgebarsten over de kwestie, waardoor over de opnamen een publieke discussie is ontstaan, die nog steeds digitaal zal zijn terug te vinden. Dat betekent ook dat onduidelijk is wat het belang nog is van de vorderingen van Denk. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van Denk af.

BNNVARA is bijgestaan door Jens van den Brink en Emiel Jurjens

Nederlandse Staat aansprakelijk voor uitspraken over downloaden uit illegale bron

Door Meyke Rietveld

Op 10 april 2014 bepaalde het Hof van Justitie in het ACI Adam arrest dat downloaden uit illegale bron (bijvoorbeeld van films) niet is toegestaan. De 10 jaar daarvoor (sinds invoering van de thuiskopie-exceptie) hebben bewindslieden van de Nederlandse regering, waaronder de staatssecretaris en minister van justitie, uitingen gedaan in het parlementaire debat en de media waaruit een willekeurig persoon zou kunnen afleiden dat downloaden uit illegale bron wel was toegestaan. SEKAM, een stichting die opkomt voor de rechten van filmproducenten, vindt dat de Nederlandse Staat haar boekje daarmee te buiten is gegaan. Nu het Hof van Justitie in 2014 duidelijk heeft gemaakt dat downloaden uit illegale bron niet is toegestaan, is de Staat volgens SEKAM aansprakelijk voor de schade die rechthebbenden hebben opgelopen door het verkeerd inlichten van het publiek. SEKAM spant daar samen met een aantal individuele producenten een procedure over aan tegen de Nederlandse Staat.

De uitlatingen van bewindslieden vallen volgens de Staat onder de immuniteit van artikel 71 Grondwet. Ook gold volgens de Staat een hogere drempel voor het aannemen van onrechtmatigheid omdat ze zijn gedaan door bewindslieden en waren de gedane uitlatingen in de tijd dat ze werden gedaan (nog) niet onjuist.

De rechtbank Den Haag oordeelt dat de Staat aansprakelijk is voor de gedane uitlatingen. De immuniteit van bewindslieden geldt alleen in het parlementaire debat. De uitingen die zijn gedaan in het publieke debat (de media) mogen dus gewoon door de rechter op onrechtmatigheid worden getoetst. Hoewel dit destijds nog onbekend was, zijn de gedane uitlatingen in strijd met Unierecht.

De rechtbank concludeert dat “er downloaders zullen zijn geweest die ervan uitgingen dat downloaden uit illegale bron was toegestaan“, en dat “Indien wordt gehandeld volgens deze, met het Unierecht strijdige, weergave van de Nederlandse situatie, wordt inbreuk gemaakt op de rechten van 2Houses cs en de achterban van SEKAM en wordt dus onrechtmatig jegens hen gehandeld.“ Dit komt voor rekening van de Staat. Zelfs als de onjuiste uitingen niet aan de Staat te wijten zijn.

Wel stelt de Staat dat alleen die schade dient te worden vergoed die is geleden als gevolg van deze uitlatingen. Of de uitlatingen dat illegaal downloaden ook niet strafrechtelijk gehandhaafd werd onrechtmatig was, daar kan de rechtbank zich niet over uitlaten.

Een explosieve uitspraak, en waarschijnlijk de aanzet voor nieuwe procedures. Het ligt voor de hand dat de Staat in hoger beroep gaat. En als SEKAM dit oordeel overeind weet te houden, aan haar de schone taak aan te tonen welke schade deze uitingen veroorzaakt hebben. Zeker nu dezelfde uitingen in het parlement wel mochten. Het zou lastig kunnen worden te bewijzen dat de (soortgelijke) uitingen in de media extra schade hebben opgeleverd.

Meyke Rietveld en Jens van den Brink

Pussy Riot, the right to protest and to criticise the President, and the Patriarch – Mariya Alekhina and Others v. Russia

Door Redactie

* Guest post By Dirk Voorhoof, Human Rights Centre, Ghent University and Legal Human Academy

In its judgment of 17 July 2018 the ECtHR has found various violations of the rights of the members of the feminist punk band Pussy Riot. The ECtHR found violations under Article 3 (prohibition of inhuman or degrading treatment), Article 5 § 3 (right to liberty and security) and 6 §§ 1 and 3 (c) ECHR (right to fair trial), in relation to the conditions of their transportation and detention in the courthouse, their pre-trial detention, the treatment during the court hearings (being exposed to public view in a glass dock surrounded by armed police), and restrictions to legal assistance. Most importantly the ECtHR found the criminal prosecution and prison sentence of the Pussy Riot members a breach of their freedom of expression under Article 10 ECHR. It also found that their right to freedom of expression has been violated on account of declaring the Pussy Riot video material available on the Internet as extremist and banning it. This blog focusses on the applicants’ rights under Article 10 ECHR.

Pussy Riot’s performance in a cathedral, posted on YouTube

The three applicants are members of the Russian punk band, Pussy Riot: Ms Mariya Vladimirovna Alekhina, Ms Nadezhda Andreyevna Tolokonnikova and Ms Yekaterina Stanislavovna Samutsevich. The group carried out a series of impromptu performances of their songs Release the Cobblestones, Kropotkin Vodka, Death to Prison, Freedom to Protest and Putin Wet Himself in various public areas in Moscow, such as a subway station, the roof of a tram, on top of a booth and in a shop window. According to Pussy Riot, their actions and performances were a response to the ongoing political process in Russia. They argued that their songs contained “clear and strongly worded political messages critical of the government and expressing support for feminism, the rights of minorities and the ongoing political protests”.

Before the Strasbourg Court the three members of Pussy Riot complained about their conviction and imprisonment for attempting to perform one of their protest songs in a Moscow cathedral in January 2012. The performance in the cathedral was meant to express disapproval of the political situation in Russia at the time and of Patriarch Kirill, leader of the Russian Orthodox Church, who had strongly criticised the large-scale street protests across the country against the recently held parliamentary elections and the approaching presidential election. No service was taking place, but some people were inside the cathedral, including journalists and the media invited by the band for publicity. The performance only lasted slightly over a minute because cathedral guards quickly forced the band out. The band uploaded the video footage of their attempted performance to their website and to YouTube. The three Pussy Riot members were arrested shortly after the performance for “hooliganism motivated by religious hatred” and were held in custody and pre-trial detention for just over five months before being convicted as charged. The trial court found that the Pussy Riot action had been offensive and insulting, referring to their brightly coloured clothes and balaclavas, their waving their arms and kicking their legs around and their obscene language. The court rejected Pussy Riot’s arguments that their performance had been politically and not religiously motivated, and they were sentenced to one year and eleven months imprisonment for hooliganism motivated by religious hatred and enmity, committed in a group acting with premeditation and in concert, under Article 213 § 2 of the Criminal Code. All appeals against this decision failed. The domestic courts also ruled that the performance had been offensive and banned access to the “extremist” video recordings Pussy Riot had subsequently uploaded onto the Internet. The first and second applicants served approximately one year and nine months in prison before being amnestied, while the third applicant served approximately seven months imprisonment before her sentence was suspended.

The Court: mix of conduct and verbal expression

In June 2012 the three Pussy Riot members lodged an application with the ECtHR against the Russian Federation. Their submissions were supported by various third party interveners, such as the Alliance Defending Freedom (ADF), Amnesty International, Human Rights Watch and Article 19, all arguing that the Russian authorities had acted in breach with the applicants’ rights under Article 10 ECHR.

With regard to the punk band’s right to freedom of expression the ECtHR reiterates that it includes freedom of artistic expression which affords the opportunity to take part in the public exchange of cultural, political and social information and ideas of all kinds, such an exchange of ideas by those who create and perform art being essential for a democratic society. The ECtHR also clarified that opinions or artistic works, apart from being capable of being expressed through the media, can also be expressed through conduct. For example, the public display of several items of dirty clothing near the Hungarian Parliament, representing the “dirty laundry of the nation”, has been qualified as a form of protected political expression (see Tatár and Fáber v. Hungary). Likewise, pouring paint on statues of Ataturk has been considered as an expressive act performed as a protest against the Turkish political regime at the time (see Murat Vural v. Turkey).

The Court considers:

“In the case at hand, the applicants, members of a punk band, attempted to perform their song Punk Prayer – Virgin Mary, Drive Putin Away from the altar of Moscow’s Christ the Saviour Cathedral as a response to the ongoing political process in Russia (..). They invited journalists and the media to the performance to gain publicity. For the Court, that action, described by the applicants as a “performance”, constitutes a mix of conduct and verbal expression and amounts to a form of artistic and political expression covered by Article 10” (§§ 205-206).

The criminal conviction and prison sentence

There is no discussion that the criminal proceedings against the applicants, which resulted in prison sentences, amounted to an interference with their right to freedom of expression. Given that the applicants’ performance took place in a cathedral, which is a place of religious worship, the ECtHR considers that the interference at issue can be seen as having pursued the legitimate aim of protecting the rights of others, while it leaves the question open we as to whether the interference was “prescribed by law”.

In its assessment of the necessity in a democratic society of the interferences at issue, the ECtHR emphasises that Pussy Riot’s actions contributed to the debate about the political situation in Russia and the exercise of parliamentary and presidential powers. The ECtHR  reiterates that there is little scope under Article 10 § 2 ECHR for restrictions on political speech or debates on questions of public interest, and very strong reasons are required for justifying such restrictions. On the other hand, Article 10 ECHR does not bestow any freedom of forum for the exercise of that right and does not create an automatic right of entry to private or publicly owned property. Holding an artistic performance or giving a political speech in a type of property to which the public enjoys free entry may, depending on the nature and function of the place, require respect for certain prescribed rules of conduct. As the Pussy Riot performance took place in a cathedral, it can be considered as having violated the accepted rules of conduct in a place of religious worship, which eventually could justify the imposition of certain sanctions, in order to protect the rights of others. However, the applicants were charged with a criminal offence and sentenced to one year and eleven months in prison.

The Court notes

“that the applicants’ actions did not disrupt any religious services, nor did they cause any injures to people inside the cathedral or any damage to church property. In those circumstances the Court finds that the punishment imposed on the applicants was very severe in relation to the actions in question. It will further examine whether the domestic courts put forward “relevant and sufficient” reasons to justify it” (§ 215).

The ECtHR reiterates that it has had regard to several factors in a number of cases concerning statements, verbal or non-verbal, alleged to have stirred up or justified violence, hatred or intolerance where it was called upon to decide whether the interferences with the exercise of the right to freedom of expression of the authors of such statements had been “necessary in a democratic society” in the light of the general principles formulated in its case-law.  One of them has been whether the statements were made against a tense political or social background; the presence of such a background has generally led the Court to accept that some form of interference with such statements was justified. Another factor has been whether the statements, fairly construed and seen in their immediate or wider context, could be seen as a direct or indirect call for violence or as a justification of violence, hatred or intolerance. In assessing that point, the Court has been particularly sensitive towards sweeping statements attacking entire ethnic, religious or other groups or casting them in a negative light. Another relevant factor is the manner in which statements are made, and their capacity – direct or indirect – to lead to harmful consequences. In the paras. 218-220 the ECtHR gives an instructive overview of its case law applying the criteria and factors just mentioned.  The ECtHR emphasises that it is
“the interplay between the various factors involved rather than any one of them taken in isolation that determined the outcome of the case. The Court’s approach to that type of case can thus be described as highly context-specific” (§ 221).

The ECtHR next observes that it is unable to discern any element in the domestic courts’ analysis which would allow a description of the applicants’ conduct as incitement to (religious) hatred. The ECtHR finds that the Pussy Riot performance neither contained elements of violence, nor stirred up or justified violence, hatred or intolerance of believers, and it reiterates that, in principle, peaceful and non-violent forms of expression should not be made subject to the threat of imposition of a custodial sentence:

“(..) in the case at hand the applicants were convicted of hooliganism motivated by religious hatred on account of the clothes and balaclavas they wore, their bodily movements and strong language. The Court accepts that as the conduct in question took place in a cathedral it could have been found offensive by a number of people, which might include churchgoers, however, having regard to its case-law and the above-mentioned international standards for the protection of freedom of expression, it is unable to discern any element in the domestic courts’ analysis which would allow a description of the applicants’ conduct as incitement to religious hatred (..). The domestic courts did not examine whether the applicants’ actions could be interpreted as a call for violence or as a justification of violence, hatred or intolerance. Nor did they examine whether the actions in question could have led to harmful consequences” (§§ 225-226).

The ECtHR agrees that certain reactions to the applicants’ actions might have been warranted by the demands of protecting the rights of others on account of the breach of the rules of conduct in a religious institution, but it comes to the conclusion that the domestic courts failed to adduce “relevant and sufficient” reasons to justify the criminal conviction and prison sentence imposed on the applicants, while the sanctions were not proportionate to the legitimate aim pursued. Referring to international standards, including UN Human Rights Committee’s General Comment No. 34, Article 19: Freedoms of Opinion and Expression, of 12 September 2011, the ECtHR recalls that interference with freedom of expression in the form of criminal sanctions may have a chilling effect on the exercise of that freedom, which is an element to be taken into account when assessing the proportionality of the interference in question.

The ECtHR concludes:

“In view of the above, and bearing in mind the exceptional seriousness of the sanctions involved, the Court finds that the interference in question was not necessary in a democratic society. There has therefore been a violation of Article 10 of the Convention” (§§ 229-230).

The banning of the videos

With regard the findings that the Pussy Riot video materials available on the Internet were “extremist” and by placing a ban on access to that material, the ECtHR finds that the domestic court made no attempt to conduct its own analysis of the video materials in question, solely relying on a report by linguistic experts, without specifying which particular elements of the videos were problematic so as to bring them within the scope of the provisions of the Suppression of Extremism Act.

The ECtHR also in more general terms reiterates that

“Where the views expressed do not comprise incitements to violence – in other words, unless they advocate recourse to violent actions or bloody revenge, justify the commission of terrorist offences in pursuit of their supporter’s goals or can be interpreted as likely to encourage violence by expressing deep-seated and irrational hatred towards identified persons – Contracting States must not restrict the right of the general public to be informed of them, even on the basis of the aims set out in Article 10 § 2” (§ 260).

The ECtHR is also of the opinion that a domestic court can never be in a position to provide “relevant and sufficient” reasons for an interference with the rights guaranteed by Article 10 ECHR without some form of judicial review based on a weighing up of the arguments put forward by the public authority against those of the interested party. However, in the proceedings which led to the finding that the applicants’ activity and materials were “extremist”, the domestic law did not allow Pussy Riot’s participation, thereby depriving them of any possibility to contest the allegations made by the public authority. There is no doubt that this kind of state action curtailing the right to freedom of expression is incompatible with Article 10 ECHR. The ECtHR comes to the conclusion that declaring Pussy Riot’s online video materials “extremist” and placing a ban on access to them did not meet a “pressing social need” and was disproportionate to the legitimate aim invoked. The interference was thus not “necessary in a democratic society” and therefore violated Article 10 ECHR.

Comments

The judgment in the Pussy Riot is well elaborated, clearly motivated and even very instructive by referring extensively to the Court’s earlier case law on the right to peaceful protest. It applies the standards and criteria developed in other recent cases, especially in cases in which the ECtHR found that the Russian authorities had interfered with the right to protest in a way that violated Article 10 and/or Article 11 ECHR, such as e.g. in Taranenko v. Russia, Primov v. Russia, Nemtsov v. Russia and Frumkin v. Russia (see also our blog on Novikova v. Russia). The judgment guarantees firmly the protection of performing art or expressive conduct that amounts to a form of artistic and political speech or as symbolic expression of dissatisfaction and protest (see also Stern Taulats and Roura Capellera v. Spain). It also confirms that there should not be an overbroad suppression of “extremist” opinions (see our blog on Stomakhin v. Russia).

Most importantly the judgment confirms that criminal prosecution and imprisonment for non-violent speech may have a chilling effect and amount as such to a disproportionate interference of the right to freedom of expression in a democracy. The ECtHR considers indeed “that according to international standards for the protection of freedom of expression, restrictions on such freedom in the form of criminal sanctions are only acceptable in cases of incitement to hatred” (§ 223). It reiterates that, in principle, ”peaceful and non-violent forms of expression should not be made subject to the threat of imposition of a custodial sentence (..), and that interference with freedom of expression in the form of criminal sanctions may have a chilling effect on the exercise of that freedom, which is an element to be taken into account when assessing the proportionality of the interference in question” (§ 227). This approach by the ECtHR in the Pussy Riot case contrasts sharply with the finding earlier this year by the ECtHR in Sinkova v. Ukraine. In that case, the ECtHR found that the criminal conviction, the pre-trial detention and the (suspended) prison sentence for a non-violent performance art protest at a war memorial did not violate Article 10 ECHR. In the light of the judgment in the Pussy Riot case it becomes even more deplorable that the panel of the ECtHR recently dismissed the request for a referral (- supported by the Human Rights Centre of Ghent University -), of this case to its Grand Chamber (see our blog on Sinkova v. Ukraine).

This post was previously published on Strasbourg Observers.

*Dirk Voorhoof, Human Rights Centre Ghent University (Belgium),  Legal Human Academy and member the European Centre for Press and Media Freedom (ECPMF, Germany)

 

 

EenVandaag mocht rapper naast geblurde leden herkenbaar in beeld brengen

Door Liz de Rijke

Woensdag 22 maart 2018 zond EenVandaag een item uit waarin aandacht werd besteed aan een strafproces tegen tien Syriëgangers. Twee jongens uit deze groep waren tot 2014 lid van de Arnhemse rapgroep Team Liefde. Om een beeld te schetsen van hun leven voordat ze dat jaar naar Syrië vertrokken, zond EenVandaag fragmenten uit van hun videoclip Ramadan, opgenomen in 2013. In deze fragmenten waren de gezichten van de twee jongens waar het om ging geblurred; de rest van de gezichten van de rapgroep zijn door EenVandaag herkenbaar in beeld gebracht.

Één van de de niet-verdachte rappers klaagde vervolgens bij de AVROTROS over het feit dat hij veel negatieve reacties ontving op de uitzending. Mensen zouden hem beschuldigen van het zijn van een Syriëganger, dan wel associëren met Syriëgangers. Dit alles omdat zijn gezicht herkenbaar in beeld is gebracht.

AVROTROS bracht hier tegenin dat het in de pers juist een gebruikelijke manier is om verdachten in een strafproces onherkenbaar te maken door hun gezichten te blurren. Nu de rapper geen verdachte was, was dit in zijn geval niet nodig.

Ondanks het feit dat EenVandaag twee dagen later een rectificatie uitzond, stelt de rapper de omroep aansprakelijk voor de schade die hij heeft geleden en begint een rechtszaak. De rechter weegt de persvrijheid van AVROTROS af tegen de bescherming op de persoonlijke levenssfeer van de rapper, en oordeelt dat van een onrechtmatige daad geen sprake is. De rectificatie was voldoende duidelijk en bovendien heeft de niet-verdachte rapper meermaals zelf de media opgezocht om zijn verhaal te doen. Verder was EenVandaag niet het eerste mediaplatform dat onder verwijzing van de videoclip over de Syriëgangers berichtte. Het is volgens de rechter dan ook niet te bewijzen dat de schade rechtstreeks het gevolg is van de uitzending van EenVandaag van 22 maart.

Omroep Max en Follow The Money winnen zaak tegen ouderenbond ANBO

Door Liz de Rijke

Op 1 november 2017 besteedt het programma Meldpunt! van Omroep Max aandacht aan belangenorganisatie voor senioren, ANBO. Follow The Money (FTM) doet hetzelfde in een artikel op haar website.

In een persbericht voorafgaand aan de uitzending schrijft Omroep Max op 30 oktober 2017  onder meer:

Woensdag in Meldpunt!: Waar zijn de ANBO-miljoenen? Wat is er gebeurd met de miljoenen euro’s van ouderenbond ANBO? Twee jaar geleden werden alle lokale ANBO-afdelingen gedwongen ondergebracht bij het ANBO-hoofdkantoor. Ook hun banktegoeden moesten ze afstaan. Waar is dat geld nu? En hoe groot is de ANBO nog? Meldpunt! gaat op zoek, samen met Follow the Money; het platform voor onderzoeksjournalistiek.

Het FTM-artikel “Autoritaire ANBO-bons jaagt ouderen weg” begint als volgt:

“Ouderenbond ANBO was ooit ’s lands grootste seniorenorganisatie, goed voor bingo-avondjes en belangenbehartiging van onze ouderen. Tegenwoordig is het een haast dictatoriale lobbyclub. Leden lopen weg; bestuurders werden geschorst of geroyeerd. Dit heeft alles te maken met één vrouw: directeur-bestuurder [X] , ook wel ‘[X]’. Follow the Money en Omroep Max legden de hand op vertrouwelijke stukken en ontrafelden haar greep naar de macht.”

Nadat FTM op 31 maart en 5 april 2018 nog twee artikelen over de situatie bij de ANBO publiceert, is de maat voor de ANBO vol. Zij sommeert verwijdering en rectificatie van zowel de uitzending van Meldpunt! als het van FTM. Beide zouden meerdere feitelijke onjuistheden en suggestieve uitlatingen bevatten die haar ernstig in haar reputatie zouden schaden.

Volgens de rechtbank Amsterdam hebben Omroep Max en FTM niet onrechtmatig gehandeld jegens de ANBO.

Het merendeel van de uitlatingen in Meldpunt! waar de ANBO over valt zijn gedaan in de (live) uitzending door een derde, een redacteur van FTM. Daarvoor is MAX niet aansprakelijk:

de gewraakte uitlatingen [zijn] live in een studiogesprek gedaan. Omroep Max heeft zich er terecht op beroepen dat zij ten aanzien van die uitlatingen een boodschappersfunctie vervult en dat zij voor die uitlatingen niet aansprakelijk kan worden gehouden. Een journalist moet, onder meer door het houden van interviews, zijn essentiële rol als publieke waakhond kunnen vervullen. In dat kader moet hij in beginsel de uitingen van derden ongestraft kunnen verspreiden. In dit geval heeft de interviewster van het programma Meldpunt! voldoende afstand gehouden van [naam 7] en, anders dan de ANBO heeft aangevoerd, een kritische houding ten opzichte van hem aangenomen. Omroep Max heeft journalistiek onderzoek verricht en de gekozen manier van verslaggeving valt onder haar redactionele vrijheid. Door het uitnodigen van de ANBO om in de uitzending op te treden en het sturen van een uitgebreide vragenlijst voor de uitzending, heeft Omroep Max bovendien ruimschoots voldaan aan het journalistieke beginsel van hoor en wederhoor.

De ANBO valt verder over een aantal ‘suggestieve uitlatingen’ van mensen die voorheen gelieerd waren aan de ANBO. Ook die kunnen door de beugel volgens de rechtbank: “Omroep Max heeft … journalistiek onderzoek heeft gedaan en met een groot aantal personen heeft gesproken. De wijze waarop Omroep Max hiervan verslag doet, valt onder haar redactionele vrijheid. Bovendien geldt ook hier dat hetgeen de geïnterviewden in de uitzending naar voren brengen in beginsel onder hun eigen verantwoordelijkheid valt en dat Omroep Max dit op grond van haar boodschappersfunctie moet kunnen uitzenden.“ En MAX komt een grote vrijheid toe bij het doen van waarde-oordelen.

Ook is van belang dat het gaat om een ernstige misstand, over een een grote landelijke organisatie, die tegen kritiek moet kunnen.

De Rechtbank concludeert het artikel op FTM, anders dan de ANBO beweert, geen feitelijke onjuistheden bevat. De uitlatingen die de ANBO suggestief noemt zijn weliswaar kritisch, maar daarvoor is voldoende aanleiding. En beide gedaagden hebbene voldoende gelegenheid tot wederhoor geboden.

De vorderingen van de ANBO worden afgewezen.

Rectificatie!

Door Redactie

Correction.

In onze serie toprectificaties.

Via @JamesMelville

Rectificatie!

Door Redactie

Vervelend.

Zie hier voor meer in deze serie op MediaReport.

Via Dumpert en vkmag.

EHRM (der Spiegel): over het online archief en het belang om niet te anonimiseren

Door Alexandra van Lier

Een nieuw arrest over het online archief van het EHRM, waarin nog eens wordt benadrukt dat er geen algemeen right to be forgotten geldt richting media, en dat een anonimiseringsverzoek de uitingsvrijheid beperkt en dus niet zomaar kan worden toegewezen.

De Duitse halfbroers M.L. en W.W. zijn veroordeeld voor de moord op de populaire (en overigens op internet onvindbare) acteur W.S. Leur in 1993. Ze hebben de moord altijd ontkend en hebben meermaals verzocht de zaak te heropenen. Hierbij hebben ze zelf de pers van informatie voorzien en stond op de website van hun advocaat een uitgebreid bericht over de zaak. In augustus 2007 en januari 2008 zat hun straf erop. Maar met een schone lei beginnen zit er volgens de broers niet in. Online staan ze met hun volledige namen in archieven van verschillende media, waaronder in een transcript van een radiorapportage van ‘Deutschlandradio’ en artikelen in de online dossiers van ‘Der Spiegel’ en  ‘Mannheimer Morgen’. De artikelen gaan met name over de moord en het strafproces, maar het online dossier van ‘Der Spiegel’ bevat ook informatie over de gezinssituatie, loopbaan en seksuele geaardheid van de halfbroers. Alle artikelen staan achter een betaalmuur. Alleen ‘Mannheimer Morgen’ geeft een voor iedereen toegankelijke ‘teaser’ waarin de volledige namen van de broers worden genoemd. Daarnaast bevat het online dossier van ‘Der Spiegel’ drie foto’s van de broers samen, in het gezelschap van een agent en in de rechtszaal. De broers stappen naar de rechter, stellen dat hun recht op eerbiediging van hun privéleven, neergelegd in artikel 8 EVRM, is geschonden en eisen het anonimiseren van het transcript, artikelen en foto’s.

De drie aparte procedures tegen deze drie media verlopen ongeveer hetzelfde. De lagere rechters in Hamburg bepalen dat de media het transscript en de artikelen moeten anonimiseren, want het beschikbaar stellen van de oude artikelen maakt inbreuk op het recht op eerbiediging van het privéleven van de halfbroers. Het publiek is al voldoende geïnformeerd geweest en de artikelen worden niet verwijderd, maar slechts geanonimiseerd. De rechter  in hoger beroep hecht verder waarde aan het feit dat de halfbroers net op het punt stonden vrijgelaten te worden, waardoor ze volgens de rechters genieten van een protection particulière dat hun doel om terug te keren in de maatschappij respecteert door niet meer geconfronteerd te worden met hun misdaden. Het risico dat buren, werkgevers en collega’s deze oude informatie opnieuw verspreiden brengt dat recht op terugkeer in gevaar.

Het Bundesgerichtshof vernietigt vervolgens deze uitspraken, want de lagere rechters hebben te weinig rekening gehouden met de vrijheid van meningsuiting en het belang van het publiek om geïnformeerd te worden. Het Bundesgerichtshof maakt een uitgebreide belangenafweging en concludeert dat artikel 8 EVRM niet geschonden is.

De zaak (arrest alleen in het Frans) komt uiteindelijk voor het EHRM (Europees Hof voor de Rechten van de Mens) terecht.

Het recht op privéleven ziet op alle persoonlijke informatie waarvan een individu mag verwachten dat deze niet bekend wordt gemaakt zonder zijn/haar toestemming. Het EHRM verwijst naar de Satakunnan-zaak waarin het EHRM eerder oordeelde dat artikel 8 EVRM een zeker recht omvat (‘une forme d’auto-détermination informationelle’) om zelf te bepalen welke informatie, ook al is het neutrale informatie, wordt verzameld, verwerkt en verspreid.

Onder verwijzing naar de Axel Springer-zaak stelt het EHRM dat het recht op eerbiediging van het privéleven alleen kan worden geschonden door een aantasting van iemands reputatie met een zekere mate van ernst en kun je niet klagen over aantasting van je reputatie wanneer deze voorzienbaar is en het gevolg van eigen acties, zoals het plegen van een strafbaar feit.

Tegenover artikel 8 EVRM staat het belang van de persvrijheid en het recht om geïnformeerd te worden van artikel 10 EVRM. De rol van publieke waakhond van de pers omvat ook het behoud en toegankelijk houden van informatie, wat door online archieven mogelijk wordt gemaakt. De archieven zijn een waardevolle bron voor het onderwijs en historisch onderzoek, met name wanneer deze gratis beschikbaar en direct toegankelijk voor het publiek zijn (zie Times Newspapers- en het Wegrzynowski-arrest).

Voor de belangenafweging tussen artikel 8 en 10 EVRM gaat het EHRM conform vaste rechtspraak de bekende factoren af: de bijdrage van de informatie aan het publieke debat, de bekendheid van de betrokkenen, het onderwerp van de rapportage, eerder gedrag van de betrokkenen tegenover de media, de inhoud, vorm en gevolgen van de publicatie en de omstandigheden waaronder de foto’s zijn genomen.

De informatie draagt nog altijd bij aan het publieke debat, want het gaat om informatie over een ernstig misdrijf en strafproces van deze tijd, waarbij het slachtoffer publiek bekend was en waarbij in 2000 nog om herziening van het proces is verzocht door betrokkenen.

Het EHRM erkent het belang van de terugkeer in de maatschappij van veroordeelden die hun straf hebben uitgezeten en hun belang niet meer geconfronteerd te worden met hun daden, maar  hier staat tegenover dat het publiek het recht heeft om onderzoek te doen naar gebeurtenissen uit het verleden. De betrokkenen verzochten alleen om anonimiseren en niet om verwijdering van de informatie. Anonimiseren blijft, ook al is het een minder zware, inmenging op de uitingsvrijheid. Zonder de ethische journalistieke gedragsregels uit het oog te verliezen, is het aan journalisten zelf om te bepalen welke details gepubliceerd moeten worden om de geloofwaardigheid van de publicatie te garanderen. Het publiceren van identificerende informatie, zoals volledige namen, is een belangrijk onderdeel van het werk van de pers, zeker wanneer het om informatie over strafprocessen gaat.

Sinds de vervolging zijn de betrokkenen bekend bij het publiek. De verzoeken om herziening van de veroordeling hebben deze bekendheid versterkt. Het EHRM zegt niet dat de betrokkenen publieke figuren zijn, maar kwalificeert de betrokkenen als niet simpelweg onbekende privépersonen (‘pas de simples personnes privées inconnues du public’) .

De halfbroers hebben al het juridisch denkbare geprobeerd om het strafproces te laten heropenen. Tijdens hun laatste poging, zo’n 2,5 en 3 jaar voor hun vrijlating, hebben ze de pers benaderd. Dit gedrag jegens de pers levert volgens het EHRM een beperkte legitieme verwachting op bij de broers dat de informatie geanonimiseerd zou zijn/worden, of dat er een recht op digitale vergetelheid van toepassing zou zijn.

Over de inhoud, vorm en gevolgen van de publicaties zegt het EHRM het volgende. Het gaat om perspublicaties, waarvan de juistheid en rechtmatigheid niet betwist wordt. Het online dossier van ‘Der Spiegel’ bevat artikelen met persoonlijke informatie, maar deze informatie wordt ook door de strafrechter meegenomen bij de waardering van de omstandigheden rond het misdrijf en de individuele schuldvraag, wat ook een onderwerp is dat deel uitmaakt van het publieke debat. De verspreiding van de informatie in online archieven is beperkt door de betaalmuren. De informatie trekt niet de aandacht van internetbezoekers die niet specifiek op zoek zijn naar informatie over de betrokkenen.  Volgens betrokkenen heeft het Bundesgerichthof hierbij te weinig rekening gehouden met het feit dat wanneer iets eenmaal op internet staat, het ook op andere plekken kan opduiken en zo vindbaar is, vooral met zoekmachines. De halfbroers hebben zich echter niet gericht op de zoekmachines en het is volgens het EHRM niet aan het EHRM om zich uit te spreken over de mogelijkheid voor nationale rechters om maatregelen te gelasten die minder inbreuk maken op de persvrijheid.

Tot slot zegt het EHRM over de omstandigheden waarmee de gepubliceerde foto’s zijn genomen, dat het Bundesgerichtshof terecht heeft opgemerkt dat de foto’s al vrij oud zijn (1994) waardoor de kans steeds kleiner wordt dat betrokkenen door derden worden herkend op de foto’s.

Het EHRM concludeert dat het Bundesgerichthof een juiste belangenafweging heeft gemaakt en artikel 8 EVRM niet geschonden is.

 

Herziening AVMSD 1: drie nieuwe regels voor video sharing platforms

Door Emiel Jurjens

Recent berichtten we over het nieuws dat overeenstemming is bereikt over de definitieve tekst van de herziene Audiovisual Media Services Directive (AVMSD). Eén van de belangrijkste veranderingen is dat ‘video sharing platforms’ nu ook binnen de scope van de AVMSD zullen vallen. De EU heeft in een persbericht toegelicht dat het daarbij onder meer gaat om “services such as YouTube”, “audiovisual content shared on social media services” en ook “standalone parts of newspapers’ websites which feature audiovisual programme or user-generated videos”. Kortom: als je online video’s aanbiedt, of gebruikers de gelegenheid biedt video’s te posten op een online platform, zal dit al snel binnen de scope van de nieuwe regelgeving vallen. Video sharing platforms zullen dan moeten voldoen aan de volgende verplichtingen:

1. Bescherming minderjarigen

Elke lidstaat zal er voor moeten gaan zorgen dat video sharing platforms ‘appropriate’ maatregelen nemen om minderjarigen te beschermen tegen content op de platforms “which may impair their physical, mental or moral development”. De AVMSD voorziet als concrete maatregelen die de platforms kunnen nemen in dit verband bijvoorbeeld het voorzien in ‘parental control systems’, het plaatsen van leeftijdssloten op de ‘immorele’ content of het flaggen van deze content.

2. Bescherming tegen bepaalde categorieën content

Van de video sharing platforms wordt verwacht dat zij ‘the general public’ gaan beschermen tegen alle content (programma’s, user-generated video’s en reclame) die

- aanzet tot haat of geweld tegen een groep personen of een lid van een groep zoals bedoeld in artikel 21 van het Handvest;

- kwalificeert als een openbare provocatie om een terroristisch misdrijf te begaan;

- kwalificeert als kinderporno;

- racistisch of xenofoob van aard is.

Ook hier gaat weer gelden dat de Europese wetgever verwacht dat een verbod op dergelijke content onder meer via de algemene voorwaarden van de video sharing platforms aan de gebruikers wordt opgelegd.

3. Regels voor reclame op video sharing platforms

Het verspreiden van ‘audiovisuele commerciële communicaties’ (alle vormen van reclame) via video sharing platforms zal ook aan (nadere) regels gebonden gaan worden. Reclame zal bijvoorbeeld als zodanig herkenbaar moeten zijn. Opvallend daarbij is dat de regulering zich ook zal uitstrekken, hoewel in beperktere vorm, tot reclames die niet door het platform zelf zijn geregeld.

Voor alle nieuwe verplichtingen geldt dat lidstaten strengere regels mogen stellen, onder de voorwaarde dat deze niet in strijd zijn met de beperking van de aansprakelijkheid van tussenpersonen die is vastgelegd in de e-commerce richtlijn (Media Report zal aan de spanning tussen die regels en de regels van de AVMSD nog apart aandacht besteden). Ook wordt de mogelijkheid opengelaten dat de nieuwe regels (deels) via zelf- of co-regulering kunnen worden geïmplementeerd.

De redactie heeft begrepen dat de Europese wetgever er op mikt om de aangepaste AVMSD de herfst van dit jaar aan te nemen. Er is verder overeengekomen dat de lidstaten een implementatietermijn van 21 maanden gegund zal worden. De nieuwe regels zullen dus waarschijnlijk ergens tussen juli-oktober 2020 in Nederland geïmplementeerd moeten zijn als dit tijdspad inderdaad wordt aangehouden.

EHRM in Alpha t. Griekenland: gebruik verborgen camera in publieke ruimte eerder toegestaan

Door Jens van den Brink

Het tv-programma Ζούγκλα (“Jungle”) van de Griekse zender Alpha besteedt in januari 2002 aandacht aan de voorzitter van de Griekse parlementaire commissie over online gokken, meneer A.C. Het programma toont drie met een verborgen camera gemaakte video’s. Op de eerste is de politicus te zien terwijl hij zélf op gokmachines speelt. In het tweede en derde fragment wordt hij daarmee geconfronteerd. De Griekse nationale radio- en televisieraad legt de televisiezender Alpha een boete op, want naar Grieks strafrecht is het publiceren van verborgen camerabeelden alleen aanvaardbaar als sprake is van een overwegend algemeen belang en de waardigheid van de betrokkene niet overmatig wordt aangetast. Alpha heeft dat volgens de Griekse autoriteiten onvoldoende aangetoond. Alpha stelt dat de boete in strijd is met art. 10 EVRM.

Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) wijst op 22 februari 2018 arrest in deze zaak (Alpha tegen Griekenland). Voor de beantwoording van de vraag of het recht op respect voor het privéleven van de parlementariër (art. 8 EVRM) of het recht om informatie te verspreiden en te ontvangen (art. 10 EVRM) prevaleert, gaat het EHRM de bekende omstandigheden af, conform standaardjurisprudentie als Paris MatchHaldimann,  Axel Springer en Von Hannover II.

Volgens het Hof kunnen de uitzendingen bijdragen aan een debat dat in de publieke belangstelling staat. Het massale gokken in Griekenland is een maatschappelijk issue en ook het gedrag van de parlementariër “could arouse the interest of the public”. En de vraag of de journalisten in strijd hebben gehandeld met de Griekse strafwet is relevant, maar niet doorslaggevend voor de vraag of een journalist onverantwoordelijk gehandeld heeft.

Maar wat dit arrest toevoegt aan de bestaande jurisprudentie is de nadruk op het feit dat verborgen camerabeelden sneller zijn toegestaan als ze zijn gemaakt in een publieke ruimte.

Publieke versus niet-publieke ruimtes

Volgens het EHRM bestaat er meer ruimte voor het opnemen en uitzenden van beelden met een verborgen camera, als de opnames zijn gemaakt in een publieke ruimte, zoals in dit geval een gokhal. De nationale rechter moet dat in zijn beoordeling meenemen als element dat de ‘legitimate expectation of privacy’ van de persoon die gefilmd is verzwakt.

Volgens het Hof hebben de Griekse autoriteiten onvoldoende onderscheid gemaakt tussen de drie fragmenten. Het eerste fragment speelt  zich af  in een openbare ruimte, een gokhal, “in which anyone could have taken a photograph or – as in the instant case – filmed a video of the member of the Parliament”.  Volgens het Hof is dat een “factor that should have been taken into consideration by the domestic authorities when assessing the journalists’ conduct. The Court has previously considered in cases falling under the scope of Article 8, albeit in a different context, that on occasions when people knowingly or intentionally involve themselves in activities which are or may be recorded or reported in a public manner, a person’s reasonable expectations as to privacy may be a significant, although not necessarily conclusive, factor”.

De andere twee fragmenten waren opgenomen in privéruimtes, waar de omroep met hem sprak om fragment 1 te bespreken. Op dat moment kon A.C. terecht verwachten dat hij niet zonder zijn toestemming zou worden gefilmd en was hij “entitled to have an expectation of privacy“, mede gezien de duidelijke positie onder Grieks recht. De journalisten waren niet te goeder trouw toen ze hem uitnodigden voor een gesprek en hem opnamen zonder daar open over te zijn. De omroep had ook in het geheel geen argumenten aangevoerd waarom er een belang was bij uitzending van fragmenten 2 en 3.

Het EHRM oordeelt dat de conclusie van de nationale autoriteiten dat de omroep bij de uitzending van de tweede en derde video de grenzen van ‘responsible journalism’ hadden overtreden niet onredelijk was. Maar wat betreft video 1 “the Court considers that the domestic authorities failed to take into consideration in their assessment the fact that it was filmed in a public place, an element which, in the Court’s view, weakens the legitimacy of any expectation of privacy A.C. might have had when he entered the gambling arcade.”

Het EHRM concludeert dan dat de Griekse autoriteiten artikel 10 EVRM hebben geschonden door bij de beoordeling van de uitzending van fragment 1 niet mee te nemen dat deze was opgenomen in een publieke ruimte.

Media Report publiceert regelmatig over zaken waarin een verborgen camera ingezet werd. Zie o.a. het Bremneren Haldimann-arrest van het EHRM, het Nederlandse arrest Pretium/Tros, de zaken tegen Undercover in Nederland (MR 2018-034MR 2017-20685 en MR 2015-18365 ), de Onno Hoes–zaak en de zaken tegen KRO-NCRV aangespannen door Volkert van der Graaf en de Mediamarkt.

 

 


❌