[Contact]

Nieuwskop.nl Nieuwskoppen Nederland

πŸ”’
❌ Over FreshRSS
Er zijn nieuwe artikelen beschikbaar, klik om de pagina te vernieuwen.
OuderMedia Report

Auteur valse Google Reviews over kinderdagverblijf moet schadevergoeding betalen

Door Frederiek Maessen

De auteur die valse recensies op Google Maps heeft geplaatst over een kinderdagverblijf moet een schadevergoeding van €2.702 betalen. Zo blijkt uit een recent gepubliceerd vonnis van de rechtbank van Amsterdam van 25 oktober 2017.

De auteur, een bekende van de beheerders van het kinderdagverblijf, plaatste gedurende 10 maanden meerdere neprecensies vanuit verschillende Google-accounts. Hij noemde het kinderdagverblijf onhygiënisch en omschreef de situatie als ‘hysterisch’. Huilende kinderen zouden worden genegeerd en alles zou binnen het bedrijf draaien om geld, aldus de auteur. De recensies zouden het gevolg zijn geweest van een onenigheid die eind 2014, begin 2015 is ontstaan tussen de auteur en de beheerders van het kinderdagverblijf. Bekend was dat de auteur kampte met psychische klachten en onder behandeling was bij een therapeute.

In een eerdere kort gedingprocedure was Google bij vonnis van 29 februari 2016 geboden recensies te verwijderen en de advocaat van het kinderdagverblijf de NAW gegevens en IP adressen te verschaffen van de Google gebruiker(s) die de recensies had(den) geplaatst. Via de internetproviders van de IP adressen die Google had afgegeven kwam het kinderdagverblijf bij gedaagde uit.

De auteur van de neprecensies wordt veroordeeld het kinderdagverblijf de geleden materiële schade te vergoeden. Die bestaat uit de loonkosten van de bestuurders voor de tijd die zij niet hebben kunnen besteden aan hun eigenlijke werkzaamheden. De vordering tot vergoeding van immateriële (reputatie)schade wordt afgewezen, omdat die onvoldoende is onderbouwd. Wel wordt nog een vergoeding van buitengerechtelijke kosten toegewezen van EUR 11.000,-. Bestaande uit de kosten gemaakt voor de kort geding procedure waarmee afgifte van de gebruikersgegevens en verwijdering van de recensies door/van Google is gevorderd.

EHRM in Tamiz vs UK: Google niet aansprakelijk voor inhoud comments

Door Jens van den Brink

Het arrest in Tamiz v. UK is een belangrijke steun in de rug voor internet tussenpersonen die aansprakelijk worden gehouden voor de inhoud van content die zij hosten. Waar ging het om in deze zaak?

Google is aanbieder van de dienst blogger.com. Via blogger.com kunnen mensen gratis een blog op starten. Gebruikers kunnen ervoor kiezen om hun blog ook door blogger.com te laten hosten.

Op 27 april 2011 verschijnt er op de door blogger.com gehoste website “London Muslim” blog een stuk over “Payam Tamiz, a Tory Muslim council candidate“, met een foto van Tamiz, en onder meer de melding dat Tamiz:

has resigned from the party after calling Thanet girls ‘sluts’. Tamiz who on his Twitter page describes himself as an ‘ambitious British Muslim’ is bizarrely studying law so one would have thought this Tory prat with Star Trek Spock ears might have engaged the odd brain cell before making these offensive remarks.

In de comments onder het artikel werd Tamiz onder meer een “known drug dealer” genoemd, en staan onder meer de volgende beschuldigingen:

His whole family are criminals
Can’t deny what he said is true but isn’t this the same Payam Tamiz that use to take girls back to his ‘houseparties’ practically every weekend with his friends and sleep with them?”
Before Payam starts to call women sluts it might be an idea for him to look closer to home, how may brothers and sisters has he got, all with different fathers. I thought Muslim men were the one who were meant to have more than one wife, not the women with more than one husband. Is there not a 30 year gap between the ages of his younger to older brother and sister. Look closer to home pal.
It couldn’t have happeneded to a better person, his a little snake and he knows it. I’d put my money on him still being a virgin, not being funny but you only got to look at his picture to work that out.
And his brothers girl friend is an escort girl

Eind april 2011 vult Tamiz een abuse report in voor één van de comments. Google laat hem daarop weten dat ze de comments en het artikel niet verwijderen. Google vraagt Tamiz wel toestemming om zijn takedown verzoek te forwarden aan de auteur van het artikel. Die toestemming geeft Tamiz, waarbij hij meteen zijn klacht uitbreidt naar een aantal andere comments. Google stuurt daarop de klacht door. De post en de comments worden dan op 14 augustus 2011 door de auteur van het artikel verwijderd.

Tamiz neemt daar geen genoegen mee. Hij vindt dat Google onrechtmatig heeft gehandeld door de volgens hem lasterlijke teksten online te laten staan en start een procedure tegen Google. De Engelse rechter wees zijn vorderingen af; Google was niet de uitgever van de teksten en had niet onrechtmatig gehandeld.

Tamiz stapt daarop naar het EHRM. Hij vindt dat de Engelse staat tekort is geschoten in de positieve verplichting die uit artikel 8 EVRM volgt om zijn reputatie te beschermen. Het EHRM herinnert aan de overweging uit het Springer arrest, dat een succesvol beroep op artikel 8 EVRM vereist dat ”an attack on personal honour and reputation must attain a certain level of seriousness and must have been carried out in a manner causing prejudice to the personal enjoyment of the right to respect for private life.”

Het Hof past dat dan toe voor internet comments en bepaalt “This threshold test is important: as Article 19 noted in their intervention, the reality is that millions of Internet users post comments online every day and many of these users express themselves in ways that might be regarded as offensive or even defamatory. However, the majority of comments are likely to be too trivial in character, and/or the extent of their publication is likely to be too limited, for them to cause any significant damage to another person’s reputation“. Kortom, comments online moeten niet te serieus worden genomen, en leveren vaak geen schade op aan de reputatie van anderen.

Het EHRM past deze drempel toe en is het eens met de Engelse rechters “that while the majority of commens about which the applicant complains were undoubteldy offensive, for the large part they were little more than “vulgar abuse” of a kind (…) which is common in a communication on many Internet portals, and which the applicant, as a budding politician, would be expected to tolerate.”

Bovendien zullen lezers dit soort comments ook niet snel al te serieus nemen: “Furthermore, many of those comments … which made more specific – and potentially injurious – allegations would, in the context in which they were written, likely be understood by readers as conjecture which should not be taken seriously.

Daarnaast concludeert het EHRM dat Tamiz voldoende alternatieve mogelijkheden had om zijn recht te beschermen. Hij had ten eerste kunnen proberen een procedure te starten tegen de auteurs van de comments. Die was weliswaar anoniem, maar hij had kunnen proberen zijn gegevens te achterhalen via Google. Ten tweede had hij een procedure kunnen starten tegen de auteur van de blogpost.

Het EHRM wijst erop dat de overweging van de Engelse rechter om dat Google alleen maar (en dan ook nog “on the most generous assessment“) aansprakelijk zou kunnen zijn voor de inhoud van de comments nadat er een redelijke termijn voorbij was gegaan sinds zij het takedown verzoek had ontvangen, volkomen in lijn is met internationaal recht: “The approach of the national courts is entirely in keeping with the position in international law. Indeed, the Council of Europe, the European Union, the United Nations and the Organisation for Security and Co‑operation in Europe have all indicated that ISSPs should not be held responsible for content emanating from third parties unless they failed to act expeditiously in removing or disabling access to it once they became aware of its illegality. Indeed, the EU Directive on Electronic Commerce expressly provides that Member States shall neither impose a general obligation on ISSPs which are storing information provided by a recipient of their services to monitor the information which they store, nor a general obligation actively to seek facts or circumstances indicating illegal activity.”

Het EHRM benadrukt dat het Delfi arrest niet in de weg staat aan afwijzing van de eis van Tamiz. In Delfi ging het om een professioneel gemanaged nieuws portal dat op een commerciële basis eigen artikelen publiceerde en lezers uitnodigde comments te plaatsen.

Tenslotte wijst het EHRM op “the important role that ISSPs such as Google Inc. perform in facilitating access to information and debate on a wide range of political, social and cultural topics”. 

Het is duidelijk: het EHRM concludeert dat de Engelse gerechten de juiste afweging hebben gemaakt door Tamiz’ eisen af te wijzen. De klacht van Tamiz wordt als kennelijk ongegrond afgewezen.

Uitspraak hoger beroep over Wob-verzoek MH17-stukken

Door Jan van der Grinten

Op 25 oktober 2017 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een belangrijke uitspraak gedaan over een besluit op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (‘Wob’). De zaak gaat over documenten die betrekking hebben op het handelen van de Nederlandse overheid na de ramp met de MH17. De verzoekers in deze zaak zijn de persorganen NOS, De Volkskrant en RTL Nieuws. In de gerechtelijke procedure tegen de Wob-besluiten van de minister van Veiligheid en Justitie zijn zij gezamenlijk opgetrokken. Wij waren als advocaten van deze nieuwsmedia betrokken bij de zaak.

De hogerberoepsprocedure had in het bijzonder betrekking op de openbaarmaking van de verslagen van de Ministeriële Commissie Crisisbeheersing (‘MCCb’). De andere stukken waarom was verzocht waren na de rechtbankuitspraak al voor het grootste deel openbaar gemaakt. De MCCb is belast met de coördinatie van intersectorale crisisbeheersing en besluitvorming over de samenhangende aanpak daarvan. Binnen deze commissie heeft regelmatig overleg plaatsgevonden over de nasleep van de ramp met de MH17.

De uitspraak is in twee opzichten interessant. Ten eerste heeft de Afdeling de integrale weigering van de minister om de MCCb-verslagen openbaar te maken in stand gelaten. Ten tweede heeft de Afdeling voor het eerst in de geschiedenis geoordeeld dat de Wob onder omstandigheden dient te wijken voor artikel 10 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (‘EVRM’). Deze aspecten komen hierna aan de orde.

Weigering openbaarmaking Mccb-verslagen

In de beroepsprocedure boog de rechtbank zich over de vraag of de minister de verzochte MCCb-verslagen integraal mocht weigeren met een beroep op artikel 11 Wob (‘intern beraad’) en artikel 10 lid 2 onder g. Wob (‘onevenredige benadeling). In de tussenuitspraken [ECLI:NL:RBMNE:2016:3018 en ECLI:NL:RBMNE:2016:3019] van 3 juni 2016 overwoog de rechtbank dat de minister daarmee een onjuiste toepassing had gegeven aan de Wob. Kort gezegd zijn de verslagen volgens de rechtbank opgesteld ten behoeve van intern beraad en bevatten een aantal daarvan persoonlijke beleidsopvattingen. De rechtbank constateerde echter ook dat in veel passages uitsluitend feitelijke gegevens en beschrijvingen voorkomen. Dat zijn geen persoonlijke beleidsopvattingen. Ook constateerde de rechtbank dat in de verslagen besluiten staan en dat die evenmin als persoonlijke beleidsopvattingen zijn te beschouwen. De integrale weigering was volgens de rechtbank dan ook in strijd met artikel 11 Wob. Wat betreft de weigeringsgrond ‘onevenredige benadeling’ had de minister volgens de rechtbank per onderdeel van ieder document moeten bepalen of die van toepassing was. De minister heeft vervolgens echter vastgehouden aan zijn integrale weigering om de MCCb-verslagen openbaar te maken.

In haar einduitspraken [ECLI:NL:RBMNE:2017:902 en ECLI:NL:RBMNE:2017:901] bleef de rechtbank bij haar standpunt dat de besluiten onvoldoende zijn gemotiveerd door het ontbreken van een afweging per (onderdeel van ieder) document. Nu de minister geen gebruik had gemaakt van de geboden mogelijkheid dit gebrek te herstellen, oordeelde de rechtbank dat het verzoek om openbaarmaking, voor zover dat betrekking heeft op de MCCb-verslagen, wordt ingewilligd. De rechtbank droeg de minister op om alle MCCb-verslagen openbaar te maken.

De minister heeft hiertegen hoger beroep ingesteld. Hij stelde zich op het standpunt dat de openbaarmaking van alle MCCb-verslagen onevenredige benadeling oplevert vanwege de eenheid van het regeringsbeleid en de ongestoorde gedachtewisseling binnen de ministerraad die daarvoor nodig is. Het belang van publieke informatieverstrekking weegt daar volgens de minister niet tegenop. Ook betrekt de minister bij deze belangenafweging dat er veel informatie over de afwikkeling van de MH17-ramp openbaar is gemaakt. De Afdeling volgt het standpunt van de minister en overweegt (r.o. 17.1): “Gegeven het geldende geheimhoudingsregime, de opdracht om de eenheid van het regeringsbeleid te bevorderen en de gevoelige aard van de onderwerpen die binnen de MCCb worden besproken, heeft de minister het belang om onevenredige benadeling te voorkomen zwaarder mogen laten wegen dan het belang dat is gemoeid met openbaarmaking.

Het is opmerkelijk dat de overweging van de Afdeling betrekking heeft op al hetgeen in de MCCb-verslagen staat opgenomen. De integrale weigering om de verslagen openbaar te maken houdt in hoger beroep dus stand. Dit valt moeilijk te rijmen met de vaste jurisprudentie dat de Wob een afweging vergt op document(onderdeel)niveau. Uit de Afdelingsuitspraak blijkt ook niet dat de Afdeling zélf een afweging op dit niveau heeft gemaakt.

De betekenis van artikel 10 EVRM

NOS, De Volkskrant en RTL Nieuws hadden ook hoger beroep ingesteld. Hun hoger beroep had betrekking op de beoordeling van de rechtbank van hun beroep op artikel 10 EVRM en de daarin geregelde vrijheid van nieuwsgaring. De rechtbank oordeelde in haar tussenuitspraak dat op de vrijheid van nieuwsgaring wettelijke beperkingen mogelijk zijn en dat de Wob zo’n wettelijke beperking is. Als een besluit voldoet aan de Wob, voldoet het volgens de rechtbank ook automatisch aan artikel 10 EVRM. De rechten die NOS, De Volkskrant en RTL Nieuws als persorganen aan dit artikel ontlenen, reiken volgens de rechtbank dan ook per definitie niet verder dan de Wob.

De nieuwsmedia stelden in hoger beroep onder verwijzing naar artikel 10 lid 2 EVRM en de jurisprudentie van het Europese Hof dat als een persorgaan een verzoek doet om overheidsinformatie in ieder concreet geval moet worden bezien of de weigering die informatie te verstrekken noodzakelijk is in een democratische samenleving met het oog op één van de in artikel 10 lid 2 EVRM genoemde belangen. Zij beriepen zich in dit verband onder andere op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 november 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:1108JUD001803011 (Magyar Helsinki Bizottság v. Hongarije). Volgens deze en eerdere jurisprudentie ontlenen zogenoemde “public watch dogs” (waaronder de pers) aan artikel 10 EVRM aanspraak op openbaarheid van overheidsinformatie, al kan dat recht door nationale overheden tot op zekere hoogte worden beperkt.

De Afdeling overweegt hierover dat met de weigeringsgronden in de Wob is voorzien in een wettelijke grondslag voor de inmenging in het in artikel 10 EVRM gewaarborgde recht om inlichtingen te ontvangen. In het algemeen mag er volgens de Afdeling vanuit worden gegaan dat de wetgever bij het formuleren van de Wob-weigeringsgronden heeft voorzien in beperkingen die noodzakelijk zijn in een democratische samenleving met het oog op een legitiem belang. Dit gaat volgens de Afdeling echter niet altijd op. Een uitzondering is op zijn plaats als een verzoeker stelt en aannemelijk maakt dat er “zeer bijzondere omstandigheden” zijn die meebrengen dat hij, ondanks toepassing van de Wob, in de uitoefening van het specifieke recht om op grond van artikel 10 lid 1 EVRM inlichtingen te ontvangen, wordt belemmerd zonder dat dit op grond van artikel 10 lid 2 EVRM is gerechtvaardigd.

Voor de Wob-praktijk is dit een zeer interessante overweging omdat die laat zien dat artikel 10 EVRM onder omstandigheden de Wob opzij zet. Volgens de Afdeling (r.o. 12.2) dient een geslaagd beroep op artikel 10 lid 2 EVRM als volgt uit te pakken. In het geval een absolute weigeringsgrond aan de weigering ten grondslag is gelegd, wordt de desbetreffende bepaling van de Wob op grond van artikel 94 Grondwet buiten toepassing gelaten. Dit artikel regelt kort gezegd dat verdragsrecht boven nationaal recht gaat. Als een relatieve weigeringsgrond aan de weigering ten grondslag is gelegd, zal het ontbreken van een rechtvaardiging als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van het EVRM in beginsel tot uitdrukking kunnen komen bij uitleg en toepassing van de bepalingen van de Wob waarin de relatieve weigeringsgrond is neergelegd. Dit komt erop neer dat dan bij de belangenafweging meer gewicht toekomt aan het belang van verzoeker dan zonder de werking van artikel 10 EVRM het geval zou zijn. Waar onder de Wob geen onderscheid wordt gemaakt tussen de ene of de andere verzoeker, bevestigt de Afdeling bovendien dat journalisten bij de toepassing van artikel 10 EVRM een speciale positie innemen.

Rechter: drone met camera maakt inbreuk op privacy buren

Door Michael Bacon

Het maken van opnames met een drone zorgt vaak voor spectaculaire resultaten. De rechter is echter niet altijd even enthousiast over het gebruik van een drone met camera, in het bijzonder als de drone boven of naast privéterrein vliegt.

In een vonnis van 21 december 2016 oordeelde de kantonrechter te Apeldoorn dat een man wiens drone met camera door de buurjongen met een luchtbuks uit de lucht was geschoten  inbreuk had gemaakt op de privacy van zijn buren door de drone zodanig boven het erf van zijn buren te brengen dat deze zich bespied mochten voelen. Daarbij achtte de rechtbank niet relevant of de bewuste camera ‘aan’ stond of niet, of dat deze kon inzoomen of niet. Enkel de onzekerheid dat met de camera werd gefilmd was naar oordeel van de kantonrechter voldoende om tot een onrechtmatige inbreuk op de privacy te komen.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, redeneert in een recent vonnis langs een soortgelijke lijn. In het kader van een burenruzie oordeelt de voorzieningenrechter dat het laten vliegen van een drone met camera boven het eigen erf onrechtmatig is aangezien een drone beelden in vogelvluchtperspectief maakt. Daarmee kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden uitgesloten dat de drone, ook wanneer die boven het eigen erf blijft, opnames van het erf van de buren maakt. Bij dit oordeel speelt mogelijk ook een rol dat de eigenaren van de drone al vier vaste camera’s hadden geïnstalleerd op hun terrein waarmee ze opnames maakten van het terrein van de buren.

Natuurlijk zal in deze uitspraken voor de rechters hebben meegespeeld dat de buren in een conflict waren verwikkeld. Wel blijkt uit de uitspraken dat deze rechters het privégebruik van een drone met camera zonder aantoonbare rechtvaardigingsgrond al snel onrechtmatig achten. Er bestaat immers altijd wel een kans dat met de drone beelden van (het erf van) een ander worden gemaakt en er lijken niet al te zware eisen te worden gesteld aan degene die stelt zich daardoor bespied te voelen. Het is afwachten of de rechtspraak zich verder in deze richting zal ontwikkelen.

Geen verbod uitzending Zembla β€œDe omstreden vrienden van Donald Trump”

Door Nanette Janssen

In het BNNVARA tv-programma Zembla komt in de uitzending “De omstreden vrienden van Donald Trump: Deel 3 De miljardenfraude” de Kazachstaanse Khrapunov ter sprake. In een eerdere aflevering zijn verdenkingen geuit richting de vader van Khrapunov, over betrokkenheid bij een wereldwijde witwasconstructie. In deze aflevering wordt aandacht aan Khrapunov junior besteed. Khrapunov vordert onder meer een verbod op het uitzenden van een tv-programma waarin zijn naam wordt gebruikt en hij herkenbaar in beeld komt, voor zover hij lichtvaardig wordt beschuldigd van witwassen. De rechtbank Midden-Nederland wijst op 27 september 2017 de vorderingen van Khrapunov in een kop-staart vonnis af. De uitzending kan doorgaan. De schriftelijke uitwerking van dit vonnis is op 11 oktober 2017 gepubliceerd.

Een dergelijk algemeen verbod kan niet worden toegewezen’, overweegt de voorzieningenrechter. Voordat een dergelijk verbod kan worden toegewezen, zal een afweging moeten worden gemaakt tussen het recht op eerbiediging van de eer en goede naam enerzijds en de vrijheid van meningsuiting anderzijds. Volgens Khrapunov ‘is de centrale beschuldiging van Zembla dat hij een cruciale rol speelt in een wereldwijde witwasoperatie, op geen enkele manier met documenten of bronnen onderbouwd’. Khrapunov legt onrechtmatig handelen aan zijn vorderingen ten grondslag.

De voorzieningenrechter gaat hier niet in mee en oordeelt dat ‘De beschuldiging van Khrapunov van witwassen (…) niet zomaar uit de lucht vallen’. Khrapunov wordt bijvoorbeeld al sinds 2014 internationaal gezocht voor onder meer witwassen en wordt daarnaast in verschillende artikelen met witwassen in verband gebracht. Bovendien ‘schetst BNN-VARA naar het oordeel van de voorzieningenrechter een voldoende evenwichtig beeld van de situatie,’ door aan te geven dat de beschuldigingen van de Kazachstaanse overheid komen en kritisch moeten worden bekeken.

Khrapunov is al verschillende keren met naam en toenaam in de publiciteit geweest en heeft daarnaast in het verleden zelf actief publiciteit opgezocht. Hij kan daarom als een publiek figuur worden beschouwd, ‘die meer media-aandacht kan verwachten dan een privé-persoon.’ Zembla heeft twee keer contact opgenomen met Khrapunov om hem in de gelegenheid te stellen te reageren op de bevindingen van Zembla. De voorzieningenrechter is van oordeel dat ‘BNN-VARA Khrapunov voldoende gelegenheid heeft gegeven om voorafgaand aan de uitzending te reageren.’

De voorzieningenrechter oordeelt dat ‘onvoldoende aannemelijk is geworden dat in de voorgenomen uitzending zodanige lichtvaardige verdachtmakingen over Khrapunov worden geuit dat dit in het licht van voornoemde belangenafweging onrechtmatig is jegens Khrapunov.‘ Het recht op vrije meningsuiting van BNN-VARA weegt zwaarder dan het recht van Khrapunov op bescherming van zijn eer en goede naam.

De vorderingen van Khrapunov worden afgewezen.

BNN-VARA werd in deze zaak bijgestaan door Jens van den Brink en Emiel Jurjens.

ECtHR in Becker: Robust protection of journalistic sources remains a basic condition for press freedom

Door Redactie

After our first assessment of the Becker ruling of the ECtHR, here is a more in-depth analysis of the verdict.

Guest post by prof. Dirk Voorhoof, Ghent University.*

In the judgment in the case Becker v. Norway the ECtHR showed once more its concern about the importance of the protection of journalistic sources for press freedom and investigative journalism in particular. The ECtHR emphasised that a journalist’s protection under Article 10 ECHR cannot automatically be removed by virtue of a source’s own conduct, and that source protection applies also when a source’s identity is known. The judgment has been welcomed by the European Federation of Journalists (EFJ), as it is perceived “to strengthen the protection of journalistic sources as one of the basic conditions for media freedom”. The EFJ also calls on states “to adopt legislation with the purpose of implementing journalists’ right to protect their sources, following international standards” and strongly calls for a broad and effective protection of whistleblowers.

The law and the proceedings in Norway

The case concerns a journalist, Cecilie Langum Becker, working for DN.no, a Norwegian internet-based newspaper. Ms Becker was ordered to give evidence in a criminal case brought against one of her sources, Mr X, who was accused for market manipulation. Mr X had confirmed to the police that he had been Ms Becker’s source for an article she had written about the Norwegian Oil Company’s (DNO) allegedly difficult financial situation. The price of DNO stock decreased by 4.1% on the first trading day after the publication of Ms Becker’s article. Mr X was subsequently charged with using Ms Becker to manipulate the financial market. Ms Becker refused to testify against Mr X, and the courts therefore ordered her to testify about her contacts with him, finding that there was no source to protect as he had already come forward. They also considered that her evidence might significantly assist the courts in elucidating the case. Mr X was however convicted as charged before the final decision on Ms Becker’s duty to give evidence had been made. Relying on Article 125 of the Norwegian Code of Criminal Procedure and Article 10 ECHR, Ms Becker argued that she was under no obligation to give evidence and she refused at any stage of the proceedings to answer questions about possible contacts between her and Mr X and other sources.

Article 125 of the Code of Criminal Procedure provides that:

“The editor of a printed publication may refuse to answer questions concerning who is the author of an article or report in the publication or the source of any information contained in it. The same applies to questions concerning who is the source of other information that has been confided to the editor for use in his work. Other persons who have acquired knowledge of the author or the source through their work for the publishers, editors, press agency or printers in question have the same right as the editor.

When important social interests indicate that the information should be given and it is of substantial significance for the clarification of the case, the court may, however, on an overall evaluation order the witness to reveal the name. If the author or source has revealed matters that it was socially important to disclose, the witness may be ordered to reveal the name only when this is found to be particularly necessary.

When an answer is given, the court may decide that it shall only be given to the court and the parties at a sitting in camera and under an order to observe a duty of secrecy.

The provisions of this section apply correspondingly to any director or employee of any broadcasting agency.”

On account of her refusal to comply, the High Court, in January 2012, ordered Ms Becker to pay a fine of 30,000 Norwegian kroner (NOK), approximately 3,700 euro (EUR) for an offence against the good order of court proceedings, failing which she would be liable to ten days’ imprisonment.

In March 2012 Ms Becker lodged an application with the ECtHR, alleging that she had been compelled to give evidence that would have enabled one or more journalistic sources to be identified, in violation of her right under Article 10 ECHR to receive and impart information. It took the ECtHR more than five years to decide on the case, but finally, with an unanimous vote, the fifth section of the ECtHR on 5 October 2017 found that Norway has violated Ms Becker’s right to protect her sources.

The Court’s judgment

 First of all, it is worth observing that the judgment of the ECtHR not only refers to relevant legal provisions and jurisprudence under Norwegian law and to Recommendation No. R (2000) 7 on the right of journalists not to disclose their sources of information, adopted by the Committee of Ministers of the Council of Europe on 8 March 2000. It also refers to other relevant international material such as the 8 September 2015 report to the UN General Assembly of the Special Rapporteur on the promotion and protection of the right to freedom of opinion and expression. The ECtHR quotes from this report, in which it is stated (§ 40) :

“Revealing or coercing the revelation of the identity of a source creates disincentives for disclosure, dries up further sources to report a story accurately and damages an important tool of accountability. In the light of the importance attached to source confidentiality, any restrictions must be genuinely exceptional and subject to the highest standards, implemented by judicial authorities only. Such situations should be limited to investigations of the most serious crimes or the protection of the life of other individuals”.

As there was no discussion in the case at issue that there had been an “interference” with the journalist’s rights under Article 10 § 1 ECHR, as it was clear that the order to give evidence was “prescribed by law” and as it was undisputed that the order had been issued for the purpose of “the prevention of crime”, the ECtHR once more needed to focus on the question whether the inference was “necessary in a democratic society”.

The ECtHR refers to its earlier case law in which it has developed the principles governing the protection of journalistic sources, such as in Goodwin v. United Kingdom (§ 65):

“Protection of journalistic sources is one of the basic conditions for press freedom, as is reflected in the laws and the professional codes of conduct in a number of Contracting States and is affirmed in several international instruments on journalistic freedoms … Without such protection, sources may be deterred from assisting the press in informing the public on matters of public interest. As a result the vital public-watchdog role of the press may be undermined and the ability of the press to provide accurate and reliable information may be adversely affected. Having regard to the importance of the protection of journalistic sources for press freedom in a democratic society and the potentially chilling effect an order of source disclosure has on the exercise of that freedom, such a measure cannot be compatible with Article 10 of the Convention unless it is justified by an overriding requirement in the public interest”.

Referring to its Grand Chamber judgment in Sanoma Uitgevers B.V. v. the Netherlands, it reiterates that

“the Court has always subjected the safeguards for respect of freedom of expression in cases under Article 10 of the Convention to special scrutiny. Having regard to the importance of the protection of journalistic sources for press freedom in a democratic society, an interference cannot be compatible with Article 10 of the Convention unless it is justified by an overriding requirement in the public interest.”

 The Court reminds that in Nagla v. Latvia it found that the fact that a source’s identity had been known to the investigating authorities prior to a search at the premises of a journalist, did not remove the journalist’s protection under Article 10 ECHR and it emphasises that a journalist’s protection under Article 10 cannot automatically be removed by virtue of a source’s own conduct. The ECtHR furthermore holds that protection afforded to journalists when it comes to their right to keep their sources confidential is “two‑fold, relating not only to the journalist, but also and in particular to the source who volunteers to assist the press in informing the public about matters of public interest”, while in Voskuil v. the Netherlands the ECtHR found that the potential significance in criminal proceedings of the information sought from a journalist was insufficient under Article 10 as a reason to justify compelling him to disclose his source or sources. It also emphasised that a chilling effect will arise wherever journalists are seen to assist in the identification of anonymous sources.

The ECtHR went on to consider that the possible effects of the order were of such a nature that the general principles developed with respect to orders of source disclosure were applicable to the case, and that Ms Becker’s refusal to disclose her source or sources did not at any point in time hinder the investigation of the case or the proceedings against Mr X. On the contrary, there was no indication that the Ms Becker’s refusal to give evidence attracted any concerns of the Norwegian courts with respect to the case or the evidence against Mr X. It also bore in mind that Ms Becker’s journalistic methods had never been called into question and she had not been accused of any illegal activity.

Having regard to the importance of the protection of journalistic sources for press freedom, the ECtHR finds that the reasons adduced in favour of compelling Ms Becker to testify on her contact with Mr X, though relevant, were insufficient.  Therefore the ECtHR is not convinced that the impugned order was justified by an “overriding requirement in the public interest” and, hence, necessary in a democratic society. The ECtHR accordingly concludes that there has been a violation of Article 10 ECHR.

Comment

Since 1996 (Goodwin v. United Kingdom), the ECtHR has found several types of violations of  journalists’ sources protection as guaranteed under Article 10 ECHR (see the factsheet of the ECtHR). Luxembourg, Belgium, the Netherlands, the United Kingdom and France at multiple occasions have been found in breach with the right of journalists to have their sources protected, while also authorities in Latvia (Nagla v. Latvia) and Turkey (Görmüs and others v. Turkey) have disrespected journalists’ rights by searching and investigating their sources. Although Norway has a positive reputation when it comes to protection of journalistic sources, as reflected e.g. in the 2015 Supreme Court judgment in the case of Rolfsen and Association of Norwegian Newspapers v. Norwegian Prosecution Authority, this time, after long deliberation, the ECtHR found that the Norwegian authorities have acted in breach with Article 10 ECHR by compelling a journalist to reveal information about a source.

 While the reasoning and outcome in Becker v. Norway is consistent with and builds upon the substantial case law of the ECtHR guaranteeing robust protection of journalistic sources, even in cases where the source has been identified, also a disclaimer needs to be formulated with regard some part of the reasoning of the ECtHR in this case.

The ECtHR observes that “the present case does not involve allegations of unlawful activity by the applicant, or criminal investigations of or proceedings against her, beyond those related to her refusal to give evidence on her contact with Mr X”. And in this context, it also notes that the Government has not questioned the journalistic methods employed by Ms Becker (§ 71).

This kind of consideration however risks undermining the protection of journalistic sources. Indeed, as a matter of principle, sources should not loose protection because of the allegedly unlawful, unethical or questionable conduct of the journalist. Furthermore, in as far as the Court’s consideration refers to the fact that the Government has not questioned the journalistic methods used by the journalist in this case, it might imply that in cases where the Government does question or criticize the journalistic methods, there would no longer be a valid claim on the right of journalistic source protection. Also in cases where a journalist is charged or prosecuted for alleged unlawful acts, the right to protection of journalistic sources should remain to be guaranteed (Tillack v. Belgium).

A recent judgment with regard to the protection of journalistic protection (Görmüş and others v. Turkey) contains a worrying consideration of a similar kind. The ECtHR acknowledged in Görmüş and others v. Turkey that the duties and responsibilities of journalists can include the duty not to publish information provided by whistle-blowers who have not first internally informed their superiors about potentially unlawful practices with their department or service. In its original French version of the judgment, the Court considered that it could accept

que les devoirs et les responsabilités qu’assument les journalistes qui exercent leur droit à la liberté d’expression puissent inclure le devoir de ne pas publier les renseignements que des fonctionnaires lanceurs d’alerte leur ont fournis, jusqu’à ce que ces fonctionnaires aient utilisé les procédures administratives internes prévues pour faire part de leurs préoccupations à leurs supérieurs ”.

This consideration however, formulated as a general principle that journalists should only publish information obtained from whistle-blowers that have first exhausted all internal procedures that are available to them, is very problematic. This approach also contrasts with earlier case law of the ECtHR in which the Court was of the opinion that a “journalist’s right not to reveal her or his sources could not be considered a mere privilege to be granted or taken away depending on the lawfulness or unlawfulness of their sources, but is part and parcel of the right to information, to be treated with the utmost caution” (Tillack v. Belgium, § 65) or in which it held that “the conduct of the source can never be decisive in determining whether a disclosure order ought to be made” (Telegraaf Media Nederland Landelijke Media B.V. and Others v. The Netherlands, § 128).

More attention is also to be given to what has been stated in the earlier mentioned 2015 report to the UN General Assembly of the Special Rapporteur on the promotion and protection of the right to freedom of opinion and expression, referring to the Belgian law of 7 April 2005 on protection of journalistic sources:

“National laws should ensure that protections apply strictly, with extremely limited exceptions. Under Belgian law, journalists and editorial staff may be compelled by a judge to disclose information sources only if they are of a nature to prevent crimes that pose a serious threat to the physical integrity of one or more persons, and upon a finding of the following two cumulative conditions: (a) the information is of crucial importance for preventing such crimes; and (b) the information cannot be obtained by any other means. The same conditions apply to investigative measures, such as searches, seizures and telephone tapping, with respect to journalistic sources” (§ 40).

Source: Strasbourg Observers, 10 October 2017

*Dirk Voorhoof, Human Rights Centre Ghent University (Belgium), Copenhagen University (Denmark), Legal Human Academy and member of the Executive Board of the European Centre for Press and Media Freedom (ECPMF, Germany)

Onrechtmatige arrestatie NRC-fotograaf en inbeslagname journalistiek materiaal

Door Christien Wildeman

Afgelopen donderdag bepaalde het EHRM in een Noorse zaak dat het journalistiek verschoningsrecht ook geldt als de identiteit van de bron bekend is.

In het Westen is (terecht) kritiek op andere landen waar de vrijheid van meningsuiting onder druk staat. Maar ook Westerse overheden zijn geregeld geneigd de rechten van journalisten te beperkt uit te leggen als hen dat beter uitkomt.

Begin september weigerde NRC-fotograaf Chris Keulen zijn foto’s van een vechtpartij aan de politie af te staan met een beroep op de persvrijheid. In een democratische rechtsstaat moeten er waarborgen zijn dat als een journalist filmt of fotografeert die beelden niet zomaar bij de politie terecht kunnen komen. Anders bestaat het gevaar dat mensen die worden gefotografeerd of gefilmd de pers gaan wantrouwen en dat schaadt de vrijheid van nieuwsgaring. “Ik ben geen verlengstuk van justitie”, legt Keulen uit. Hij werd daarop als verdachte aangehouden en enkele uren vastgezet wegens het niet voldoen aan een ambtelijk bevel. Zijn camera en geheugenkaart werden op vordering van de officier van justitie in beslag genomen.

De misvatting bij politie en justitie in Limburg was dat er geen bronbescherming in het geding was en dat Keulen daarom geen beroep op de persvrijheid zou toekomen.

Ten eerste is die opvatting te kort door de bocht. Keulen maakte zich wel degelijk zorgen over de bescherming van zijn bronnen: “Met relatief simpele software zijn de foto’s van de laatste twee maanden van mijn kaart te halen. Die foto’s zijn in vertrouwen genomen.

Ten tweede was de gang van zaken in strijd met het recht. Na een klacht van NRC heeft het OM in een persbericht ruimhartig erkend dat er fouten zijn gemaakt en daarvoor excuses aangeboden:

Deze handelswijze strookt niet met de Aanwijzing toepassing dwangmiddelen tegen journalisten. Weliswaar staat de Aanwijzing toe dwangmiddelen bij journalisten toe te passen, zoals het in beslagnemen van beelden, maar dit kan alleen na vooraf gegeven rechterlijk bevel en in geval van bijzondere omstandigheden. Te denken valt aan een situatie waarin het dwangmiddel het enige denkbare effectieve middel is om een zeer ernstig (levens)delict op te sporen en te voorkomen. Daarvan was in de onderhavige situatie geen sprake.

Het OM heeft de zaak tegen Keulen geseponeerd en de beelden zijn vernietigd. George Rasker, waarnemend hoofdofficier van justitie in Limburg verklaarde tegenover NRC: “Dit soort incidenten doet zich gelukkig maar zelden voor. Door de zaak, en de aandacht die zij kreeg in de media, zijn alle officieren van justitie gelukkig weer alert op de regels.

De zaak onderstreept niettemin dat persvrijheid – ook in Nederland – geen vanzelfsprekendheid is.

NRC werd in deze zaak bijgestaan door Christien Wildeman

Eberhard van der Laan

Door Christien Wildeman

Vanmorgen hoorden we tot ons verdriet dat Eberhard is overleden. Eberhard was niet alleen de geliefde burgemeester van Amsterdam, hij was tot een aantal jaar geleden ook onze collega. Vijfentwintig jaar geleden was hij een van de oprichters en naamgever van ons kantoor. In 2004 haalde hij Willem Van Manen – fervent voorvechter van de vrijheid van meningsuiting – naar Kennedy Van der Laan.

Willem had bijzondere waardering voor Eberhard vanwege de zaak van cineast Louis van Gasteren tegen columniste Pamela Hemelrijk. In 1990 publiceerde Het Parool een aantal kritische artikelen over Van Gasteren die in 1943 een bij hem ondergebrachte joodse onderduiker om het leven had gebracht. Willem stond Het Parool bij in de rechtszaak over deze publicaties. De Hoge Raad stelde Van Gasteren in het gelijk, hij zou het recht hebben om met rust te worden gelaten. Over die uitkomst was veel te doen.

Columniste Pamela Hemelrijk ventileerde haar onbegrip over de zaak in een open brief aan de Hoge Raad:

Geachte Hoge Raad,

Ik schrijf U over een onderwerp dat ik, als ik de juristen geloven mag, nooit meer kan aanroeren. Nou ja, ik kan het wel doen, maar, aldus die juristen, dan krijg ik onmiddellijk een proces met een dikke vette schadeclaim aan mijn broek, dat ik gegarandeerd ga verliezen.

Van Gasteren spande inderdaad ook tegen Hemelrijk een rechtszaak aan. Maar dankzij de deskundige en bevlogen bijstand van Eberhard heeft Hemelrijk die zaak gewonnen. Hemelrijk/Van Gasteren is een belangrijk, toonaangevend arrest over het belang van de vrijheid van meningsuiting. Het is één van de vele mooie dingen die Eberhard heeft nagelaten.

We zullen hem missen.

 

EHRM in Becker t. Noorwegen: journalistiek verschoningsrecht geldt ook als de bron bekend is

Door Jens van den Brink

Het journalistiek verschoningsrecht geldt ook als de bron al heeft bekend de bron te zijn, zo bepaalde het EHRM in het Becker arrest. Wel is het beschermingsniveau lager.

Cecilie Becker is journaliste bij dn.no, de online editie van de Noorse krant Dagens Næringsliv. In 2007 schreef Becker een artikel over de Noorse Oliemaatschappij DNO, die in financiële problemen zou verkeren. Na publicatie van het artikel kelderde de beurskoers van DNO. Haar bron, meneer X,  bekende dat hij de bron was en werd vervolgd voor marktmanipulatie en insider trading. Hij zou Becker hebben gebruikt om de beurswaarde van DNO te manipuleren.

Becker werd als getuige opgeroepen om te vertellen over haar contacten met X. Becker weigerde te getuigen, met een beroep op haar journalistiek verschoningsrecht. Onzin, aldus de Noorse rechter, want je bron heeft al toegegeven dat hij de bron is. En haar getuigenis zou belangrijk kunnen zijn in de zaak tegen X.

Becker ging in beroep tegen het bevel te getuigen. Het OM verzocht geen uitstel van de zaak totdat op haar beroep was beslist, omdat ze vonden dat hun zaak voldoende duidelijk was zonder haar getuigenis. Voordat op dat beroep werd beslist, werd X veroordeeld tot anderhalf jaar cel.

Becker vond dat zij op grond van het door artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) beschermde brongeheim nooit had mogen worden bevolen te getuigen over haar bron en procedeerde door tot aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).

Het EHRM loopt de bekende arresten over het brongeheim langs; Goodwin, Sanoma, Financial Times, Voskuil, Telegraaf en Nagla.

En dan de hamvraag; speelt het brongeheim ook als de bron al bekend is en zelfs een verklaring heeft ondertekend dat hij de bron van het artikel was? Ja, aldus het EHRM. Hoewel hier het chilling effect dat optreedt als een journalist meewerkt aan het identificeren van een anonieme bron niet speelt, zijn de mogelijke effecten van het bevel zodanig dat de algemene principes van het brongeheim van toepassing zijn. Het Hof overweegt: “while not formally a matter of a journalist assisting in the identification of anonymous sources, the Court considers that the possible effects of the order were nonetheless of such a nature that the general principles developed with respect to orders of source disclosure are applicable to the case“.

Het feit dat de bron te kwader trouw had gehandeld doet daar niet aan af. Het gedrag van de bron is weliswaar een belangrijke omstandigheid voor de belangenafweging, maar kan nooit bepalend zijn. De bescherming van een journalist onder 10 EVRM kan niet automatisch verdwijnen vanwege het gedrag van een bron. Wel kan het niveau van bescherming onder 10 EVRM erdoor worden beïnvloed.

Het EHRM stelt vast dat Becker niet wordt beschuldigd van illegaal handelen. En dat de weigering van Becker om te getuigen het proces tegen X niet heeft gehinderd. Het EHRM concludeert dat het bevel van de Noorse rechter om Becker te laten getuigen disproportioneel was en niet noodzakelijk in een democratische samenleving, zodat artikel 10 EVRM is geschonden.

 

Peter R. de Vries mag β€˜publicist’ kierewiet noemen

Door Cathalijn Hakvoort

Eiser heeft zich in tal van publicaties op zijn website, Facebook en Youtube uitgelaten over de in 1991 vermoorde Marianne Vaatstra. Volgens hem is de Vaatstra-zaak “echt het grootste bedrog dat ooit over Nederland is uitgestort”. De moeder en broer van het vermoorde meisje hebben een kort geding aangespannen tegen eiser waarin zij een contactverbod, een publicatieverbod en rectificaties van eerdere uitingen hebben gevorderd. Bij vonnis van 7 augustus 2017 zijn de vorderingen grotendeels toegewezen. Hier de rectificatie.

Op 13 juni 2017 heeft het televisieprogramma RTL Boulevard, met als gastspreker Peter R. de Vries, aandacht besteed aan dit kort geding. Eiser vindt dat Peter R. de Vries bij RTL Boulevard over de schreef is gegaan door hem ‘kierewiet’ te noemen en door te stellen dat hij afgevoerd moet worden in een dwangbuis. Eiser eist een rectificatie op de website van RTL Boulevard. De Vries stelt dat hij een waardeoordeel heeft gegeven over de gedragingen van eiser en hij niet onrechtmatig heeft gehandeld. De rechter is dat met hem eens. Door zich extreem uit te laten over de moord op Marianne Vaatstra maakt eiser zich volgens de rechter tot publiek persoon en zal hij eerder krachtige tegengeluiden moeten dulden dan andere personen. Peter R. de Vries handelt niet onrechtmatig, nu de uitspraken van hem een waardeoordeel vormen, en de uitingsvrijheid ruimte laat voor provocatie en overdrijving. De uitingen van Peter R. de Vries hebben daarmee voldoende feitelijke basis om niet excessief te zijn. De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam wijst de vorderingen af.

De strijd tussen de moeder van Marianne Vaatstra en eiser was echter nog niet gestreden. De Rechtbank Noord-Holland heeft vorige week geoordeeld dat eiser aan de moeder van Marianne Vaatstra 500.000 euro aan dwangsommen moet betalen omdat hij zich niet aan het vonnis van 7 augustus 2017 heeft gehouden.

Hoge Raad in Pretium/Tros: afgifte ruwe beelden verborgen camera is strijdig met persvrijheid

Door Jens van den Brink

Precies negen jaar na de bewuste uitzending van Tros Radar – van 29 september 2008 – bevestigde de Hoge Raad dat de door Pretium gevorderde afgifte van het voor die uitzending met een verborgen camera door de Tros (inmiddels AvroTros) opgenomen ruwe beeldmateriaal een ontoelaatbare beperking is van de vrijheid van meningsuiting.

Bijna een decennium geleden toonde Tros Radar tot grote woede van Pretium verborgen camerabeelden, opgenomen in een centrum waar telefonische marketeers van Pretium werden getraind.  De wijze van telefonische klantenwerving door Pretium werd kritisch besproken. Zoals eisers vaker doen in perszaken, eiste Pretium op grond van art. 843a Rv dat al het ruwe geluids- en beeldmateriaal dat Tros tijdens de infiltratie had gemaakt aan haar ter beschikking zou worden gesteld. Want hoe zou zij  anders kunnen aantonen dat haar onrecht was aangedaan en de boel uit de context was gehaald.

De Hoge Raad bepaalt in het arrest van 29 september dat het Hof Den Haag terecht heeft geoordeeld dat de gevorderde afgifte afgewezen moet worden. De Hoge Raad is het eens met het oordeel van het hof, dat 0nder verwijzing naar het Nordisk Film-arrest van het EHRM bepaalde dat dit materiaal onder de bescherming van art. 10 EVRM valt en dat afgifte daarvan een chilling effect op de uitingsvrijheid en vrije nieuwsgaring heeft. Een beperking hiervan is bij wet voorzien (art. 843a Rv), maar in deze situatie niet noodzakelijk omdat Pretium ook getuigen kan horen.

Het hof heeft volgens de Hoge Raad terecht getoetst of een beperking van artikel 10 EVRM als gevolg van een bevel tot afgifte van het beeld- en geluidmateriaal, in de omstandigheden van dit geval, in overeenstemming zou zijn met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. En dat was volgens het hof niet het geval: Pretium had eerst een de desbetreffende cursusleider en cursisten als getuigen moeten horen, voordat zij het zwaardere middel van art. 843a Rv inzette. Door dat na te laten zou toewijzing van de afgifte het door art. 10 EVRM beschermde recht van Tros op vrije meningsuiting en vrije nieuwsgaring – mede gelet op het algemeen belang van persvrijheid in een democratische samenleving – ontoelaatbaar schenden. Dat de ‘bron’ geen vertrouwelijkheid was toegezegd – het was een undercover operatie, dus de ‘bron’ wist helemaal niet dat er gefilmd werd – deed daar niet aan af (zie ook dit eerdere uitzonderlijke executiegeding hierover in deze zaak).

De Hoge Raad wijst de cassatieklachten van Pretium af.

De procedure tussen Pretium en de Tros is een waar lawyer’s paradise, waarover wij op MediaReport al vaak schreven. Al in 2012 waren er in de procedure tussen TROS en Pretium meer dan 42 proceshandelingen geweest. Dat zal inmiddels vele malen meer zijn. En Pretium strijdt op vele fronten; hier een up-to-date overzicht van Pretium procedures. Daaronder ook het bekende arrest van de Hoge Raad uit 2011 over het gebruik van verborgen camerabeelden, waarin ook is bevestigd dat de journalistieke maatstaven uit de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek ”geen rechtens aan te leggen criterium maar een omstandigheid die weliswaar in de regel gewicht in de schaal zal leggen maar niet doorslaggevend behoeft te zijn.

Hof Amsterdam vernietigt verbod op gebruik format β€˜The Alphabet Game’.

Door Amy van der Maat

Deze zomer heeft het Hof Amsterdam uitspraak in een kort gedingprocedure gedaan in de zaak MC&F Broadcasting Production tegen ITV Global Entertainment Limited . Partijen waren het oneens over de vraag wie de (auteurs)rechthebbende is van het ‘Eindspel’, een onderdeel van het in de jaren ’90 bekende televisieprogramma ‘The Alphabet Game’.

Eerder liet de Spaanse rechter zich al uit over de vraag wie (auteurs)rechthebbende is van het zogenoemde ‘Eindspel’. Waar het oorspronkelijke format van The Alphabet Game door ITV in licentie was gegeven aan verschillende productiemaatschappijen in diverse landen – waaronder ook Italië -, was het door de Italiaanse televisieproducent Einstein bedachte finalespel, het ‘Eindspel’, in licentie gegeven aan MC&F. Volgens de Spaanse rechter was dit finalespel echter dusdanig afgeleid van het oorspronkelijke format van The Alphabet Game, dat de daarop rustende auteursrechten toebehoorden aan ITV. Daarom werd aan MC&F een verbod opgelegd zich te gedragen als “ware zij rechthebbende op het format van The Alphabet Game”.

De voorzieningenrechter in Nederland oordeelde dat het geen uitgemaakte zaak is wie de auteursrechten op het Eindspel heeft en heeft uiteindelijk het door ITV gevorderde verbod aan MC&F om zich te gedragen als ware zij rechthebbende op het format toegewezen.

Het Hof Amsterdam komt tot een andere conclusie en vernietigt het verbod aan MC&F op gebruik van het format van The Alphabet Game:

“Dat de bodemrechter in de door MC&F tegen ITV gevoerde procedure tot de conclusie zal komen dat het eindspel een bewerking is van The Alphabet Game en daardoor als verveelvoudiging van The Alphabet Game moet worden aangemerkt, blijkt onvoldoende aannemelijk. Het enkele feit dat in beide formats het alfabet een belangrijke rol speelt rechtvaardigt niet reeds een dergelijke gevolgtrekking.

Het Hof oordeelt ten slotte dat een kort geding zich niet leent om in het onderhavige geval een knoop door te hakken. In de bodemzaak zal nader feitelijk onderzoek moeten plaatsvinden om een antwoord te kunnen geven op de vraag wie als (auteurs)rechthebbende op het Eindspel moet worden beschouwd. Bovendien is volgens het Hof niet aannemelijk dat een dusdanige inbreuk op het format dreigt die ingrijpen van de Nederlandse kortgedingrechter zal rechtvaardigen. Overigens heeft MC&F haar spoedeisendheid bij dit ingrijpen onvoldoende toegelicht. Wie de auteursrechten heeft op dit ‘Eindspel’ zal dus nog moeten blijken uit een bodemprocedure. Een kleine tip van de sluier geeft het Hof echter wel door voorshands de aanwijzingen dat deze auteursrechten bij MC&F zouden liggen als “sterk” te bestempelen.

Op Facebook geplaatste foto mag niet worden gebruikt in reclamecampagne

Door Linda Couvreur

Foto’s die op Facebook zijn geplaatst mogen door anderen alleen worden gedeeld als dit delen gebeurt op het platform zelf. Het delen van op Facebook geplaatste foto’s buiten het platform om levert inbreuk op auteursrecht op, zo werd recent bevestigd door de Rechtbank Zeeland-West-Brabant.

Drankgigant had een foto van een rijdende PostNL-vrachtwagen op Facebook gevonden en deze foto gebruikt op de eigen website voor een reclamecampagne. De fotograaf stelt dat Drankgigant hiermee inbreuk heeft gemaakt op zijn auteursrecht en vordert een schadevergoeding van € 375,-, vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten van € 56,-.

Volgens Drankgigant mocht zij de foto openbaar te maken, omdat deze op Facebook stond. Drankgigant verwijst daarbij naar de voorwaarden van Facebook. Ook benadrukt Drankgigant niet doelbewust foto’s van anderen op de website te gebruiken en dat de foto bovendien direct verwijderd is van de website nadat de fotograaf hen hierop had aangesproken.

Volgens de rechter houden de voorwaarden van Facebook in dat op Facebook geplaatst foto’s door derden alleen mogen worden gedeeld op Facebook en dus niet daarbuiten. Alleen Facebook is gerechtigd om foto’s ook buiten het platform te delen. De omstandigheid dat een foto is geplaatst op Facebook geeft derden dus geen vrijbrief de foto te gebruiken voor een reclamecampagne. Met het plaatsen van de foto op de website heeft Drankgigant dus inbreuk gemaakt op het auteursrecht van de fotograaf. Het ontbreken van kwade opzet en het gegeven dat Drankgigant de foto direct verwijderd heeft toen de fotograaf hierom vroeg, doet hieraan niet af. De gevorderde schadevergoeding wordt toegewezen.

Picnic-commercial met lookalike Max Verstappen schendt portretrecht

Door Amy van der Maat

Na een eerdere uitspraak over oud-voetballer Edgar Davids, heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een portretrechtzaak van een andere bekende Nederlandse sporter, Formule 1 coureur Max Verstappen.

Als je op tijd bent, hoef je niet te racen – luidt de nieuwe commercial van online supermarkt Picnic. De commercial toont een lookalike van Max Verstappen, waarbij de coureur in een bezorgbus een pitstop maakt langs het distributiecentrum van Picnic, om vervolgens de boodschappen bij klanten aan huis te bezorgen. Picnic speelt daarmee in op de reclamecampagne van supermarkt Jumbo met Max Verstappen.

De vertegenwoordiging van Max Verstappen stelt dat Picnic met deze commercial onrechtmatig aanhaakt bij de ongekende populariteit van de coureur en inbreuk maakt op het portretrecht van Max Verstappen.

De rechtbank bevestigt allereerst dat de in de commercial van Picnic gebruikte lookalike kwalificeert als een portret van Max Verstappen, nu de lookalike “alle karakteristieke kenmerken van het portret van Max Verstappen – waaronder dezelfde pet, raceoutfit, haarkleur, hetzelfde silhouet en postuur” vertoont. Volgens de rechtbank wordt daarmee bij het publiek het beeld van Max Verstappen opgeroepen.

De rechtbank wijst op het commercieel portretrecht en overweegt dat het het Max Verstappen vrij staat “zelf te bepalen of en zo ja tegen welke vergoeding hij zijn populariteit wenst in te zetten ter ondersteuning van commerciële activiteiten. [..] Juist bij personen die door hun beroepsuitoefening bekendheid genieten, kunnen commerciële belangen gemoeid zijn bij de openbaarmaking van hun portret.” Ook een dergelijk commercieel belang vindt bescherming onder artikel 8 EVRM en weegt in het huidige geval zwaarder dan het in artikel 10 EVRM door Picnic ingeroepen recht op vrijheid van meningsuiting om zich op humoristische wijze te uiten. Doorslaggevend is het feit dat de commercial van Picnic een reclame-uiting is, een eigen commercieel belang kent en via social media is verspreid zonder dat hiervoor een vergoeding aan Max Verstappen is aangeboden.

Picnic heeft inbreuk gemaakt op het portretrecht van Verstappen en moet zijn schade vergoeden. Verstappen brengt een rapport in van een sportmarketingbureau, dat zegt dat Verstappen voor het gebruik van zijn portret in een commercial zoals die van Picnic EUR 350.000 had kunnen vragen. Picnic wijst erop dat dit bureau ook in opdracht handelt van Red Bull, de hoofdsponsor van Verstappen, zodat het bureau niet als onafhankelijk deskundige kan worden beschouwd. Dat is de rechtbank met Picnic eens. Het rapport wordt buiten beschouwing gelaten en Verstappen moet bij akte onderbouwen welke schade hij heeft geleden. De rechtbank suggereert dat daarbij de volgende elementen een rol kunnen spelen:

  • welke vergoeding zou hij in redelijkheid zou hebben kunnen bedingen als hij zijn toestemming aan het gebruik van zijn portretrecht door Picnic zou hebben verleend.
  • Daarbij moet rekening worden gehouden met de wijze waarop de publicatie op internet heeft plaatsgevonden, de timing daarvan en de beperkte duur van de publicatie op internet door Picnic.
  • Ook moet rekening worden gehouden met het feit dat Verstappen geen enkele inspanning heeft verleend aan de totstandkoming van de commercial van Picnic.

Verstappen wint dus, maar moet nog onderbouwen welke schade hij heeft geleden.

Rechter: zeer beperkt ruimte voor censuur in Nederland #BOOS

Door Christien Wildeman

Tijdens de opnamen van een aflevering van #BOOS – waarin een student klaagde over haar huisbaas – ontstond een handgemeen waarbij presentator Tim Hofman een gebroken kaak opliep. De huisbaas wilde de uitzending tegenhouden en startte een kort geding. De rechter deed meteen na de zitting mondeling uitspraak. Inmiddels is er een schriftelijke uitwerking van het vonnis, waarin nog eens heel goed wordt uitgelegd waarom het zo moeilijk is om een publicatieverbod vooraf te krijgen.

Het gevorderde gebod en verbod komen in wezen neer op toepassing van preventieve censuur en staan daarmee op gespannen voet met artikel 10 EVRM en artikel 7, tweede lid, van de Grondwet. […] Uit [het Mosley-arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens kan] worden afgeleid dat het EHRM van belang acht dat toetsing van de eventuele onrechtmatigheid van een publicatie en/of uitzending, met het oog op het gewicht dat aan de in artikel 10 EVRM gewaarborgde vrijheden wordt toegekend, pas plaatsvindt nadat de betreffende publicatie en/of uitzending ter kennis van het publiek is gebracht. Artikel 10 EVRM staat weliswaar niet in de weg aan het opleggen van beperkingen voorafgaande aan een publicatie, maar de daaraan verbonden gevaren zijn zodanig dat deze vereisen dat de rechter daartoe pas overgaat na “the most careful scrutiny”.

In de Nederlandse jurisprudentie is invulling gegeven aan deze norm door te vereisen dat sprake is van uitzonderlijke omstandigheden, in die zin dat de uitzending in zodanige mate onrechtmatig is en zal leiden tot onherstelbare schade dat een uitzendingsverbod vooraf gerechtvaardigd is.

De huisbaas had gesteld dat er zonder zijn toestemming in zijn kantoor was gefilmd en dat dat al reden genoeg zou moeten zijn voor een uitzendverbod. Maar zo simpel ligt dat niet. De vraag of er mocht worden gefilmd is een andere dan de vraag of er mag worden uitgezonden, zo legt de rechter uit.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de onrechtmatigheid van de filmopname en de onrechtmatigheid van de uitzending daarvan. Eventuele onrechtmatigheid van de opname weegt weliswaar mee bij de beoordeling van de onrechtmatigheid van de uitzending, maar rechtvaardigt niet per definitie een uitzendverbod, laat staan een preventief uitzendverbod (zie Hof Amsterdam KRO en CCCP/MediaMarkt).”

Subsidiair – als de uitzending niet zou worden verboden – eiste de huisbaas dat hij en zijn medewerkers door stemvervorming en blurren onherkenbaar zouden worden gemaakt. BNNVARA had al toegezegd alle medewerkers behalve de huisbaas zelf te blurren. Herkenbaarheid van de huisbaas vindt de rechter geen probleem, omdat die zelf al een interview over het incident aan Quote had gegeven. Ook de eis de stemmen van de medewerkers en de huisbaas te vervormen wordt afgewezen.

Omdat de huisbaas en Tim Hofman twee totaal andere lezingen hadden van wat er was gebeurd, was iedereen razend nieuwsgierig naar de beelden. Dat weegt de rechter ook mee. Hij vindt dat openbaarmaking van de filmbeelden het belang dient dat het publiek zelf kan bepalen welke lezing – die van de huisbaas of die van BNNVARA – de juiste is.

Tot slot overweegt de rechter dat niet aannemelijk is geworden dat de huisbaas door de uitzending “onherstelbare schade” lijdt. Als de uitzending achteraf toch onrechtmatig blijkt te zijn, kan hij namelijk nog om verwijdering, rectificatie en/of schadevergoeding vragen. Daarom wijst hij het verbod af en mocht de uitzending doorgaan.

BNNVARA werd in deze zaak bijgestaan door Christien Wildeman en Emiel Jurjens

 

Karakter in computerspel maakt inbreuk op het portretrecht van Edgar Davids

Door Nanette Janssen

 

League of Legends (LoL) is een online computerspel waarbij spelers een virtueel karakter (Champion) besturen om de basis van het team van de tegenstanders te veroveren. Spelers kunnen gratis gebruik maken van een aantal Champions en nieuwe ‘skins’ kopen om zo het uiterlijk van hun Champion te veranderen. Eén van deze skins maakt naar het oordeel van de rechtbank Amsterdam inbreuk op het portretrecht van Edgar Davids.

In 2014 is door de ontwikkelaar van het spel een aantal aan voetbal gerelateerde skins geïntroduceerd, waaronder de ‘Striker-skin’ voor de Champion Lucian (Striker Lucian). Edgar Davids herkent zichzelf daarin en stelt dat de skin inbreuk maakt op zijn portret.

Allereerst moet de rechtbank bepalen of Striker Lucian kwalificeert als een portret. Daarbij oordeelt de rechtbank dat de onderliggende techniek geen invloed kan hebben op het antwoord van deze vraag. ‘Een foto, schilderij of een digitale weergave, ook als virtueel karakter in een computerspel, kan een portret zijn’.

De maker van het spel verweert zich door te stellen dat Striker Lucian geen portret is van Edgar Davids, maar van Champion Lucian. De rechtbank oordeelt hierover dat de combinatie van de kenmerken van Striker Lucian, de dreadlocks, de bril, zijn gespierde uiterlijk en het voetbaluniform, het geheel tot een portret van Edgar Davids maakt. De door de ontwikkelaar van het spel op twitter geplaatste uiting “For all of you wondering, Striker Lucian was inspirerd by soccer pro Edgar Davids” benadrukt dit ook. ‘Ook RGG heeft kennelijk de bedoeling gehad te suggereren dat Striker Lucian een afbeelding was van [eiser].

Dat LoL geen voetbalspel is en het uniform van Striker Lucian fictief is, maakt dit niet anders. De subtiele verschillen tussen de dreadlocks van Edgar Davids en Striker Lucian evenmin. De rechtbank oordeelt: ‘Een afbeelding is –per definitie– niet gelijk aan de persoon die afgebeeld is, omdat het een afbeelding is en niet de persoon zelf. Het gaat erom of de persoon te herkennen is in het portret.

Vervolgens oordeelt de rechtbank dat Edgar Davids een redelijk belang heeft zich te verzetten tegen het openbaar maken van Striker Lucian. De rechtbank overweegt dat een redelijk belang zowel kan zien op persoonlijke belangen, als op commerciële belangen. ‘Het meedelen in de voordelen van deze exploitatie is een redelijk belang in de zin van artikel 21 Aw.’ De ontwikkelaar van het spel beroept zich op het recht op vrijheid van meningsuiting en informatievrijheid. De rechtbank overweegt als volgt:

“De onder artikel 10 EVRM te beschermen uitingen waarop RG zicht beroept, zien grotendeels op het personage “Champion Lucian”. Welke specifieke belangen onder artikel 10 EVRM bescherming verdienen bij de commerciële exploitatie van de specifieke skin “Striker Lucian”, is door RG niet gemotiveerd onderbouwd. Het gebruik van het portret van [eiser] verschaft weinig informatie over [eiser] of een ander onderwerp aan het geïnteresseerde publiek, maar is een optionele verfraaiing van het spel, die door spelers ervan aangeschaft kan worden. De conclusie lijkt dan ook gerechtvaardigd dat het belang van RG voornamelijk een commercieel belang is.”

Het belang van Edgar Davids om zich te verzetten tegen het gebruik van zijn portret, zonder dat hij een vergoeding hiervoor krijgt, moet zwaarder wegen dan het belang van de ontwikkelaar van het spel om binnen LoL een extra skin voor een bestaande Champion te kunnen aanbieden.

De ontwikkelaar handelt onrechtmatig en wordt veroordeeld de openbaarmaking van het portret te staken en een schadevergoeding te betalen.

Geen voorafgaand verbod voor #BOOS van BNN-VARA

Door Christien Wildeman

Gisteren diende het kort geding over de uitzending van #BOOS die voor later in de middag gepland stond. Tijdens de opnamen ontstond een handgemeen waarbij presentator Tim Hofman een gebroken kaak opliep. De rechter deed onmiddellijk na de zitting mondeling uitspraak.

Uit het persrecht van de rechtbank Utrecht:.

In de aflevering gaat presentator Tim Hofman langs bij een huisbaas om klachten van huurders aan hem voor te leggen. Dit resulteerde in een handgemeen. 

De huisbaas spande een kort geding aan om een verbod op de uitzending af te dwingen. Hij wilde dit verbod omdat de uitzending inbreuk zou maken op zijn persoonlijke levenssfeer en die van zijn medewerkers.

Donderdag heeft de advocaat van BNN/VARA ter zitting over de inhoud van de uitzending verklaard. De programmakers willen het publiek met de beelden laten zien wat er tijdens het incident feitelijk gebeurd is. Verder heeft BNN/VARA toegezegd dat alle medewerkers die ook op het kantoor van de huisbaas aanwezig waren, onherkenbaar in beeld worden gebracht.

De rechter mag een uitzending alleen verbieden in zeer uitzonderlijke gevallen waarbij onherstelbare schade door publicatie zou ontstaan. Zo’n uitzonderlijk geval is in dit geval niet aan de orde. De rechter zal de uitzending daarom nu niet verbieden. Het incident is al bekend bij het publiek. Als de uitzending achteraf onrechtmatig blijkt te zijn, kunnen de gevolgen daarvan naar verwachting ongedaan worden gemaakt.

BNN-VARA werd in deze zaak bijgestaan door Christien Wildeman en Emiel Jurjens

 

AP positief over brede aanpak illegale downloaders door filmdistributeur

Door Joran Spauwen

Begin deze maand heeft de Autoriteit Persoonsgegevens een ontwerpbesluit ter inzage gegeven waaruit blijkt dat filmdistributeur Dutch Film Works toestemming heeft gevraagd voor het opsporen van illegale downloaders (via p2p). Dutch Film Works wil net als Brein handhavend optreden en up- en downloaders die bijvoorbeeld gebruik maken van The Pirate Bay en Popcorn Time achter de vodden zitten. Echter, in tegenstelling tot Brein wil Dutch Film Works alle up- en downloaders aanpakken, terwijl BREIN zich alleen richt op de eerste uploader en grootschalige verspreiders. De Autoriteit staat voorlopig positief tegenover het verzoek van Dutch Film Works zolang zij zich aan allerlei privacy-beschermende voorwaarden houdt.

Veel mensen zullen weten dat in andere landen, zoals bijvoorbeeld Duitsland, al geruime tijd illegale downloaders worden opgespoord. Als hun NAW-gegevens zijn achterhaald ontvangen zij vervolgens een schikkingsvoorstel (‘boetebrief’). In Nederland komt dit minder voor (met uitzondering van de grootschalige verspreiders die met Brein in aanraking komen en Airbnb’ers die na hun terugkomst uit Berlijn een rekening in de mailbox vinden). Hier zijn waarschijnlijk verschillende redenen voor. Belangrijk is echter vooral dat private handhaving tegen ‘consumenten’ in Nederland vaak met argusogen wordt bekeken en zelfs heeft geleid tot Kamervragen over het potentieel en masse aanschrijven van illegale downloaders. In ieder geval is bekend dat Brein mede in licht van deze kritiek ooit aan de regering heeft laten weten de kleine downloader met rust te laten en zich in plaats daarvan te richten op de eerste en grote verspreiders.

De Autoriteit Persoonsgegevens heeft de gerichte aanpak van Brein dan ook gesanctioneerd, mede in het licht van bepaalde toegesneden ‘prioriteringscriteria’. De Autoriteit schreef destijds (januari 2016):

De Autoriteit Persoonsgegevens stelt vast dat Stichting BREIN een nadere afbakening heeft aangebracht
voor wat betreft het vastleggen van IP-adressen door middel van selectiecriteria.
1. Alleen IP-adressen met een Nederlandse oorsprong komen in aanmerking voor het onderzoek.“Buitenlandse” IP-adressen worden, indien zij terechtkomen in het onderzoeksbestand, onmiddellijk verwijderd.
2. Stichting BREIN richt zich op IP-adressen die zich vroeg in de zwerm bevinden, dat wil zeggen: degene die het bestand als eerste aanbiedt (“eerste uploader”) of degene die kort (seconden) na de eerste publicatie van een torrent begint met downloaden;
3. Stichting BREIN richt zich op gebruikers die het bestand volledig in het bezit hebben en beschikbaar stellen (100% seeding).
4. IP adressen komen in aanmerking voor nader onderzoek als de betreffende gebruiker regelmatig voorkomt in meerdere zwermen als aanbieder van vermoedelijk inbreukmakend materiaal (“grote uploader”).
  [..]
De Autoriteit Persoonsgegevens merkt op dat een dergelijke afbakening, zowel qua type bestanden als qua doelgroep belangrijk is voor de proportionaliteit van deze werkwijze en dat het van belang is om gericht onderzoek te blijven doen, in plaats van het hele bittorrentverkeer te monitoren of anderszins betrekken bij het onderzoek.

Het is dan ook interessant dat de Autoriteit in het ontwerpbesluit ten aanzien van Dutch Film Works een breder handhavingsbeleid geoorloofd acht.

Overigens hanteert Dutch Film Works ook ‘prioriteringscriteria’, maar die beperken de handhaving slechts tot downloads van haar films in Nederland. Aangezien Dutch Film Works als Nederlandse filmdistributeur optreedt is niet helemaal duidelijk hoe zij breder zou kunnen optreden en deze criteria de handhaving zouden beperken of toespitsen.

Partijen kunnen nog tot volgende week hun zienswijze indienen, waarna de Autoriteit haar definitieve besluit zal nemen.

Uitzending β€œOp de Vlucht” over zedendelinquent niet onrechtmatig

Door Emiel Jurjens

Misdaadjournalist John van den Heuvel wijdt in 2014 een aflevering van zijn programma “Op de Vlucht” aan de veroordeelde zedendelinquent X. Deze aflevering zou in 2015 herhaald worden, wat X met een kort geding zonder succes probeerde te voorkomen. Daarna startte X een bodemprocedure bij de kantonrechter met als doel een verklaring voor recht van onrechtmatig handelen en een schadevergoeding van € 15.000,- te verkrijgen. De kantonrechter wijst alle vorderingen van X af.

X stelt dat de (herhaalde) uitzending een ‘onnodige aantasting van zijn eer en goede naam’ heeft opgeleverd, dat de uitzending geen maatschappelijk doel diende en dat noch hij, noch het slachtoffer, noch de moeder van het slachtoffer toestemming gegeven zou hebben voor de herhaling.

De kantonrechter stelt eerst vast dat X in de uitzending niet herkenbaar is: zijn gezicht en ‘herleidbare kenmerken als tatoeages en ringen’ zijn geblurd. Ook zijn achternaam wordt niet genoemd.

Dan komt de kantonrechter snel ter zake:

De kantonrechter is van oordeel dat het recht op vrijheid van meningsuiting van RTL c.s. in dit geval dient te prevaleren. De kantonrechter neemt daarbij in aanmerking dat X niet slechts een verdachte is, maar reeds tot in hoger beroep is veroordeeld wegens het plegen van een of meer ernstige zedendelicten. X mag dan ook verwachten en moet dulden dat daar in de media ten volle en herhaaldelijk aandacht wordt besteed. Daarbij komt dat X in het verleden ook zelf actief de media heeft benaderd.

De rechter weegt verder nog mee dat buiten discussie staat dat de uitzending steun in de feiten vindt.

De overweging over het blijvende publiek belang bij het besteden van aandacht aan veroordeelde misdadigers doet denken aan het oordeel van de voorzieningenrechter in een zaak waarin Volkert van der Graaf zonder succes probeerde een uitzending over hem te verbieden. Daar overwoog de rechter dat het Nederlandse volk blijvend belangstelling zal hebben voor Van der Graaf vanwege de moord op de politicus Pim Fortuyn.

In een andere zaak, waarin een veroordeelde moordenaar probeerde zoekresultaten over zijn daad uit Google te verwijderen, oordeelde de voorzieningenrechter daarover als volgt:

De veroordeling tot een ernstig misdrijf brengt negatieve publiciteit met zich; die publiciteit is in het algemeen blijvend relevant ten aanzien van de persoon van de veroordeelde. Het recht om als dader van een ernstig misdrijf juist te worden vergeten wordt echter zwaarwegender naarmate het gebeuren verder weg ligt in de tijd en die dader zijn ‘schuld’ aan de maatschappij in het algemeen en de nabestaanden in het bijzonder verder heeft afgelost.

Conflict tussen omroepen Almere: voorzieningenrechter wijst eis rectificatie af

Door Emiel Jurjens

Een conflict tussen twee media waarin van de ene kant rectificatie, en van de andere kant een uitingsverbod wordt geëist. Deze opmerkelijke zaak speelde zich recent af in Almere en ten overstaan van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad. De voorzieningenrechter wijst bij vonnis van 11 juli 2017 over en weer de vorderingen af.

In 2015 wordt eiseres, Media036, door de gemeente Almere aangewezen als lokale omroepdienst voor een periode van vijf jaar en ontvangt daarvoor subsidie. In 2016 is er negatieve media-aandacht over de bedrijfsvoering van Media036. Begin 2017 stopt Media036 met haar activiteiten.

Op 7 juni 2017 verschijnt er een groot artikel in het lokale nieuwsblad “Almere Deze Week” met als titel “Totaal mismanagement bij lokale omroep Media036”. Daarop spant Media036 een kort geding aan tegen Almere Deze Week, met als inzet rectificatie van dit artikel.

De voorzieningenrechter stelt eerst vast dat gebeurtenissen uit het verleden ook relevant kunnen zijn bij de belangenafweging, en dat de verstrekte subsidie aan Media036 rechtvaardigt dat zij extra kritisch gevolgd wordt:

Het ‘verleden’ is derhalve, anders dan Media036 c.s. heeft betoogd, wel degelijk relevant. Media036 zou, gefinancierd met onder andere publieke middelen, als lokale omroepdienst het media-aanbod voor de gemeente Almere verzorgen. Het is in dat geval niet vreemd dat het handelen van Media036, met name met betrekking tot de besteding van aan haar uitgekeerde publieke middelen, onder een vergrootglas wordt gelegd. (…) Het aan de kaak stellen van de wijze waarop publieke middelen wordt besteed en de wijze waarop die besteding wordt verantwoord, dient een algemeen belang.

Vervolgens overweegt de voorzieningenrechter dat een belangrijk deel van de kritiek in het artikel afkomstig is van een ex-presentator van Media036, en dat dit ook duidelijk in het artikel blijkt. Bovendien, zo oordeelt de rechter, is er voor het verhaal van de ex-presentator voldoende steun in het op dat moment beschikbare feitenmateriaal.

De voorzieningenrechter weegt verder de eigen gedragingen en uitingen van Media036 mee:

Verder speelt een rol dat Media036 c.s., om haar moverende redenen, de publiciteit ook zelf zocht: bij de presentatie van haar plannen en ambities in de strijd om de omroeplicentie, bij de presentatie van de niet onomstreden [C] als boegbeeld voor de omroep, maar ook met betrekking tot haar ontbinding en de redenen die aan dat besluit ten grondslag zouden liggen. Media036 c.s. kiest er ook bewust voor om publiekelijk, middels haar facebookpagina, in te gaan op het artikel van ADW.”

Media036 had ook nog geklaagd over het gebrek aan hoor- en wederhoor. Echter, de voorzieningenrechter overweegt dat de voorzitter van Media036 “[in] het verleden [had] aangegeven ADW niet te woord te willen staan“, waarmee het ontbreken van hoor- en wederhoor niet ten nadele van Almere Deze Week kan meewegen.

Tot slot is de aard van het medium ook een relevante factor bij de afweging (hoewel niet volledig complimenteus voor Almere Deze Week):

Tot slot speelt in de belangenafweging een rol dat het gewraakte artikel is verschenen in een gratis verspreid huis-aan-huisblad. Hoewel Media036 c.s. de Almere Deze Week aanwijst als een zeer gezaghebbend medium, valt hierop gelet op de aard van het medium waarin het artikel is verschenen wel het nodige af te dingen.”

Het artikel in Almere Deze Week wordt al met al rechtmatig geoordeeld, en de vorderingen van Media036 worden afgewezen.

Kennelijk had Almere Deze Week dan nog betoogd dat als haar artikel rechtmatig zou zijn, daaruit automatisch zou volgen dat de uitingen van Media036 onrechtmatig zouden zijn en dat er een uitingsverbod opgelegd zou kunnen worden. Daarover is de voorzieningenrechter kort:

Anders dan ADW lijkt te veronderstellen, vloeit uit de enkele omstandigheid dat in dit concrete geval het recht op vrije meningsuiting prevaleert en de vorderingen van Media036 c.s. worden afgewezen niet (automatisch) voort dat de uitlatingen van Media036 c.s. jegens ADW wèl onrechtmatig zijn. De vraag of de door ADW aangevallen uitlatingen Media036 c.s. onrechtmatig zijn jegens haar moet zelfstandig worden beoordeeld en beantwoord, aan de hand van het kader zoals hierboven geschetst. In dat licht bezien, heeft ADW haar vorderingen onvoldoende onderbouwd om tot toewijzing te kunnen komen.”

❌