[Contact]

Nieuwskop.nl Nieuwskoppen Nederland

πŸ”’
❌ Over FreshRSS
Er zijn nieuwe artikelen beschikbaar, klik om de pagina te vernieuwen.
OuderMedia Report

Op Facebook geplaatste foto mag niet worden gebruikt in reclamecampagne

Door Linda Couvreur

Foto’s die op Facebook zijn geplaatst mogen door anderen alleen worden gedeeld als dit delen gebeurt op het platform zelf. Het delen van op Facebook geplaatste foto’s buiten het platform om levert inbreuk op auteursrecht op, zo werd recent bevestigd door de Rechtbank Zeeland-West-Brabant.

Drankgigant had een foto van een rijdende PostNL-vrachtwagen op Facebook gevonden en deze foto gebruikt op de eigen website voor een reclamecampagne. De fotograaf stelt dat Drankgigant hiermee inbreuk heeft gemaakt op zijn auteursrecht en vordert een schadevergoeding van € 375,-, vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten van € 56,-.

Volgens Drankgigant mocht zij de foto openbaar te maken, omdat deze op Facebook stond. Drankgigant verwijst daarbij naar de voorwaarden van Facebook. Ook benadrukt Drankgigant niet doelbewust foto’s van anderen op de website te gebruiken en dat de foto bovendien direct verwijderd is van de website nadat de fotograaf hen hierop had aangesproken.

Volgens de rechter houden de voorwaarden van Facebook in dat op Facebook geplaatst foto’s door derden alleen mogen worden gedeeld op Facebook en dus niet daarbuiten. Alleen Facebook is gerechtigd om foto’s ook buiten het platform te delen. De omstandigheid dat een foto is geplaatst op Facebook geeft derden dus geen vrijbrief de foto te gebruiken voor een reclamecampagne. Met het plaatsen van de foto op de website heeft Drankgigant dus inbreuk gemaakt op het auteursrecht van de fotograaf. Het ontbreken van kwade opzet en het gegeven dat Drankgigant de foto direct verwijderd heeft toen de fotograaf hierom vroeg, doet hieraan niet af. De gevorderde schadevergoeding wordt toegewezen.

Picnic-commercial met lookalike Max Verstappen schendt portretrecht

Door avandermaat

Na een eerdere uitspraak over oud-voetballer Edgar Davids, heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een portretrechtzaak van een andere bekende Nederlandse sporter, Formule 1 coureur Max Verstappen.

Als je op tijd bent, hoef je niet te racen – luidt de nieuwe commercial van online supermarkt Picnic. De commercial toont een lookalike van Max Verstappen, waarbij de coureur in een bezorgbus een pitstop maakt langs het distributiecentrum van Picnic, om vervolgens de boodschappen bij klanten aan huis te bezorgen. Picnic speelt daarmee in op de reclamecampagne van supermarkt Jumbo met Max Verstappen.

De vertegenwoordiging van Max Verstappen stelt dat Picnic met deze commercial onrechtmatig aanhaakt bij de ongekende populariteit van de coureur en inbreuk maakt op het portretrecht van Max Verstappen.

De rechtbank bevestigt allereerst dat de in de commercial van Picnic gebruikte lookalike kwalificeert als een portret van Max Verstappen, nu de lookalike “alle karakteristieke kenmerken van het portret van Max Verstappen – waaronder dezelfde pet, raceoutfit, haarkleur, hetzelfde silhouet en postuur” vertoont. Volgens de rechtbank wordt daarmee bij het publiek het beeld van Max Verstappen opgeroepen.

De rechtbank wijst op het commercieel portretrecht en overweegt dat het het Max Verstappen vrij staat “zelf te bepalen of en zo ja tegen welke vergoeding hij zijn populariteit wenst in te zetten ter ondersteuning van commerciële activiteiten. [..] Juist bij personen die door hun beroepsuitoefening bekendheid genieten, kunnen commerciële belangen gemoeid zijn bij de openbaarmaking van hun portret.” Ook een dergelijk commercieel belang vindt bescherming onder artikel 8 EVRM en weegt in het huidige geval zwaarder dan het in artikel 10 EVRM door Picnic ingeroepen recht op vrijheid van meningsuiting om zich op humoristische wijze te uiten. Doorslaggevend is het feit dat de commercial van Picnic een reclame-uiting is, een eigen commercieel belang kent en via social media is verspreid zonder dat hiervoor een vergoeding aan Max Verstappen is aangeboden.

Picnic heeft inbreuk gemaakt op het portretrecht van Verstappen en moet zijn schade vergoeden. Verstappen brengt een rapport in van een sportmarketingbureau, dat zegt dat Verstappen voor het gebruik van zijn portret in een commercial zoals die van Picnic EUR 350.000 had kunnen vragen. Picnic wijst erop dat dit bureau ook in opdracht handelt van Red Bull, de hoofdsponsor van Verstappen, zodat het bureau niet als onafhankelijk deskundige kan worden beschouwd. Dat is de rechtbank met Picnic eens. Het rapport wordt buiten beschouwing gelaten en Verstappen moet bij akte onderbouwen welke schade hij heeft geleden. De rechtbank suggereert dat daarbij de volgende elementen een rol kunnen spelen:

  • welke vergoeding zou hij in redelijkheid zou hebben kunnen bedingen als hij zijn toestemming aan het gebruik van zijn portretrecht door Picnic zou hebben verleend.
  • Daarbij moet rekening worden gehouden met de wijze waarop de publicatie op internet heeft plaatsgevonden, de timing daarvan en de beperkte duur van de publicatie op internet door Picnic.
  • Ook moet rekening worden gehouden met het feit dat Verstappen geen enkele inspanning heeft verleend aan de totstandkoming van de commercial van Picnic.

Verstappen wint dus, maar moet nog onderbouwen welke schade hij heeft geleden.

Rechter: zeer beperkt ruimte voor censuur in Nederland #BOOS

Door Christien Wildeman

Tijdens de opnamen van een aflevering van #BOOS – waarin een student klaagde over haar huisbaas – ontstond een handgemeen waarbij presentator Tim Hofman een gebroken kaak opliep. De huisbaas wilde de uitzending tegenhouden en startte een kort geding. De rechter deed meteen na de zitting mondeling uitspraak. Inmiddels is er een schriftelijke uitwerking van het vonnis, waarin nog eens heel goed wordt uitgelegd waarom het zo moeilijk is om een publicatieverbod vooraf te krijgen.

Het gevorderde gebod en verbod komen in wezen neer op toepassing van preventieve censuur en staan daarmee op gespannen voet met artikel 10 EVRM en artikel 7, tweede lid, van de Grondwet. […] Uit [het Mosley-arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens kan] worden afgeleid dat het EHRM van belang acht dat toetsing van de eventuele onrechtmatigheid van een publicatie en/of uitzending, met het oog op het gewicht dat aan de in artikel 10 EVRM gewaarborgde vrijheden wordt toegekend, pas plaatsvindt nadat de betreffende publicatie en/of uitzending ter kennis van het publiek is gebracht. Artikel 10 EVRM staat weliswaar niet in de weg aan het opleggen van beperkingen voorafgaande aan een publicatie, maar de daaraan verbonden gevaren zijn zodanig dat deze vereisen dat de rechter daartoe pas overgaat na “the most careful scrutiny”.

In de Nederlandse jurisprudentie is invulling gegeven aan deze norm door te vereisen dat sprake is van uitzonderlijke omstandigheden, in die zin dat de uitzending in zodanige mate onrechtmatig is en zal leiden tot onherstelbare schade dat een uitzendingsverbod vooraf gerechtvaardigd is.

De huisbaas had gesteld dat er zonder zijn toestemming in zijn kantoor was gefilmd en dat dat al reden genoeg zou moeten zijn voor een uitzendverbod. Maar zo simpel ligt dat niet. De vraag of er mocht worden gefilmd is een andere dan de vraag of er mag worden uitgezonden, zo legt de rechter uit.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de onrechtmatigheid van de filmopname en de onrechtmatigheid van de uitzending daarvan. Eventuele onrechtmatigheid van de opname weegt weliswaar mee bij de beoordeling van de onrechtmatigheid van de uitzending, maar rechtvaardigt niet per definitie een uitzendverbod, laat staan een preventief uitzendverbod (zie Hof Amsterdam KRO en CCCP/MediaMarkt).”

Subsidiair – als de uitzending niet zou worden verboden – eiste de huisbaas dat hij en zijn medewerkers door stemvervorming en blurren onherkenbaar zouden worden gemaakt. BNNVARA had al toegezegd alle medewerkers behalve de huisbaas zelf te blurren. Herkenbaarheid van de huisbaas vindt de rechter geen probleem, omdat die zelf al een interview over het incident aan Quote had gegeven. Ook de eis de stemmen van de medewerkers en de huisbaas te vervormen wordt afgewezen.

Omdat de huisbaas en Tim Hofman twee totaal andere lezingen hadden van wat er was gebeurd, was iedereen razend nieuwsgierig naar de beelden. Dat weegt de rechter ook mee. Hij vindt dat openbaarmaking van de filmbeelden het belang dient dat het publiek zelf kan bepalen welke lezing – die van de huisbaas of die van BNNVARA – de juiste is.

Tot slot overweegt de rechter dat niet aannemelijk is geworden dat de huisbaas door de uitzending “onherstelbare schade” lijdt. Als de uitzending achteraf toch onrechtmatig blijkt te zijn, kan hij namelijk nog om verwijdering, rectificatie en/of schadevergoeding vragen. Daarom wijst hij het verbod af en mocht de uitzending doorgaan.

BNNVARA werd in deze zaak bijgestaan door Christien Wildeman en Emiel Jurjens

 

Karakter in computerspel maakt inbreuk op het portretrecht van Edgar Davids

Door Nanette Janssen

 

League of Legends (LoL) is een online computerspel waarbij spelers een virtueel karakter (Champion) besturen om de basis van het team van de tegenstanders te veroveren. Spelers kunnen gratis gebruik maken van een aantal Champions en nieuwe ‘skins’ kopen om zo het uiterlijk van hun Champion te veranderen. Eén van deze skins maakt naar het oordeel van de rechtbank Amsterdam inbreuk op het portretrecht van Edgar Davids.

In 2014 is door de ontwikkelaar van het spel een aantal aan voetbal gerelateerde skins geïntroduceerd, waaronder de ‘Striker-skin’ voor de Champion Lucian (Striker Lucian). Edgar Davids herkent zichzelf daarin en stelt dat de skin inbreuk maakt op zijn portret.

Allereerst moet de rechtbank bepalen of Striker Lucian kwalificeert als een portret. Daarbij oordeelt de rechtbank dat de onderliggende techniek geen invloed kan hebben op het antwoord van deze vraag. ‘Een foto, schilderij of een digitale weergave, ook als virtueel karakter in een computerspel, kan een portret zijn’.

De maker van het spel verweert zich door te stellen dat Striker Lucian geen portret is van Edgar Davids, maar van Champion Lucian. De rechtbank oordeelt hierover dat de combinatie van de kenmerken van Striker Lucian, de dreadlocks, de bril, zijn gespierde uiterlijk en het voetbaluniform, het geheel tot een portret van Edgar Davids maakt. De door de ontwikkelaar van het spel op twitter geplaatste uiting “For all of you wondering, Striker Lucian was inspirerd by soccer pro Edgar Davids” benadrukt dit ook. ‘Ook RGG heeft kennelijk de bedoeling gehad te suggereren dat Striker Lucian een afbeelding was van [eiser].

Dat LoL geen voetbalspel is en het uniform van Striker Lucian fictief is, maakt dit niet anders. De subtiele verschillen tussen de dreadlocks van Edgar Davids en Striker Lucian evenmin. De rechtbank oordeelt: ‘Een afbeelding is –per definitie– niet gelijk aan de persoon die afgebeeld is, omdat het een afbeelding is en niet de persoon zelf. Het gaat erom of de persoon te herkennen is in het portret.

Vervolgens oordeelt de rechtbank dat Edgar Davids een redelijk belang heeft zich te verzetten tegen het openbaar maken van Striker Lucian. De rechtbank overweegt dat een redelijk belang zowel kan zien op persoonlijke belangen, als op commerciële belangen. ‘Het meedelen in de voordelen van deze exploitatie is een redelijk belang in de zin van artikel 21 Aw.’ De ontwikkelaar van het spel beroept zich op het recht op vrijheid van meningsuiting en informatievrijheid. De rechtbank overweegt als volgt:

“De onder artikel 10 EVRM te beschermen uitingen waarop RG zicht beroept, zien grotendeels op het personage “Champion Lucian”. Welke specifieke belangen onder artikel 10 EVRM bescherming verdienen bij de commerciële exploitatie van de specifieke skin “Striker Lucian”, is door RG niet gemotiveerd onderbouwd. Het gebruik van het portret van [eiser] verschaft weinig informatie over [eiser] of een ander onderwerp aan het geïnteresseerde publiek, maar is een optionele verfraaiing van het spel, die door spelers ervan aangeschaft kan worden. De conclusie lijkt dan ook gerechtvaardigd dat het belang van RG voornamelijk een commercieel belang is.”

Het belang van Edgar Davids om zich te verzetten tegen het gebruik van zijn portret, zonder dat hij een vergoeding hiervoor krijgt, moet zwaarder wegen dan het belang van de ontwikkelaar van het spel om binnen LoL een extra skin voor een bestaande Champion te kunnen aanbieden.

De ontwikkelaar handelt onrechtmatig en wordt veroordeeld de openbaarmaking van het portret te staken en een schadevergoeding te betalen.

Geen voorafgaand verbod voor #BOOS van BNN-VARA

Door Christien Wildeman

Gisteren diende het kort geding over de uitzending van #BOOS die voor later in de middag gepland stond. Tijdens de opnamen ontstond een handgemeen waarbij presentator Tim Hofman een gebroken kaak opliep. De rechter deed onmiddellijk na de zitting mondeling uitspraak.

Uit het persrecht van de rechtbank Utrecht:.

In de aflevering gaat presentator Tim Hofman langs bij een huisbaas om klachten van huurders aan hem voor te leggen. Dit resulteerde in een handgemeen. 

De huisbaas spande een kort geding aan om een verbod op de uitzending af te dwingen. Hij wilde dit verbod omdat de uitzending inbreuk zou maken op zijn persoonlijke levenssfeer en die van zijn medewerkers.

Donderdag heeft de advocaat van BNN/VARA ter zitting over de inhoud van de uitzending verklaard. De programmakers willen het publiek met de beelden laten zien wat er tijdens het incident feitelijk gebeurd is. Verder heeft BNN/VARA toegezegd dat alle medewerkers die ook op het kantoor van de huisbaas aanwezig waren, onherkenbaar in beeld worden gebracht.

De rechter mag een uitzending alleen verbieden in zeer uitzonderlijke gevallen waarbij onherstelbare schade door publicatie zou ontstaan. Zo’n uitzonderlijk geval is in dit geval niet aan de orde. De rechter zal de uitzending daarom nu niet verbieden. Het incident is al bekend bij het publiek. Als de uitzending achteraf onrechtmatig blijkt te zijn, kunnen de gevolgen daarvan naar verwachting ongedaan worden gemaakt.

BNN-VARA werd in deze zaak bijgestaan door Christien Wildeman en Emiel Jurjens

 

AP positief over brede aanpak illegale downloaders door filmdistributeur

Door Joran Spauwen

Begin deze maand heeft de Autoriteit Persoonsgegevens een ontwerpbesluit ter inzage gegeven waaruit blijkt dat filmdistributeur Dutch Film Works toestemming heeft gevraagd voor het opsporen van illegale downloaders (via p2p). Dutch Film Works wil net als Brein handhavend optreden en up- en downloaders die bijvoorbeeld gebruik maken van The Pirate Bay en Popcorn Time achter de vodden zitten. Echter, in tegenstelling tot Brein wil Dutch Film Works alle up- en downloaders aanpakken, terwijl BREIN zich alleen richt op de eerste uploader en grootschalige verspreiders. De Autoriteit staat voorlopig positief tegenover het verzoek van Dutch Film Works zolang zij zich aan allerlei privacy-beschermende voorwaarden houdt.

Veel mensen zullen weten dat in andere landen, zoals bijvoorbeeld Duitsland, al geruime tijd illegale downloaders worden opgespoord. Als hun NAW-gegevens zijn achterhaald ontvangen zij vervolgens een schikkingsvoorstel (‘boetebrief’). In Nederland komt dit minder voor (met uitzondering van de grootschalige verspreiders die met Brein in aanraking komen en Airbnb’ers die na hun terugkomst uit Berlijn een rekening in de mailbox vinden). Hier zijn waarschijnlijk verschillende redenen voor. Belangrijk is echter vooral dat private handhaving tegen ‘consumenten’ in Nederland vaak met argusogen wordt bekeken en zelfs heeft geleid tot Kamervragen over het potentieel en masse aanschrijven van illegale downloaders. In ieder geval is bekend dat Brein mede in licht van deze kritiek ooit aan de regering heeft laten weten de kleine downloader met rust te laten en zich in plaats daarvan te richten op de eerste en grote verspreiders.

De Autoriteit Persoonsgegevens heeft de gerichte aanpak van Brein dan ook gesanctioneerd, mede in het licht van bepaalde toegesneden ‘prioriteringscriteria’. De Autoriteit schreef destijds (januari 2016):

De Autoriteit Persoonsgegevens stelt vast dat Stichting BREIN een nadere afbakening heeft aangebracht
voor wat betreft het vastleggen van IP-adressen door middel van selectiecriteria.
1. Alleen IP-adressen met een Nederlandse oorsprong komen in aanmerking voor het onderzoek.“Buitenlandse” IP-adressen worden, indien zij terechtkomen in het onderzoeksbestand, onmiddellijk verwijderd.
2. Stichting BREIN richt zich op IP-adressen die zich vroeg in de zwerm bevinden, dat wil zeggen: degene die het bestand als eerste aanbiedt (“eerste uploader”) of degene die kort (seconden) na de eerste publicatie van een torrent begint met downloaden;
3. Stichting BREIN richt zich op gebruikers die het bestand volledig in het bezit hebben en beschikbaar stellen (100% seeding).
4. IP adressen komen in aanmerking voor nader onderzoek als de betreffende gebruiker regelmatig voorkomt in meerdere zwermen als aanbieder van vermoedelijk inbreukmakend materiaal (“grote uploader”).
  [..]
De Autoriteit Persoonsgegevens merkt op dat een dergelijke afbakening, zowel qua type bestanden als qua doelgroep belangrijk is voor de proportionaliteit van deze werkwijze en dat het van belang is om gericht onderzoek te blijven doen, in plaats van het hele bittorrentverkeer te monitoren of anderszins betrekken bij het onderzoek.

Het is dan ook interessant dat de Autoriteit in het ontwerpbesluit ten aanzien van Dutch Film Works een breder handhavingsbeleid geoorloofd acht.

Overigens hanteert Dutch Film Works ook ‘prioriteringscriteria’, maar die beperken de handhaving slechts tot downloads van haar films in Nederland. Aangezien Dutch Film Works als Nederlandse filmdistributeur optreedt is niet helemaal duidelijk hoe zij breder zou kunnen optreden en deze criteria de handhaving zouden beperken of toespitsen.

Partijen kunnen nog tot volgende week hun zienswijze indienen, waarna de Autoriteit haar definitieve besluit zal nemen.

Uitzending β€œOp de Vlucht” over zedendelinquent niet onrechtmatig

Door Emiel Jurjens

Misdaadjournalist John van den Heuvel wijdt in 2014 een aflevering van zijn programma “Op de Vlucht” aan de veroordeelde zedendelinquent X. Deze aflevering zou in 2015 herhaald worden, wat X met een kort geding zonder succes probeerde te voorkomen. Daarna startte X een bodemprocedure bij de kantonrechter met als doel een verklaring voor recht van onrechtmatig handelen en een schadevergoeding van € 15.000,- te verkrijgen. De kantonrechter wijst alle vorderingen van X af.

X stelt dat de (herhaalde) uitzending een ‘onnodige aantasting van zijn eer en goede naam’ heeft opgeleverd, dat de uitzending geen maatschappelijk doel diende en dat noch hij, noch het slachtoffer, noch de moeder van het slachtoffer toestemming gegeven zou hebben voor de herhaling.

De kantonrechter stelt eerst vast dat X in de uitzending niet herkenbaar is: zijn gezicht en ‘herleidbare kenmerken als tatoeages en ringen’ zijn geblurd. Ook zijn achternaam wordt niet genoemd.

Dan komt de kantonrechter snel ter zake:

De kantonrechter is van oordeel dat het recht op vrijheid van meningsuiting van RTL c.s. in dit geval dient te prevaleren. De kantonrechter neemt daarbij in aanmerking dat X niet slechts een verdachte is, maar reeds tot in hoger beroep is veroordeeld wegens het plegen van een of meer ernstige zedendelicten. X mag dan ook verwachten en moet dulden dat daar in de media ten volle en herhaaldelijk aandacht wordt besteed. Daarbij komt dat X in het verleden ook zelf actief de media heeft benaderd.

De rechter weegt verder nog mee dat buiten discussie staat dat de uitzending steun in de feiten vindt.

De overweging over het blijvende publiek belang bij het besteden van aandacht aan veroordeelde misdadigers doet denken aan het oordeel van de voorzieningenrechter in een zaak waarin Volkert van der Graaf zonder succes probeerde een uitzending over hem te verbieden. Daar overwoog de rechter dat het Nederlandse volk blijvend belangstelling zal hebben voor Van der Graaf vanwege de moord op de politicus Pim Fortuyn.

In een andere zaak, waarin een veroordeelde moordenaar probeerde zoekresultaten over zijn daad uit Google te verwijderen, oordeelde de voorzieningenrechter daarover als volgt:

De veroordeling tot een ernstig misdrijf brengt negatieve publiciteit met zich; die publiciteit is in het algemeen blijvend relevant ten aanzien van de persoon van de veroordeelde. Het recht om als dader van een ernstig misdrijf juist te worden vergeten wordt echter zwaarwegender naarmate het gebeuren verder weg ligt in de tijd en die dader zijn ‘schuld’ aan de maatschappij in het algemeen en de nabestaanden in het bijzonder verder heeft afgelost.

Conflict tussen omroepen Almere: voorzieningenrechter wijst eis rectificatie af

Door Emiel Jurjens

Een conflict tussen twee media waarin van de ene kant rectificatie, en van de andere kant een uitingsverbod wordt geëist. Deze opmerkelijke zaak speelde zich recent af in Almere en ten overstaan van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad. De voorzieningenrechter wijst bij vonnis van 11 juli 2017 over en weer de vorderingen af.

In 2015 wordt eiseres, Media036, door de gemeente Almere aangewezen als lokale omroepdienst voor een periode van vijf jaar en ontvangt daarvoor subsidie. In 2016 is er negatieve media-aandacht over de bedrijfsvoering van Media036. Begin 2017 stopt Media036 met haar activiteiten.

Op 7 juni 2017 verschijnt er een groot artikel in het lokale nieuwsblad “Almere Deze Week” met als titel “Totaal mismanagement bij lokale omroep Media036”. Daarop spant Media036 een kort geding aan tegen Almere Deze Week, met als inzet rectificatie van dit artikel.

De voorzieningenrechter stelt eerst vast dat gebeurtenissen uit het verleden ook relevant kunnen zijn bij de belangenafweging, en dat de verstrekte subsidie aan Media036 rechtvaardigt dat zij extra kritisch gevolgd wordt:

Het ‘verleden’ is derhalve, anders dan Media036 c.s. heeft betoogd, wel degelijk relevant. Media036 zou, gefinancierd met onder andere publieke middelen, als lokale omroepdienst het media-aanbod voor de gemeente Almere verzorgen. Het is in dat geval niet vreemd dat het handelen van Media036, met name met betrekking tot de besteding van aan haar uitgekeerde publieke middelen, onder een vergrootglas wordt gelegd. (…) Het aan de kaak stellen van de wijze waarop publieke middelen wordt besteed en de wijze waarop die besteding wordt verantwoord, dient een algemeen belang.

Vervolgens overweegt de voorzieningenrechter dat een belangrijk deel van de kritiek in het artikel afkomstig is van een ex-presentator van Media036, en dat dit ook duidelijk in het artikel blijkt. Bovendien, zo oordeelt de rechter, is er voor het verhaal van de ex-presentator voldoende steun in het op dat moment beschikbare feitenmateriaal.

De voorzieningenrechter weegt verder de eigen gedragingen en uitingen van Media036 mee:

Verder speelt een rol dat Media036 c.s., om haar moverende redenen, de publiciteit ook zelf zocht: bij de presentatie van haar plannen en ambities in de strijd om de omroeplicentie, bij de presentatie van de niet onomstreden [C] als boegbeeld voor de omroep, maar ook met betrekking tot haar ontbinding en de redenen die aan dat besluit ten grondslag zouden liggen. Media036 c.s. kiest er ook bewust voor om publiekelijk, middels haar facebookpagina, in te gaan op het artikel van ADW.”

Media036 had ook nog geklaagd over het gebrek aan hoor- en wederhoor. Echter, de voorzieningenrechter overweegt dat de voorzitter van Media036 “[in] het verleden [had] aangegeven ADW niet te woord te willen staan“, waarmee het ontbreken van hoor- en wederhoor niet ten nadele van Almere Deze Week kan meewegen.

Tot slot is de aard van het medium ook een relevante factor bij de afweging (hoewel niet volledig complimenteus voor Almere Deze Week):

Tot slot speelt in de belangenafweging een rol dat het gewraakte artikel is verschenen in een gratis verspreid huis-aan-huisblad. Hoewel Media036 c.s. de Almere Deze Week aanwijst als een zeer gezaghebbend medium, valt hierop gelet op de aard van het medium waarin het artikel is verschenen wel het nodige af te dingen.”

Het artikel in Almere Deze Week wordt al met al rechtmatig geoordeeld, en de vorderingen van Media036 worden afgewezen.

Kennelijk had Almere Deze Week dan nog betoogd dat als haar artikel rechtmatig zou zijn, daaruit automatisch zou volgen dat de uitingen van Media036 onrechtmatig zouden zijn en dat er een uitingsverbod opgelegd zou kunnen worden. Daarover is de voorzieningenrechter kort:

Anders dan ADW lijkt te veronderstellen, vloeit uit de enkele omstandigheid dat in dit concrete geval het recht op vrije meningsuiting prevaleert en de vorderingen van Media036 c.s. worden afgewezen niet (automatisch) voort dat de uitlatingen van Media036 c.s. jegens ADW wèl onrechtmatig zijn. De vraag of de door ADW aangevallen uitlatingen Media036 c.s. onrechtmatig zijn jegens haar moet zelfstandig worden beoordeeld en beantwoord, aan de hand van het kader zoals hierboven geschetst. In dat licht bezien, heeft ADW haar vorderingen onvoldoende onderbouwd om tot toewijzing te kunnen komen.”

Uitingen CEO online videobedrijf in artikel Quote niet onrechtmatig

Door Emiel Jurjens

Een samenwerkingsverband tussen twee online video content bedrijven, Music Nations Network en Zoomin.tv, loopt spaak. Zoomin.tv verliest vervolgens een door Music Nations aangespannen kort geding, waarop de CEO van Zoomin.tv tegenover Quote zegt: “Ik hanteer een absoluut zero tolerancebeleid ten aanzien van mensen die ons willen belazeren, chanteren of bestelen. En dat is wat er hier aan de hand is.” Er volgt een kort geding tegen Zoomin.tv over deze uiting, met als inzet een rectificatie en verbod op toekomstige uitingen. De voorzieningenrechter wijst de eisen van Music Nations af.

Van belang daarbij acht de voorzieningenrechter dat de CEO “ter zitting [heeft] verklaard dat hij bewust een algemene reactie heeft willen geven” en dat volgens de CEO hij het zinnetje “En dat is wat er hier aan de hand is” niet heeft gezegd. Daardoor oordeelt de voorzieningenrechter:

Aangezien dit kort geding zich niet leent voor nader onderzoek naar de feiten blijft dit laatste [dus: of de CEO het tweede zinnetje heeft gezegd - redactie] in het ongewisse. Dat betekent dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor de conclusie dat [gedaagde sub 2] zich onrechtmatig heeft uitgelaten en daarmee voor een rectificatie. Zoom.in c.s. kunnen immers niet aansprakelijk worden gesteld voor uitlatingen die zij mogelijk niet, of niet zo, hebben gedaan.

De voorzieningenrechter neemt verder mee dat er een ‘fel debat’ is tussen partijen in de media, waardoor een maatregel die de uitingsvrijheid beperkt ‘vooralsnog niet op zijn plaats’ is:

Zoom.in c.s. heeft in dit verband verwezen naar een eerder artikel op quotenet.nl met de kop “Britse tiener beschuldigt bedrijf van Quote-500-lid [gedaagde sub 2] van diefstal”. Daarin wordt de advocaat van MN over de actie van Zoom.in aangehaald met de zinsnede: “Zie het als een soort vijandelijke overname, maar dan zonder te betalen.”; waarop [gedaagde sub 2] reageert met de woorden: “(…) wat mij betreft valt deze zaak in de categorie van een voorbijganger die iemand van de verdrinkingsdood redt, om vervolgens een rechtszaak te krijgen voor aanranding wegens de mond op mondbeademing.” Ook vanwege deze context is het beperken van de uitingsvrijheid van een der partijen vooralsnog niet op zijn plaats.

De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af en geeft partijen tot slot nog een tip voor de toekomst: “de verdere samenwerking tussen partijen [zou] erbij gebaat kunnen zijn als de betrokkenen meer het compromis zouden zoeken.

Quote heeft het vonnis ook gelezen en reageert als volgt:

Dat wekt niet alleen onze verbazing, maar ook onze irritatie. We houden er namelijk niet van als we de indruk krijgen dat mensen in de rechtbank beweren dat we verzonnen citaten publiceren. Het wringt des te meer omdat [CEO van Zoomin] Riemens het bewuste artikel voor publicatie heeft gelezen. Hij stelde per mail een paar kleine wijzigingen voor (die ook zijn doorgevoerd), maar dit citaat liet hij ongemoeid en onbesproken.”

Het laatste woord is nog niet gezegd over de vraag of de gewraakte woorden al dan niet zijn gezegd: volgens Quote zal hoger beroep tegen dit vonnis worden aangetekend.

 

Rechtbank: onderzoeksbureau heeft niet onrechtmatig gehandeld jegens oud-burgemeester Schiedam

Door Emiel Jurjens

In 2011 vraagt de gemeenteraad van de gemeente Schiedam onderzoek te doen naar de integriteit van haar burgemeester Wilma Verver. Onderzoeksbureau BING voert dit onderzoek uit en brengt een zeer kritisch rapport uit. Daarop volgt een kluwen van procedures tussen de (inmiddels ex-)burgemeester en BING, waarvan de laatste aflevering een uitspraak in een bodemprocedure van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht is. Verver vroeg in deze procedure schadevergoeding, verwijdering van uitingen van BING van het internet en een rectificatie. De rechtbank wijst al haar vorderingen af.

De rechtbank gaat in de uitspraak in detail in op de beschuldigingen in het rapport aan het adres van Verver. Verver had gesteld dat deze beschuldigingen verschillende onjuistheden bevatten. De rechtbank oordeelt dat BING op twee punten onzorgvuldig heeft gehandeld jegens Verver, maar dat het rapport voor het overige stand houdt“. De twee onzorgvuldigheden zijn niet voldoende om te leiden tot aansprakelijkheid, zoals de rechtbank uiteenzet bij het toetsingskader:

BING [diende] tegenover [eiseres] eveneens een bepaalde, bij een dergelijk onderzoek passende, mate van zorgvuldigheid in acht te nemen. Daarmee is echter nog niet gezegd dat iedere onzorgvuldigheid of iedere onjuiste conclusie in het rapport reeds op zichzelf leidt tot aansprakelijkheid van BING. Er moet sprake zijn een zodanig gebrek, dat dit van invloed is geweest op de door [eiseres] gestelde schade.

De rechtbank is er niet van overtuigd dat de twee onzorgvuldigheden van invloed zijn geweest op de gestelde schade van Verver. Daarbij weegt de rechtbank mee dat er andere factoren meespeelden die ook impact (zouden kunnen hebben) gehad op de eer en goede naam van Verver:

Aanleiding voor het onderzoek en het rapport van BING was de verdenking van tekortkomingen in het professioneel handelen van [eiseres] , waarvoor ook al maatschappelijke en media-aandacht was ontstaan. Ook staat vast dat [eiseres] haar functie van burgemeester uit eigen beweging heeft neergelegd nog voordat het rapport van BING beschikbaar kwam. Het enkele feit dat het rapport niet op alle onderdelen kan worden gevolgd, maakt dan nog niet dat als gevolg daarvan sprake is van een verdere aantasting in de eer en goede naam van [eiseres] . [eiseres] had daarvoor meer moeten aanvoeren dan zij heeft gedaan.

Verver had verder aangevoerd dat er onvoldoende gelegenheid voor wederhoor was geboden door BING. De rechtbank gaat hier ook aan voorbij en oordeelt dat ongeacht of BING onzorgvuldig zou hebben gehandeld in dit verband, Verver niet duidelijk heeft gemaakt wat haar wederhoor zou hebben toegevoegd:

[eiseres] heeft nagelaten te onderbouwen wat zij meer of anders zou hebben verklaard, zodanig dat de conclusies in het rapport niet zouden zijn getrokken. Daarmee heeft [eiseres] niet aannemelijk gemaakt dat op dit onderdeel de conclusies van het rapport ten onrechte zijn getrokken. Dit geldt ook ten aanzien van de stelling van [eiseres] dat de conclusies in het rapport onbetrouwbaar zijn als gevolg van het feit dat het haar heeft ontbroken aan de mogelijkheid voorafgaand aan de publicatie kennis te nemen van hoofdstuk 8.

Verver had tot slot nog eisen ingesteld tegen een bericht over de zaak op de website van BING. Ook deze treffen echter geen doel. De rechtbank oordeelt daarover kort:

De rechtbank overweegt dat hiervoor is geoordeeld dat BING op bepaalde punten niet zorgvuldig is geweest. Het enkele feit dat een partij in publieke uitingen als de eigen mening verkondigt dat zij zorgvuldig heeft gehandeld, terwijl de rechter die daarover moet oordelen daar later anders over blijkt te oordelen, maakt de publicatie nog niet onrechtmatig. Dit onderdeel van de vordering moet bij gebreke van een deugdelijke grondslag dan ook worden afgewezen.

Vorderingen Noorse broeders tegen NRC afgewezen

Door Nanette Janssen

Op 11 mei 2017 publiceert NRC Handelsblad een artikel waarin staat dat de Rabobank haar relatie met de Noorse broeders wil verbreken, een christelijke geloofsgemeenschap. In Nederland heten de Noorse broeders officieel de Christelijke Gemeente Nederland (CGN).

De titel van het artikel luidt: ‘Rabo stopt met Noorse broeders’. Het artikel vermeldt dat het besluit van de bank volgt op eerdere berichtgeving in NRC, waarin wordt gesproken over belastingontwijking, fraude, kinderarbeid en het schenden van de Arbeidstijdenwet.

CGN eist (onder meer) een rectificatie. Volgens haar heeft de bank de relatie helemaal niet beëindigd en zijn de beschuldigingen uit eerdere NRC publicatie waarnaar wordt verwezen onjuist. Ook zou NRC geen betrouwbare bronnen hebben.

CGN spreekt niet alleen NRC Media (de uitgever) aan, maar ook journalist Joep Dohmen en hoofdredacteur Peter Vandermeersch. Daarin gaat de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag niet mee. Hij wijst erop dat NRC Media aansprakelijk is voor eventuele onrechtmatige gedragingen van haar werknemers (art. 6:170 BW) en CGN ook niet heeft betoogd dat Vandermeersch en Dohmen los van hun positie als werknemer onrechtmatig hebben gehandeld. De vorderingen jegens hen in persoon worden afgewezen.

De rechter bespreekt vervolgens de gevolgen van toewijzing van de overige vorderingen van de CGN. Toewijzing hiervan zou een beperking vormen op het grondrecht van NRC op vrijheid van meningsuiting, zoals neergelegd in artikel 10 lid 1 EVRM. De NRC groep moet vrijelijk kunnen publiceren over door haar geconstateerde (vermeende) misstanden of anderszins maatschappelijk relevante onderwerpen. Daar tegenover staat volgens de rechtbank het belang van de CGN om gevrijwaard te blijven van berichtgeving waarin zij ten onrechte in verband wordt gebracht met strafbare feiten of gedragingen die in het maatschappelijk verkeer als diffamerend worden gezien.

Volgens de rechter beschikt NRC wel degelijk over correspondentie (die weliswaar niet aan CGN is gericht, maar dat staat ook niet in het artikel) waarin aanwijzingen staan dat de Rabobank haar relatie met entiteiten van de broeders wil verbreken. NRC beroept zich ook op een anonieme bron. De rechter wijst erop dat “een beroep op een anonieme bron vanzelfsprekend met terughoudendheid dient te worden beoordeeld”, maar die anonieme bron in combinatie met de andere aanwijzingen waarop NRC zich beroept leveren wel degelijk voldoende feitelijke onderbouwing op voor de publicatie. Daar komt bij dat stukken die CGN zelf heeft overgelegd bevestigen dat de bank gesprekken met CGN is gestart omdat zij van plan is haar bancaire relatie met CGN te verbreken. En dat de kop boven het artikel en de eerste zin van het artikel ook kunnen worden opgevat alsof het verbreken van de relatie al een vaststaand feit is, wordt volgens de rechtbank voldoende ontkracht door de tweede zin van het artikel en het weergegeven wederhoor.

De verwijzing naar de beschuldigingen in eerdere publicaties in NRC kan volgens de rechter niet los worden gezien van een oordeel over de juistheid van die beschuldigingen. En CGN heeft aangekondigd daarover een bodemzaak te starten. Dat zal zij dan moeten afwachten. Bovendien heeft NRC stukken in het geding gebracht ter onderbouwing van die beschuldigingen en die stukken zijn door CGN niet gemotiveerd betwist. Er is dan ook geen reden voor een voorlopige maatregel vooruitlopend op een bodemzaak. 

Dat NRC de reactie van CGN niet integraal heeft overgenomen maakt niet dat de geboden wederhoor gebrekkig is. De kern van de reactie is immers in het artikel opgenomen.

De vorderingen worden afgewezen.

Al eerder vond er een kort geding plaats tegen NRC over een publicatie over de Noorse broeders. Ook toen werden de vorderingen afgewezen.

NRC werd in deze zaak bijgestaan door Jens van den Brink en Emiel Jurjens.

 

 

 

 

Volkskrant hoeft recensie β€œComplotdenkers” niet te rectificeren

Door Lotte Oranje

In september 2016 is het boek “Complotdenkers” verschenen. In het boek besteedt de auteur aandacht aan Micha Kat. De auteur beschrijft de extreme en ongefundeerde uitlatingen en dreigementen die Kat doet en noemt hem een complotdenker. Over dit boek is eind 2016 een recensie in de Volkskrant verschenen, waarin de schrijver van de recensie termen gebruikt als “bizarre club rond kletskous Micha Kat”, “paranoïde gekkies” en “Kat is de ongekroonde koning van dit gekkenhuis”. Kat maakt bezwaar tegen deze recensie en vordert rectificatie van de over hem in de recensie gedane uitlatingen.

De rechter overweegt ten eerste dat waardeoordelen, zoals een recensie, volgens vaste rechtspraak in beginsel vrij zijn, tenzij een waardeoordeel geen enkele basis heeft. Volgens de rechter heeft de onderhavige recensie echter voldoende basis, aangezien het gebaseerd is op het boek. Dit is voldoende: “Met zijn stelling dat het boek van [de auteur van het boek] geen aanleiding geeft voor de door [de recensent] gebruikte kwalificaties, miskent [eiser] de regels voor recensies en andere opiniërende (niet-feitelijke) publicaties. Voor dergelijke publicaties zijn stijlmiddelen als overdrijven en bewust eenzijdig belichten geoorloofd.”.

De Volkskrant heeft opgemerkt dat Kat zelf verder dan de recensie gaat in het geven van zijn mening, door bijvoorbeeld kwalificaties van Mark Rutte als “Pedo-Premier” en Jeanine Hennis-Plasschaert als “Hoer-Hennis”. Kat betwist dat zijn eigen kwalificaties van anderen een rol spelen bij de beoordeling van de zaak. Hier is de rechter het niet mee eens: “Daarmee miskent [eiser] dat volgens rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) voorafgaand gedrag van de persoon om wie het gaat een omstandigheid is die een rol speelt bij de beoordeling van de vraag of een publicatie onrechtmatig is.” De rechter is van mening dat Kat met dergelijke uitspraken zichzelf op een zeer felle wijze in het publieke debat mengt en daardoor minder snel kan beklagen dat er over hem ook in felle bewoordingen uitlatingen worden gedaan. Daar voegt de rechter nog aan toe: “Bovendien kan hij, door zijn extreme theorieën waarvoor hij zelf de aandacht van het grote publiek vraagt, worden aangemerkt als een publieke figuur. Publieke figureren hebben meer kritiek te dulden dan de gemiddelde persoon die zich niet in het openbaar debat begeeft.”.

Kat acht het ook buitengewoon schadelijk dat hij als gek wordt weggezet omdat daarmee afbreuk wordt gedaan aan zijn geloofwaardigheid als journalist. Hierover overweegt de rechter: “Op grond van vaste rechtspraak van het EHRM kan een klacht over reputatieverlies echter niet worden gebaseerd op het recht op bescherming van eer en goede naam als dat reputatieverlies het voorzienbare gevolg is van het eigen handelen van de betrokkene. Vooralsnog wordt het er voor gehouden dat, voor zover [eiser] als journalist niet serieus zou worden genomen, dat niet het gevolg is van de recensie, maar van de vergaande en vooralsnog ongefundeerde beschuldigingen over allerlei personen die [eiser] al jaren in niet mis te verstane bewoordingen onder de aandacht van het publiek brengt.

De recensie wordt niet onrechtmatig geoordeeld en de vordering van Kat wordt afgewezen.

De Volkskrant werd in deze zaak bijgestaan door Christien Wildeman.

 

Supreme Court: verbod op denigrerende merken is β€˜happy-talk clause’ en dus in strijd met uitingsvrijheid

Door Laura Kroese

Niet alles kan als merk worden ingeschreven. Hoewel dit beginsel op zichzelf begrijpelijk is, is het met het oog op de vrijheid van meningsuiting in sommige gevallen problematisch. Dit blijkt uit de op 19 juni 2017 door het US Supreme Court gewezen uitspraak, dat mogelijk grote gevolgen heeft voor het (Amerikaanse) merkenrecht. Het hof oordeelde dat de zogenoemde disparagement clause in strijd is met de vrijheid van meningsuiting, die wordt beschermd door het First Amendment van de Amerikaanse grondwet.

De zaak in kwestie, Matal v. Tam, werd aangespannen door de Aziatische-Amerikaanse dance-rockband The Slants (de spleetogen). Het Patent and Trademark Office (PTO) weigerde de inschrijving van merknaam THE SLANTS op grond van het artikel uit de Lanham Act, de Amerikaanse merkenwet, dat bepaalt dat een inschrijving wordt geweigerd wanneer het “(a) Consists of (…) matter which may disparage or falsely suggest a connection with persons, living or dead, institutions, beliefs, or national symbols, or bring them into contempt, or disrepute.” Het PTO overwoog dat het woord slants, dat ook wel wordt gebruikt in de betekenis van spleetogen en dus verwijst naar mensen met Aziatische afkomst, kleinerend/denigrerend (disparaging) is. De band zelf dacht hier anders over. Bandlid Simon Tam zei hier volgens radio-omroep NPR het volgende over: “We grew up and the notion of having slanted eyes was always considered a negative thing,” he said. “Kids would pull their eyes back in a slant-eyed gesture to make fun of us … I wanted to change it to something that was powerful, something that was considered beautiful or a point of pride instead.”

De band liet het er niet bij zitten en trok uiteindelijk bij het Supreme Court aan het langste eind. Het hof vond dat het bewuste artikel (“the disparagement clause”) in strijd is met de door de First Amendment beschermde vrijheid van meningsuiting. Het hof noemt het een ‘happy-talk clause’ , die zijn doel voorbijschiet, verder gaat dan nodig is en te breed is. Het hof overweegt als volgt: “21. (…) A simple answer to this argument is that the disparagement clause is not “narrowly drawn” to drive out trademarks that support invidious discrimination. The clause reaches any trademark that disparages any person, group, or institution. It applies to trademarks like the following: “Down with racists,” “Down with sexists,” “Down with homophobes.” It is not an anti-discrimination clause; it is a happy-talk clause. In this way, it goes much further than is necessary to serve the interest asserted. The clause is far too broad in other ways as well. The clause protects every person living or dead as well as every institution. Is it conceivable that commerce would be disrupted by a trademark saying: “James Buchanan was a disastrous president” or “Slavery is an evil institution”? There is also a deeper problem with the argument that commercial speech may be cleansed of any expression likely to cause offense. The commercial market is well stocked with merchandise that disparages prominent figures and groups, and the line between commercial and non-commercial speech is not always clear, as this case illustrates. If affixing the commercial label permits the suppression of any speech that may lead to political or social “volatility,” free speech would be endangered.”

Zoals gezegd heeft deze uitspraak mogelijk grote gevolgen voor het Amerikaanse merkenrecht. Vergelijkbaar met de zaak van The Slants is bijvoorbeeld de eveneens al jaren spelende zaak van footballteam Washington Redskins. Mogelijk zal ook hun verzoek tot inschrijving als merk nu toch gehonoreerd worden.

Ook in Nederland kunnen merkaanvragen in bepaalde gevallen worden geweigerd. Het Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom (BVIE) bepaalt dat dat onder andere mogelijk is wanneer een inschrijving in strijd is met de openbare orde of goede zeden (artikel 2.4 onder a). Gedacht kan worden aan een merk dat racistisch, aanstootgevend of godslasterend is. In een dergelijk geval wordt een inbreuk op de vrijheid van meningsuiting gerechtvaardigd geacht. Toch zal dit niet snel voorkomen, omdat de bepaling restrictief wordt uitgelegd. Een (zeldzaam) voorbeeld van een (beeld)merk dat is geweigerd is een logo van een kabouter die, met op zijn arm een swastika, de Hitlergroet brengt.

No journalism exception for massive exposure of personal taxation data

Door Redactie

Guest post by prof. Dirk Voorhoof, Ghent University.*

After long proceedings at national level, after a preliminary ruling by the EU Court of Justice on 16 December 2008 (Case C-73/07), and after the European Court of Human Rights Chamber judgment of 21 July 2015, the Grand Chamber of the ECtHR on 27 June 2017 finally found no violation of the right to freedom of expression and information in Satakunnan Markkinapörssi Oy and Satamedia Oy v. Finland. In essence the case concerns the mass collection, processing and publication of personal taxation data which were publicly accessible in Finland. The combination of a narrow interpretation of (public interest) journalism with a wide margin of appreciation for the domestic authorities led to the finding of a non-violation of Article 10 ECHR. With a reasoning that is very much in line with the Fourth Section’s judgment of 21 July 2015 (see our blog), by fifteen votes to two, the Grand Chamber found that a prohibition issued by the Finnish Data Protection Board that prohibited two media companies from publishing personal taxation data in the manner and to the extent they had published these data before, is to be considered as a legal, legitimate and necessary interference with the applicants’ right to freedom of expression and information. The ECtHR approves the approach of the Finnish authorities denying the applicants’ claim to rely on the exception of journalistic activities within the law of protection of personal data. Less important, but for the full record: the Grand Chamber confirmed the finding of a violation of Article 6 § 1 ECHR (fair trial), as the length of the proceedings at domestic level (six years and six months) was excessive and failed to meet the “reasonable time” requirement, even taking into account the complexity of the case.

Challenges and third-party interventions

That the case was complex and delicate is clearly reflected in the Grand Chamber’s 75 pages judgment, including the dissenting opinions. Alarmed by the narrow interpretation of the notion of journalistic purpose as it was applied in the 2015 Chamber judgment, third-party interventions, inter alia by the European Information Society Institute, ARTICLE 19, the Access to Information Programme and the Hungarian Civil Rights organisation Társaság a Szabadságjogokért, have argued that the Grand Chamber should extend the Article 10 protection to innovative forms of journalism, including (big) data journalism. The present case indeed provided a key opportunity to review the notion of “journalist” or “journalistic purpose”, and the right of dissemination of personal data acquired through access to public documents.

The judgment: approach and general principles

The ECtHR starts by observing that only a very small number of Council of Europe member States provide for public access to taxation data, a fact which raises issues regarding the margin of appreciation which Finland enjoys when providing and regulating public access to such data. While explaining that at the heart of the present case lies the question whether the correct balance was struck between the right to freedom of expression and press freedom under Article 10 ECHR, on the one hand, and the right to privacy under Article 8 ECRH, in the particular context of data protection, on the other, the ECtHR also reiterates that the rights under Articles 10 and 8 of the Convention deserve equal respect (§ 123 and 163). In addition the ECtHR refers to a set of principles related to press freedom, including “the gathering of information (as) an essential preparatory step in journalism and an inherent, protected part of press freedom” (§ 128), and related to privacy protection, emphasising that “the fact that information is already in the public domain will not necessarily remove the protection of Article 8 of the Convention” (§ 134). And it continues: “Article 8 of the Convention thus provides for the right to a form of informational self-determination, allowing individuals to rely on their right to privacy as regards data which, albeit neutral, are collected, processed and disseminated collectively and in such a form or manner that their Article 8 rights may be engaged” (§ 137).

With regard to the question whether the interference with the applicants’ rights was prescribed by law, the ECtHR notes inter alia that both applicants “were media professionals and, as such, they should have been aware of the possibility that the mass collection of data and its wholesale dissemination – pertaining to about one third of Finnish taxpayers or 1.2 million people, a number 10 to 20 times greater than that covered by any other media organisation at the time – might not be considered as processing “solely” for journalistic purposes under the relevant provisions of Finnish and EU law”. The ECtHR is of the opinion that the terms of the relevant data protection legislation and the nature and scope of the journalistic derogation on which the applicant companies sought to rely were sufficiently foreseeable and that those provisions were applied in a sufficiently foreseeable manner, meeting the condition that the interference at issue was prescribed by law as a condition under Article 10 § 2 ECHR. At the same time, there is no discussion that the interference with the applicant companies’ right to freedom of expression pursued the legitimate aim of protecting “the reputation or rights of others”. Therefore, again, the crucial question remained whether the interference at issue was necessary in a democratic society, being sufficiently and pertinently motivated and proportionate in its dimension or impact. The Court reminds that when the balancing exercise with the Articles 8 and 10 has been undertaken by the national authorities in conformity with the criteria laid down in the Court’s case-law, “the Court would require strong reasons to substitute its view for that of the domestic courts”. These criteria are: a contribution to a debate of public interest, the degree of notoriety of the person affected, the subject of the news report, the prior conduct of the person concerned, the content, form and consequences of the publication, and the way in which the information was obtained and its veracity, and the gravity of the penalty imposed on the journalists or publishers (§§ 165-166).

 Extensive dissemination of personal data is breach of privacy

The Court first notes that it is “unquestionable that permitting public access to official documents, including taxation data, is designed to secure the availability of information for the purpose of enabling a debate on matters of public interest”, and that such access has a constitutional basis in Finnish law and has effectively and widely been guaranteed for many decades. But the Court also points out that “public access to taxation data, subject to clear rules and procedures, and the general transparency of the Finnish taxation system does not mean that the impugned publication itself contributed to a debate of public interest”. It says it is “not persuaded that publication of taxation data in the manner and to the extent done by the applicant companies contributed to such a debate or indeed that its principal purpose was to do so”. The Court also clarifies that the journalistic purposes derogation which is indeed provided in the Finnish Personal Data Act “is intended to allow journalists to access, collect and process data in order to ensure that they are able to perform their journalistic activities, themselves recognised as essential in a democratic society”. The Court however emphasises that a right of access to public documents does not by itself justify the dissemination of these documents or the data they contain: “the existence of a public interest in providing access to, and allowing the collection of, large amounts of taxation data did not necessarily or automatically mean that there was also a public interest in disseminating en masse such raw data in unaltered form without any analytical input” (§ 175). The Court also explains why the massive dissemination of the data was not carried out “solely” for journalistic purposes, and where the applicant companies argued that the public disclosure of tax records enabled the public to observe results of tax policy, the ECtHR is of the opinion that the dissemination of the data at issue rather “might have enabled curious members of the public to categorise named individuals, who are not public figures, according to their economic status” and that this could be regarded “as a manifestation of the public’s thirst for information about the private life of others and, as such, a form of sensationalism, even voyeurism” (§§ 175-177). This finding also further broadens the margin of appreciation for the domestic authorities: because the impugned publication cannot be regarded as contributing to a debate of public interest, nor as a form of political speech, it cannot enjoy a privileged position that traditionally calls for a strict scrutiny by the ECtHR and that allows little scope for restrictions under Article 10 § 2 ECHR.

Next the Court clarifies that the taxation data of 1.2 million natural persons were made public by the applicant media, and that most of the data concerned private persons, and only “very few, were individuals with a high net income, public figures or well-known personalities within the meaning of the Court’s case-law”. Unlike other Finnish publications, the information published by the applicant companies did not pertain specifically to any particular category of persons such as politicians, public officials, public figures or others who belonged to the public sphere by dint of their activities or high earnings or their position.

The ECtHR furthermore confirms that the data were not obtained by illicit means and that they were accurate, but it refers to the companies’ policy “of circumventing the normal channels open to journalists to access taxation data and, accordingly, the checks and balances established by the domestic authorities to regulate access and dissemination” (§ 185). While the information relating to individuals was publicly accessible, under specific rules and safeguards, this did not necessarily mean that the data could be published to an unlimited extent. The Court states that “publishing the data in a newspaper, and further disseminating that data via an SMS service, rendered it accessible in a manner and to an extent not intended by the legislator” (§§ 189-190).

While the ECtHR reiterates that “the gathering of information is an essential preparatory step in journalism and an inherent, protected part of press freedom”, it is of the opinion that the Finnish authorities “did not seek to interfere with the collection by the applicant companies of raw data, an activity which goes to the heart of press freedom, but rather with the dissemination of data in the manner and to the extent outlined above”. Therefore the applicant companies were not prohibited from publishing taxation data or from continuing to publish their magazine, “albeit they had to do so in a manner consistent with Finnish and EU rules on data protection and access to information”. The ECtHR concludes with regard the gravity of the interference with the applicants’ rights that although “the limitations imposed on the quantity of the information to be published may have rendered some of their business activities less profitable”, this “is not, as such, a sanction within the meaning of the case-law of the Court” (§ 197).

Wide margin of appreciation

In line with its approach set out in Animal Defenders Internationalv. the United Kingdom, taking into consideration the quality of the parliamentary and judicial review, and referring to the exceptional situation in Finland with regard the public accessibility of personal taxation data, the ECtHR leaves the Finnish authorities a wide margin of appreciation in deciding how to strike a fair balance between the respective rights under Articles 8 and 10 of the Convention in this case. This brings the vast majority of the Grand Chamber to agree with the approach by the Finnish authorities, relying in particular on their findings “that the publication of the taxation data in the manner and to the extent described did not contribute to a debate of public interest and that the applicants could not in substance claim that it had been done solely for a journalistic purpose within the meaning of domestic and EU law”. The Grand Chamber discerns no strong reasons which would require it to substitute its view for that of the domestic courts and to set aside the balancing done by them, while it is satisfied that the reasons relied upon were both relevant and sufficient to show that the interference complained of was “necessary in a democratic society”. This leads the ECtHR to the final conclusion that the Finnish authorities acted within their margin of appreciation in striking a fair balance between the competing interests at stake. Therefore the ECtHR finds that there has been no violation of Article 10 ECHR.

Dissent and comment

The Grand Chamber essentially based its conclusion on the finding that no sufficient journalistic input or public interest could justify the publication of the personal taxation data at issue and that the interference with the rights of the applicants’ media had merely an impact on the applicants’ economic or business interests. In finding no violation of the right to freedom of expression and information, the ECtHR not only accepts a restrictive interpretation of the notion of journalistic activity, it also reduces drastically the impact of the right to information of public interest. The controversial character of this approach by the Grand Chamber is robustly reflected in the dissenting opinion by judge András Sajó, who acted as president of the Grand Chamber, and judge Işıl Karakaş:

“Here, under the guise of ill-defined and diffuse privacy interests, considerations of a general interest in taxpayers’ privacy are being used, firstly, to limit a law that made such information public, and secondly, to curtail the right of journalists to impart information to the public. What is worse, this restriction was not examined under the level of stricter scrutiny required by Article 10 (2). We lament the consequent curtailment of the right of journalists to communicate accurate information of important public significance, and we therefore dissent.”

The question remains what the problem is of publishing in the media data which have originally been disclosed by the authorities and are publicly accessible to everyone. And where is the “pressing social need” behind the prohibition of data from public records, while there is no indication that the publication of these data caused harm or risked to cause damage to individual persons or to society. Furthermore, it is unclear for what reasons a more limited publication of the taxation data in other media is acceptable under the exception of journalistic activity, and why precisely, from what extent onwards or under what type or form of journalistic presentation, the publication of the taxation data becomes illegal. It is also remarkable that the judgment refers to the lack of “analytical input” by the publications at issue, while former case law of the ECtHR does no require journalists, media or other public watchdogs to produce analytical added value in order to be able to rely on the protection under Article 10 ECHR when publishing, broadcasting or disclosing information. At several occasions the ECtHR has emphasised that it is not the task of the ECHR, neither of the national courts, “to substitute its own views for those of the press as to what technique of reporting should be adopted”.

The Grand Chamber judgment also contains some worrying considerations that may curtail some types of journalistic practices or media freedom, such as the qualification of the published data at issue, enabling “the public’s thirst for information about the private life of others and, as such, a form of sensationalism, even voyeurism”. The circumstance that information or journalistic content can be perceived as sensationalist or can be used for voyeuristic purposes by some members of the public, does not eliminate the public interest of the published information. The reference to “voyeurism” is also somewhat far fetched, as the public taxation data do not really reveal salacious intimate aspects of private life. Of a problematic nature is also the Grand Chamber’s consideration that the applicant’s media have rendered the data “accessible in a manner and to an extent not intended by the legislator”. There are undoubtedly many situations in which journalists or media succeed to publish, disseminate or disclose information in a manner and to an extent that was “not intended by the legislator” or other regulatory authorities. At the same time the Grand Chamber missed the opportunity to be inspired by the clear intention of the European legislator to broaden the journalism exception, as reflected in the EU Regulation 2016/679 of 27 April 2016 on the protection of natural persons with regard to the processing of personal data and on the free movement of such data, and repealing Directive 95/46/EC (General Data Protection Regulation), which entered into force on 24 May 2016. Article 85 of the Regulation, which will replace the journalistic purposes derogation in Article 9 of the Directive, no longer refers to the exception “solely for journalistic purposes”, but obliges the Member States to “reconcile the right to the protection of personal data pursuant to this Regulation with the right to freedom of expression and information, including processing for journalistic purposes”. Recital 153 of the Regulation 2016/679 clarifies that in “order to take account of the importance of the right to freedom of expression in every democratic society, it is necessary to interpret notions relating to that freedom, such as journalism, broadly”. The Grand Chamber’s judgment goes in the opposite direction, by accepting, endorsing an even developing a narrow notion of journalism.

Dirk Voorhoof, Human Rights Centre Ghent University (Belgium), Copenhagen University (Denmark), Legal Human Academy and member of the Executive Board of the European Centre for Press and Media Freedom (ECPMF, Germany)


Discriminatie v. uitingsvrijheid – Sinterklaasjournaal en columniste Ebru Umar niet vervolgd

Door Laura Kroese

Vrijheid van meningsuiting en het verbod tot discriminatie staan met elkaar op gespannen voet en dit leidt regelmatig tot aangiften. Recent besloot het OM Ebru Umar niet te vervolgen voor een aantal tweets en andere uitlatingen. Het Hof Amsterdam bepaalde in een artikel 12 Sv procedure dat onder meer het Sinterklaasjournaal (vooralsnog) niet vervolgd wordt voor het gebruik

van Zwarte Piet.

Tegen de uitgesproken columniste Ebru Umar, die niet alleen voor Metro schrijft maar ook actief twittert, was aangifte gedaan door de Stichting Turks-Islamitische Culturele Federatie. De stichting vindt dat Umar vervolgd moet worden voor discriminatie van moslims. In de aangifte werden onder meer de volgende uitlatingen genoemd: “KUTMOCROS IK HAAT JULLIE IK HAAT JULLIE IK HAAT JULLIE IK HAAT JULLIE EN IK HAAT JULLIE MOSLIMBROEDERS EN ZUSTERS OOK_FUCK YOU ALL en “Zo. @ANaninga en ik sluiten niet uit dat we zo dobbernegers na gaan doen. Volle boot @fvdemocratie We kunnen zwemmen.”

Het OM komt tot de beslissing dat deze en andere uitlatingen niet strafbaar zijn in de zin van artikel 137c Wetboek van strafrecht (groepsbelediging). Onder meer moet worden meegewogen dat rond de tijd van de uitlatingen Umar in Turkije werd vastgehouden, zij regelmatig werd bedreigd, ook met de dood en dat bij haar was ingebroken. Het OM overweegt bovendien dat “het zo is dat de uitingen van Umar op bijna column-achtige wijze verslag doen van relatief heftige gebeurtenissen waarbij, ook door die heftigheid, de stijl en toonzetting van eenzelfde kaliber is. Bezien tegen de achtergrond van dit debat, kunnen de uitlatingen van Umar niet als onnodig grievend worden beschouwd.

Voor uitlatingen in haar columns geldt dat Umar als columnist meer vrijheid heeft zich in scherpe bewoordingen uit te laten over maatschappelijke kwesties die zij van belang acht. De uitlatingen van Umar zijn wellicht scherp te noemen, maar zijn passend binnen het debat dat zij wil voeren en functioneel voor de kern van haar kritiek, in dit geval op het criminele gedrag van Marokkaanse jongeren, aldus het OM.

Waar Umar in een column het gedrag van ‘Nederturken’ vergelijkt met dat van NSB-ers, overweegt het OM “dat Umar, zelf van Turkse afkomst, kritiek levert op misstanden binnen haar eigen groep, terwijl vanuit de groep sociale druk heerst om geen kritiek te leveren op opvattingen of gedragingen van de groep. De ratio van artikel 137c Sr is dat groepen worden beschermd tegen aanvallen van buiten. Kritiek op de eigen groep, inhoudende dat Turken in Nederland zijn achtergebleven en te weinig Nederlander zijn, levert bij uitstek een bijdrage aan het maatschappelijk debat over integratie. Voor zover er al sprake is van beledigende uitlatingen over Turken neemt de context van het maatschappelijk debat het beledigende karakter weg.”

De NOS meldt dat de stichting door het starten van een artikel 12-procedure hoopt te bereiken dat Umar alsnog wordt vervolgd.

Ook is een einde gekomen aan de Zwart Piet-strafzaak. Het Hof Amsterdam heeft de klacht (artikel 12-procedure) van Stichting Nederland Wordt Beter over de beslissing van het OM om niet tot vervolging over te gaan afgewezen. De stichting had aangifte gedaan tegen onder meer omroep NTR (van het Sinterklaasjournaal), gemeente Gouda (intocht Sinterklaas 2014) en Albert Heijn, Blokker en Hema voor het tonen van Zwarte Piet. De stichting wil dat Zwarte Piet verdwijnt, omdat hij racistisch zou zijn. Het hof oordeelde dat uit de aangifte niets strafbaars kon worden afgeleid, omdat zij zo algemeen geformuleerd is. Bovendien speelt mee dat de Zwarte Pieten-discussie nog niet uitgekristalliseerd is. Het hof overweegt: “Niet kan worden gezegd dat de af- en uitbeeldingen van ‘Zwarte Piet’ – op een wijze waarop klagers kennelijk het oog hebben – niet worden beschermd door de vrijheid van meningsuiting in ruime zin. De historische en culturele context en de artistieke expressie van ‘Zwarte Piet’ ontnemen vooralsnog de strafbaarheid van die af- en uitbeeldingen. Niet kan worden gezegd dat die af- en uitbeeldingen – zonder meer – onnodig grievend zijn.

De woordkeus “vooralsnog” is opvallend. Daarmee lijkt het Hof tot uitdrukking te brengen dat Zwarte Piet als gevolg van veranderingen in het maatschappelijk debat in de toekomst wel strafbaar zou kunnen worden. Tegenstanders zien daarin wellicht reden om over een tijd opnieuw aangifte te doen.

Item in Opgelicht van Avrotros over β€˜schurk’ die spoor faillissementen achterliet niet onrechtmatig

Door Lotte Oranje

Eiser in dit kort geding heeft vanaf 2012 een aantal ondernemingen opgericht, die naderhand failliet zijn gegaan. De totale schuldenlast van de failliete ondernemingen bedraagt €537.701,04. De redactie van het programma Opgelicht?! van de Avrotros doet onderzoek naar eiser, waarna eiser zelf contact zoekt met Avrotros. Dit resulteert in een interview waarin Opgelicht een aantal dingen aan eiser voorlegt. Op 24 januari 2017 zendt Opgelicht vervolgens een item uit over eiser’s zakelijke handelswijze. Het item schetst eiser als iemand, die in korte tijd meerdere ondernemingen opricht, deze kort na elkaar failliet laat gaan en daarbij veel schuldeisers en gedupeerden achterlaat en waar iedereen – inclusief zijn eigen vrouw – bang voor is. Er worden fragmenten van interviews met de familieleden van eiser getoond, en beelden van het interview met eiser zelf. De uitzending is terug te zien via de website van AvroTros en Uitzending gemist. Daarnaast staat er een artikel over het item op de site van AvroTros.

Eiser vindt dat de uitzending onrechtmatig is, en vordert verwijdering van het item en het artikel van internet en een rectificatie.

De voorzieningenrechter oordeelt – aan de hand van de belangenafweging tussen het recht op vrije meningsuiting van Avrotros en het recht op bescherming van de eer en goede naam van eiser – dat de uitzending niet onrechtmatig is. Het recht op vrije meningsuiting van Avrotros moet prevaleren, omdat AvroTros beschikt over voldoende feitenmateriaal om kritisch te kunnen kijken naar de zakelijke handelswijze van eiser. Avrotros heeft aangetoond dat eiser meerdere ondernemingen heeft opgericht, dat er een schuld is ontstaan van rond de €500.000,- en dat er meerdere gedupeerden zijn. Dat AvtroTros niet alle gedupeerden aan het woord heeft gelaten, is een keuze die zij mag maken in het belang van het programma. Ook heeft Avrotros voldoende gelegenheid gegeven voor weerwoord van eiser.

In de uitzending wordt verder nog de term “de schurk van [de woonplaats van eiser – red.] ” gebruikt om eiser te beschrijven. Volgens eiser stond hij helemaal niet zo bekend en heeft AvtroTros deze mededeling zonder enige onderbouwing gedaan. De voorzieningenrechter overweegt eerst dat AvtroTros, door de wijze waarop zij deze term gebruikt, daarmee niet haar eigen mening verkondigt, maar dat dit een weergave is van de mening van anderen. Vervolgens geeft de voorzieningenrechter een mooie overwegingen over de boodschappersfunctie die AvtroTros vervult. Zij kan voor de mededeling in beginsel niet worden gestraft, tenzij sprake is van bijzondere zwaarwegende redenen, die in dit geval niet aanwezig zijn.

De voorzieningenrechter is nog wel van mening dat het inzicht in het persoonlijk leven van eiser in het item, voornamelijk weergegeven door de interviews met familieleden, niet nodig was geweest. “De voorzieningenrechter kan voorshands, zonder nadere onderbouwing van de zijde van AvtroTros, welke ontbreekt, niet inzien waarom een dergelijke inkijk in het persoonlijke leven van [eiser] van belang zou zijn voor het aan de kaak stellen van de zakelijke handelswijze van [eiser] . Dat laatste was volgens AvtroTros immers het doel van de uitzending.” Desondanks is de uitzending “overall gezien” niet onrechtmatig, nu het zwaartepunt van de uitzending lag op de zakelijke handelswijze. In dit kader overweegt de voorzieningenrechter nog dat iemand die zakelijk opereert meer kritiek heeft te dulden dan iemand die als privé-persoon handelt.

Alle vorderingen van eiser worden afgewezen.

Rapper in clip met SyriΓ«gangers verliest zaak tegen EenVandaag

Door Lotte Oranje

Op woensdag 22 maart 2017 werd in een item van het televisieprogramma EenVandaag van Avrotros aandacht besteed aan een strafproces tegen tien Syriëgangers. Twee van deze Syriëgangers zaten in een rapgroep. Eiser zat ook in de rapgroep, maar behoorde niet tot de Syriëgangers. Op drie momenten in het item worden fragmenten van de muziekclip van de rapgroep getoond. Hierin zijn de twee Syriëgangers te zien, maar ook eiser. De gezichten van de Syriëgangers zijn hierbij geblurred, maar het gezicht van eiser niet.

Op verzoek van eiser heeft de presentatrice van EenVandaag tijdens de uitzending van vrijdag 24 maart 2017 gezegd dat, mocht de indruk zijn ontstaan dat de personen die in het clipje herkenbaar in beeld zijn ook Syriëgangers zijn of daarbij betrokken zijn geweest, dit onjuist is. Ook heeft Avrotros het item van de website van EenVandaag verwijderd. Eiser vindt deze maatregelen onvoldoende, en eist een rectificatie waarbij hij met zijn gezicht en volledige naam in beeld wordt gebracht en een specifiekere tekst wordt uitgesproken.

De voorzieningenrechter licht eerst de belangenafweging toe die gemaakt moet worden om een antwoord te vinden op de vraag welk recht – het recht op vrije meningsuiting van Avrotros of het recht op bescherming van de eer en goede naam van eiser – zwaarder weegt. Onder meer de aard van de gepubliceerde uitlatingen, de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die uitlatingen betrekking hebben, de ernst – bezien vanuit het algemeen belang – van de misstand die aan de kaak wordt gesteld en het gezag dat het medium waarop de uitlatingen zijn gepubliceerd geniet zijn relevante omstandigheden.

De omstandigheid dat Avrotros al een soort rectificatie heeft uitgesproken in de uitzending weegt de voorzieningenrechter zwaar mee: “Bij het voorgaande telt, in deze zaak, dat Avrotros tijdens de uitzending van EenVandaag van 24 maart 2017, dat wil zeggen twee dagen na de gewraakte uitzending, de onder 2.14 omschreven tekst heeft doen uitspreken. De door [eiser] ingestelde vordering is daarom alleen dan toewijsbaar indien de vorenomschreven belangenafweging in zijn voordeel uitvalt én indien moet worden geoordeeld dat Avrotros, door na de uitzending van 24 maart 2017 te weigeren over te gaan tot de thans gevorderde rectificatie, onrechtmatig handelt.

De voorzieningenrechter oordeelt dat Avrotros een maatschappelijk zwaarwegend belang had bij de uitzending van het item, te weten publieke berichtgeving over de maatschappelijk actuele vraag hoe jongeren kunnen radicaliseren en zich als jihadstrijder naar Syrië begeven. Ook staat vast dat er geen aanwijzingen zijn dat eiser een Syriëganger is of iets met radicalisering te maken heeft. Avrotros diende daarom, ter bescherming van het belang van eiser, het item zo vorm te geven dat de suggestie van het tegendeel niet zou worden gewekt. Hierover zegt de rechter: “Weliswaar is het logisch te veronderstellen dat een oplettende kijker uit het feit dat sommige gezichten geblurred zijn zal afleiden dat de personen met niet geblurrde gezichten niet [A] en [B] zijn, maar die oplettendheid zal zich naar verwachting bij een niet te verwaarlozen groep andere kijkers niet hebben voorgedaan (zoals ook uit de door [eiser] overgelegde bescheiden van uitlatingen op internet is gebleken).

Voornamelijk hierdoor – en het gezag dat aan het programma EenVandaag mag worden toegekend – komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat Avrotros onvoldoende heeft gedaan om de bedoelde suggestie en de daarvan voor eiser te vrezen nadelige gevolgen te vermijden. De voorzieningenrechter oordeelt desalniettemin dat het onterecht opgetreden gevolg van de uitzending (de opgevatte veronderstelling dat eiser een Syriëstrijder is of daarbij op enige wijze betrokken is) voldoende is tegengegaan met de rectificatie van 24 maart 2017. “In die uitzending is immers alsnog de vereiste helderheid verschaft dat de personen die in het item van 22 maart 2017 met niet geblurred gezicht in beeld zijn gebracht, geen Syriëstrijder zijn, noch daarbij betrokken zijn.” Daar komt bij dat eiser zelf, door het maken en op YouTube plaatsen van zijn voormelde track en door mee te werken aan diverse praat- en actualiteitengrogramma’s, aan de uitzending van 22 maart 2017 openbare ruchtbaarheid heeft gegeven in een zin die overeenkomt met de strekking van de gevorderde rectificatie. Hierdoor, en door de reeds gegeven rectificatie van Avrotros, valt niet in te zien wat de gevorderde rectificatie nog extra kan betekenen voor het wegnemen van de onjuiste veronderstelling bij de personen die naar het item van 22 maart 2017 hebben gekeken.

De vordering van eiser wordt afgewezen.

 

EHRM – Oostenrijkse politicus moet satirische uitlating van tv-zender dulden

Door Tessel Bossen

In een aflevering van de satirische comedy show Das letzte der Woche van de Oostenrijkse tv-zender ATV kreeg Herbert Haupt, voorzitter van de Oostenrijkse vrijheidspartij tussen 2002 en 2004 en vicekanselier van de federale overheid tussen februari en oktober 2003, het flink te verduren. De presentator vertelde de kijker dat

Haupt net als een nijlpaard in de dierentuin van Wenen “meestal omringd werd door kleine bruine ratten”, een opmerking die als een zinspeling op neo-Nazis werd beschouwd. In oktober 2003 vorderde Haupt in Oostenrijk schadevergoeding van ATV vanwege deze uitlating.

Haupt kreeg aanvankelijk een schadevergoeding van EUR 2.000,-, maar zijn vordering werd door de hoogste Oostenrijkse rechter alsnog afgewezen, waarop Haupt naar het EHRM stapte. Haupt claimde onder meer dat zijn rechten onder art. 8 EVRM (recht op respect voor privé- en familieleven) waren geschonden.

Het Hof wijst op Haupt’s positie als (bekende) politicus. Hij zal in die hoedanigheid meer moeten dulden. Bovendien gaat het om satire, en dus om een waardeoordeel. En meer in het bijzonder om political criticism. Het is geen aanval op hem persoonlijk. De bestreden uiting wordt bovendien feitelijk ondersteund door verschillende problematische uitingen die zijn gedaan door leden van de Oostenrijkse vrijheidspartij. Onder deze omstandigheden is er volgens het Hof geen sprake van schending van art. 8 EVRM.

Geen verbod op uitzending BNN-VARA’s Kassa

Door Lotte Oranje

Tussen een badkamerproducent en een consument is een meningsverschil ontstaan over de plaatsing van een luxe badkamer. De consument heeft naar aanleiding hiervan het consumentenprogramma Kassa van BNN-VARA  benaderd. De redactie van Kassa neemt contact op met de badkamerproducent en gaat samen met de consument op het kantoor van de badkamerproducent langs. De badkamerproducent eist in kort geding dat er geen beeldmateriaal over de kwestie wordt uitgezonden en vordert een voorafgaand publicatieverbod. De beoogde uitzending zou de goede naam van de badkamerproducent schaden en niet bijdragen aan een debat over aangelegenheden van publiek belang.

De voorzieningenrechter oordeelt onder verwijzing naar het Mosley-arrest van het EHRM dat een publicatieverbod vooraf “slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden kan plaatsvinden”. De rechter constateert dat dit BNN-VARA op een voorsprong plaatst in de belangenafweging tussen de bescherming van de goede naam van de badkamerproducent enerzijds en de vrijheid van meningsuiting van BNN-VARA anderzijds.

Bij de genoemde belangenafweging speelt de juistheid van de verwijten – de feitelijke onderbouwing en de inkleding van de feiten – een grote rol. De voorzieningenrechter overweegt dat van BNN-VARA wordt verwacht dat zij voldoende zorgvuldig onderzoek verricht, maar “aan de andere kant hoeft van BNN-VARA niet te worden verwacht dat de juistheid van hetgeen zij uitzendt onomstotelijk vast is komen te staan“.

De voorzieningenrechter komt vervolgens tot het oordeel dat BNN-VARA zorgvuldig te werk is gegaan. Er is voldoende gelegenheid geweest voor de badkamerproducent om weerwoord te geven en BNN-VARA heeft tijdig toegezegd dat het standpunt van de badkamerproducent ten aanzien van de kwestie in de uitzending zal worden betrokken.

Het argument van de badkamerproducent dat slechts sprake is van een individueel geschil en dat een item daarover niet bijdraagt aan het publieke belang gaat volgens de rechter niet op. Duidelijk is geworden dat er bij de consument sprake is van ‘teleurgestelde verwachtingen’ in verband met de aankoop van een luxe badkamer en van teleurstelling over de reactie van de badkamerproducent op de door de consument geuite klachten. Dit kan op zichzelf, anders dan de badkamerproducent betoogt, worden aangemerkt als een misstand die de samenleving raakt.

Verder bracht de badkamerproducent nog naar voren dat de mogelijke uitzending onherroepelijk tot faillissement zou leiden, maar wegens gebrek aan onderbouwing snijdt ook dit argument volgens de voorzieningenrechter geen hout. “Gesteld noch gebleken is dat van ondernemingen waaraan Kassa in haar uitzending aandacht heeft besteed, het faillissement is aangevraagd als gevolg van die uitzending in Kassa.

Alle vorderingen tegen BNN-VARA worden afgewezen.

BNN-VARA werd in deze zaak bijgestaan door Jens van den Brink en Emiel Jurjens.

 

Ook in 2017 top rankings voor Mediateam Kennedy Van der Laan

Door Redactie

De  twee belangrijkste jaarlijkse internationale rankings voor advocaten zijn weer verschenen; Chambers en Legal 500. Ook dit jaar krijgt het mediateam van Kennedy Van der Laan weer de hoogst mogelijke ranking in beide gidsen.

Chambers 2017 plaatst het mediateam in band 1 en zegt:
One client considers the team to be the best on media law in Holland“ and describes the lawyers as “dedicated and specific.” The media practice is particularly experienced in defamation, copyright and internet litigation. Recently the team has acted for several high-profile new clients, including Facebook and Vice Media.

Jens van den Brink acts for a mixture of broadcasters, newspapers and other media outlets, with a particular focus on contentious issues and defamation cases. He acted for NRC Media on a case against Ben Bot, a former Minister of Foreign Affairs. According to clients, he is “a very good adviser who pinpoints specific details in a question and is very quick and clear on communication.” 

Clients value Christien Wildeman‘s specialist knowledge with regard to media law and her “ability to handle high-pressure cases.” Recently active in contentious work, she handled various litigation matters for national newspapers including de Volkskrant and Het Parool.

De Legal 500 2017 plaatst het KVdL mediateam in tier one en zegt:
Kennedy Van der Laan’s ‘absolutely first-class’ team excels in defamation cases and internet-related litigation. The department is led by the ‘very service-mindedJens van den Brink, who is an ‘excellent litigator’. Christien Wildemanwins unwinnable cases’.

❌