[Contact]

Nieuwskop.nl Nieuwskoppen Nederland

πŸ”’
❌ Over FreshRSS
Er zijn nieuwe artikelen beschikbaar, klik om de pagina te vernieuwen.
OuderMedia Report

Mediateam Kennedy Van der Laan rank 1 in Chambers, Legal 500 en Media Law International 2018

Door Redactie

De  belangrijkste jaarlijkse internationale rankings voor advocaten zijn weer verschenen; Chambers en Legal 500. Ook dit jaar krijgt het mediateam van Kennedy Van der Laan weer de hoogst mogelijke rankings in deze gidsen in de categorie Media en Entertainment Law. Ook onze Tech en Privacy teams zijn in beide gidsen weer in rank 1 ingedeeld.

Legal 500

De Legal 500 2018 plaatst het KVdL mediateam in tier one en zegt:The ‘no-nonsense’ team at Kennedy Van der Laan is led by Jens van den Brink, who along with counsel Christien Wildeman ‘dominates the Dutch media litigation landscape’. Defamation and internet-related litigation are particular strengths. De Persgroep and Facebook are longstanding clients; Vodafone-Ziggo is a recent client.

Jens wordt individueel als Leading Individual genoemd en Christien als Next Generation Lawyer.

Chambers

Chambers 2018 plaatst het mediateam in band 1 en zegt:

Clients praise the media team’s quick response times and add that its expertise goes beyond legislation, with one describing it as “extremely specialised with a lot of media knowledge.”

Jens van den Brink specialises in contentious issues and defamation cases. According to clients, he is “very effective, and knows his business and his clients,” adding that he “knows when to push harder and when to seek for a practical solution.” He typically acts for broadcasters, newspapers and publishers and has advised GS Media on its defence against several recent damages claims brought against the company.

The “very talented” Christien Wildeman offers a range of expertise regarding media law. She is particularly active on damages and litigation cases, frequently representing newspapers and publishers and defending Newspaper de Volkskrant against various privacy and defamation claims of late.

Chambers plaatst Christien en Jens individueel in respectievelijk band 1 en 2.

Media Law International

Ook de rankings van Media Law International zijn uit en ook zij plaatsen het KVdL media team in tier one:

Kennedy Van der Laan is a distinguished name in the legal market, noted for its specialist advice on IP and media law. Freedom of speech and copyright law are among core focus areas of the firm. Jens van den Brink manages the division and is recognised for his extensive experience acting for national and international broadcasters, newspaper and book publishers, television producers as well as technology companies and network operators.

Veel dank aan onze klanten voor alle mooie quotes en het vertrouwen dat zij in ons hebben!

Hof: oplichter mocht met foto en volledige naam in boek de Gekooide Recherche

Door Jens van den Brink

Het Hof Den Haag heeft enige tijd geleden een interessant portretrecht arrest gewezen in de procedure die Jonathan T. had aangespannen tegen de Nederlandse Staat, de Nationale Politie en auteur – en voormalig  rechercheur – Michiel Princen van het veel geprezen boek De Gekooide Recherche.

T. deed zich ten onrechte voor als advocaat en werd beschuldigd van oplichting van meerdere BN-ers, waaronder de weduwe Endstra. T. is uiteindelijk veroordeeld tot 3,5 jaar gevangenisstraf. In het boek wordt de strafzaak tegen T. beschreven en wordt T. opgevoerd met volledige naam en een herkenbare foto, waarop hij op de rode loper te zien is met de weduwe Endstra.

Over T. is al meermalen door andere geschreven en hij is het onderwerp van een boek geweest, waarbij hij ook herkenbaar is afgebeeld, en met zijn volledige naam is genoemd. Daar heeft hij ook eerder over geprocedeerd. Eerder trad hij bijvoorbeeld zonder succes op tegen publicatie van dezelfde foto door Quote.

Volgens T. had Princen zich schuldig gemaakt aan schending van zijn ambstgeheim en waren T’s recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer en zijn rechten onder de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) geschonden.

Volgens T diende het voorkomen van zijn naam en het tonen van een foto van hem louter de bevrediging van publieke nieuwsgierigheid. Dat was het hof niet met hem eens: “Princen heeft toegelicht dat hij ervoor heeft gekozen de problemen binnen de recherche inzichtelijk te maken aan de hand van het verloop van het onderzoek in strafzaken waarover in de media al breed was bericht, zoals de zaken tegen H., P. en T. Die koppeling van het bekende (de strafzaken) aan de boodschap (de opsporingsproblemen) kan de controleerbaarheid en geloofwaardigheid en daarmee de zeggingskracht vergroten. In die zin draagt ook het noemen van de naam van T. en het tonen van zijn portret bij aan het hiervoor genoemde algemeen belang. Het betoog van T. dat Princen het nagestreefde doel ook had kunnen bereiken zonder zijn naam te noemen treft in zoverre dus geen doel.”

Daarbij speelde mee dat de feiten die over hem in het boek staan, al eerder waren gepubliceerd. Dat gold ook voor de beschrijving van hem als oplichter, en informatie over zijn seksuele geaardheid.

Het hof wijst nog op de bekende regel uit het Springer arrest, dat geen beroep kan worden gedaan op het recht op bescherming van reputatie als het verlies van goede naam een voorzienbaar gevolg is van het eigen gedrag, zoals het plegen van een strafbaar feit. “Die publiciteit was in dit geval extra goed te voorzien vanwege de bekendheid van ten minste één slachtoffer van de door [appellant] gepleegde strafbare feiten, te weten [de weduwe Endstra]. Niet in geschil is dat [slachtoffer] als de weduwe van Endstra kan worden gekwalificeerd als een publiek persoon.”

Bovendien ging T om met tal van andere bekende Nederlanders en trok hij daarom ook zelf aandacht van de media. Dat gedrag van brengt ook mee dat zijn beroep op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer minder zwaarder weegt.

Er is T geen wederhoor geboden, maar dat is ook geen absoluut recht en het ontbreken ervan maakt de publicatie niet onrechtmatig.

Het beroep op de Wbp wordt eenvoudig afgeserveerd; de uitingsvrijheid weegt hier zwaarder dan de belangen die de Wbp beschermt.

Ook over all weegt de uitingsvrijheid zwaarder dan de het recht op privacy waar T zich op beroept. Zijn vorderingen worden afgewezen.

 

 

 

Conviction for performance-art protest at war memorial did not violate Article 10

Door Redactie

* Guest post by prof. Dirk Voorhoof, Ghent University and Ronan Ó Fathaigh.

The European Court’s Fourth Section has held, by four votes to three, that a protestor’s conviction, including a suspended three-year prison sentence, for frying eggs over the flame of a war memorial, did not violate the protestor’s freedom of expression. The judgment in Sinkova v. Ukraine prompted a notable dissent, which highlighted “inconsistency” with the Court’s prior case law, and a disregard for the principle that criminal penalties are likely to have a “chilling effect on satirical forms of expression relating to topical issues.”

Facts and domestic proceedings

he case concerns Anna Olegovna Sinkova, acting as a member of the artistic group St. Luke Brotherhood. In December 2010, Sinkova and three group members decided to protest “against wasteful use of natural gas by the State while turning a blind eye to poor living standards of veterans,” and staged an artistic performance at a war memorial in central Kyiv. The performance involved Sinkova frying eggs over the Eternal Flame at the Tomb of the Unknown Soldier. A member of the group also filmed the performance. Two police officers had approached the group and remarked that their behaviour was “inappropriate,” but they made no further interference.

Sinkova posted the video of her performance online as an act of protest, with the commentary that “precious natural gas has been being burned, pointlessly, at the Glory Memorial in Kyiv for fifty-three years now. This pleasure costs taxpayers about 300,000 hryvnias per month.” Following the video’s publication, a number of complaints were made to the police. In late March 2011, Sinkova was arrested, and charged with “desecration of the Tomb of the Unknown Soldier,” which is an offence under Article 297 of Ukraine’s Criminal Code. The District Court granted a request for Sinkova’s pre-trial detention, as she was accused of a “serious offence punishable by imprisonment of from three to five years.”

Following three months in pre-trial detention, Sinkova was convicted of the offence. The District Court held that Sinkova’s argument that her performance had not been meant to desecrate the tomb “had no impact on the legal classification of her actions,” and the “deliberate acts” showed “disrespect for the burial place of the Unknown Soldier.” The District Court imposed a three-year prison sentence, which was suspended for two years. The conviction was upheld on appeal, with the Kyiv City Court of Appeal rejecting Sinkova’s argument that there had been a violation of her right to freedom of expression, ruling that her conviction was “in accordance with the law and pursued a legitimate aim.”

Violation of Article 5 (right to liberty), no violation of Article 10

Sinkova subsequently made an application to the European Court, claiming her pre-trial detention had violated her right to liberty under Article 5, and her conviction had violated her right to freedom of expression. On Article 5, the Fourth Section unanimously found three separate violations concerning her pre-trial detention, including that the courts “had maintained her detention on grounds which cannot be regarded as sufficient,” and even finding her detention in June 2011 “was not covered by any judicial decision.” However, on Article 10, the Fourth Section, divided four votes to three, found that there had been no violation of Sinkova’s freedom of expression.

The majority judgment noted that the interference with Sinkova’s Article 10 right to freedom of expression was based on the sufficiently precise criminal code provision on “desecration;” and that the conviction pursued the legitimate aim of “protecting morals and the rights of others.” The main question was whether the conviction had been “necessary in a domestic society.

The reasoning of the majority

The majority held that Sinkova was prosecuted and convicted “only” on account of frying eggs over the Eternal Flame. The majority pointed out that she had not been charged over the video, nor the content of the “rather sarcastic and provocative text” in the video. Thus, the applicant “was not convicted for expressing the views that she did,” but rather her conviction “was a narrow one in respect of particular conduct in a particular place,” (citing Maguire v. UK) and based on a “general prohibition of contempt for the Tomb of the Unknown Soldier forming part of ordinary criminal law.”

Second, while the majority admitted that the domestic courts “paid little attention to the applicant’s stated motives given their irrelevance for the legal classification of her actions,” it noted that the courts “did take into account the applicant’s individual circumstances in deciding on her sentence.”

Third, the majority rejected Sinkova’s argument that her conduct could not be reasonably interpreted as contemptuous towards those the memorial honoured, with the Court noting that “eternal flames are a long-standing tradition in many cultures and religions most often aimed at commemorating a person or event of national significance.” The majority held that there were many “suitable” opportunities for Sinkova to express her views, or participate in “genuine” protests, without breaking the criminal law, and without “insulting the memory of soldiers who perished and the feelings of veterans.”

Finally, the majority examined the “nature and severity of the penalty,” and noted the conclusion in Murat Vural v. Turkey, that “peaceful and non-violent forms of expression in principle should not be made subject to the threat of a custodial sentence.” However, the majority observed that in contrast to Murat Vural, where the applicant was imprisoned for over 13 years, Sinkova was “given a suspended sentence and did not serve a single day of it.” The majority thus held there had been no violation of Article 10.

The dissent

Notably, three judges dissented, including Judge Ganna Yudkivska, the judge elected in respect of Ukraine. The dissent found a violation of Article 10, including the domestic courts’ failure to address the “purpose of the applicant’s performance,” and the disregard of the performance’s satirical nature. The dissent also referred to the established principle in the Court’s case law that freedom of expression “is applicable not only to ‘information’ or ‘ideas’ that are favourably received or regarded as inoffensive or as a matter of indifference, but also to those that offend, shock or disturb the State or any sector of the population.” Further, the dissent noted an “inconsistency” in the majority’s position and the Court’s prior case law that a suspended prison sentence is “likely to have a chilling effect on satirical forms of expression.” Given “the lack of adequate assessment by the national authorities of the applicant’s performance from the standpoint of Article 10 of the Convention,” and the “complete disregard of its satirical nature,” in addition to the “disproportionate nature of the sentence,” the dissenting judges found that Article 10 was violated in the present case.

Comment

It must be reiterated at the outset that the Fourth Section unanimously found three separate violations of Article 5 over Sinkova’s three-month detention before trial. However, this should not take away from the serious questions that arguably lie over the majority’s conclusion that the prosecution and conviction did not violate Article 10. The first point concerns the majority’s finding that Sinkova “was not convicted for expressing the views that she did,” nor for the “distribution by her of the respective video,” but was convicted “only” on account of frying eggs over the memorial flame. However, this idea of completely stripping the performance of all meaning and context does not seem consistent with the Court’s case law. On this point, and most curiously, the majority fails to apply, or even cite, the unanimous 2012 judgment in Tatár and Fáber v. Hungary, which is arguably directly relevant, and similarly concerned a “provocative performance.”

In Tatár and Fáber, two protestors had been prosecuted for a “regulatory offence” for hanging dirty laundry on the fence of the Hungarian parliament, as a protest “to hang out the nation’s dirty laundry.” Notably, the Court in Tatár and Fáber rejected the government’s argument that that the protestors had “not been” sanctioned for “expressing their political views,” but only for “failure to respect” a notification rule. The Court held that the performance was a form of “artistic and political expression.” Restrictions on such speech are subject to the Court’s highest scrutiny, and must be “convincingly established.” Similar to the protest in Sinkova, the Court in Tatár and Fáber found it crucial that the “political performance” in question was “intended to send a message through the media.” The Court unanimously found a violation of Article 10, concluding that even an administrative sanction, “however mild,” on the authors of such artistic and political expressions, can have “an undesirable chilling effect on public speech.”

It is difficult to see how the Sinkova majority’s findings square with Tatár and Fáber, given that the performance was similarly “artistic and political” expression, concerned a matter of public interest, with the performance filmed “to send a message” through online media. Rather than apply Tatár and Fáber (and other relevant judgments such as Murat Vural v. Turkey, Shvydka v. Ukraine, Navalnyy and Yashin v. Russia, Novikova and others v. Russia), the Sinkova majority curiously relied upon a single admissibility decision, namely Maguire v. UK, as its sole authority. However, it is quite difficult to see how the decision in Maguire is applicable, given that its fact are arguably so far removed from Sinkova, concerning an arrest for displaying the initials of a terrorist organisation on a jumper at a football match prone to “sectarian violence.” Crucially, the Court in Maguire accepted that the jumper was likely “to give rise to a substantial risk of violence,” and the purpose of the prosecution was the “prevention of disorder and crime.” In contrast, there was no risk of public disorder in Sinkova, the police officers had not considered it necessary to interfere with the protest beyond a “remark,” and the purpose of the prosecution had been the “protection of morals and the rights of others.”

The second major point relates to the majority’s finding that it was acceptable under Article 10 that the “the domestic courts paid little attention to the applicant’s stated motives given their irrelevance for the legal classification of her actions.” However, it is highly questionable that such disregard for Sinkova’s intention is consistent with the Court’s case law. Indeed, on several occasions when finding a violation of Article 10, the Court explicitly took into consideration the intention of the applicant, rather than the mere fact of the criminal offence (see e.g. Thorgeir Thorgeirson v. Iceland, Jersild v. Denmark, Morice v. France and Perinçek v. Switzerland). Thus, in Tatár and Fáber the Court took into account that the political performance “was intended to send a message.” The Court was even more explicit in Murat Vural v. Turkey, holding that “in light of its case-law,” assessment “must be made” of the “purpose or the intention of the person performing the act or carrying out the conduct in question.” Similarly, and most recently, in Stern Taulats and Roura Capellera v. Spain, concerning a prosecution for burning in public a photograph of the Spanish king and queen, the Court took into account the protestor’s “intention” not to incite violence. The Court found in particular that the setting fire to a photograph of the royal couple during a demonstration had been part of a political critique of the institution of monarchy in general, and in particular of the Kingdom of Spain. It also noted that it was one of those provocative “events” which were increasingly being “staged” to attract media attention, and which went no further than the use of a certain permissible degree of provocation in order to transmit a critical message in the framework of freedom of expression.

The third point concerns the majority’s holding that “there were many suitable opportunities for the applicant to express her views or participate in genuine protests,” without “breaking the criminal law,” and “insulting the memory of soldiers” and “feelings of veterans.” However, this approach arguably turns the logic of Article 10 upside down and reverses the burden of proof: it is not up to the individual to show that breaching the law was necessary, it is up to the State to justify that applying the criminal law was necessary in a democratic society. Considering that there were other means of expression available, is no valid argument to end Article 10 scrutiny. As a matter of fact, there are always other forms or channels available to express an opinion or formulate a criticism. No authority was offered for this limiting principle by the Sinkova majority, and arguably offends the Court’s seminal principle that Article 10 protects “not only the substance of the ideas and information expressed but also the form in which they were conveyed” (Murat Vural, para. 44). Indeed, in Women on Waves and Others v. Portugal the Court held that for “symbolic protests,” the “mode of dissemination” is of “such importance” that restrictions may “substantially affect the substance of the ideas and information in question.”

Further, the majority’s framing of the issue that Sinkova broke “the criminal law,” leads in a problematic way to the justification of the interference with her freedom of expression rights under Article 10. In Tatár and Fáber, the Court reiterated that the performance’s “classification in national law has only relative value and constitutes no more than a starting-point.” It is indeed up to the government to “convincingly establish” the necessity for interfering with freedom of expression, and not simply point to a law, with the scrutiny ending there. The Court needs to assess the legitimate aim behind the prosecution, which in Sinkova was “protection of morals,” and more particularly, protecting against “insulting the memory of soldiers” and “feelings of veterans.” However, it is highly questionable that the aim of protecting the memory of soldiers from insult, and the feelings of veterans, outweighs Sinkova’s freedom of expression, given that it (a) was a “political and artistic performance,” subject to the highest protection of Article 10, (b) concerned a matter of public interest (“wasteful use of natural gas” and “poor living standards of veterans”), (c) did not involve violence, and (d) had no intention to insult or hurt. On this latter point, the Grand Chamber in Perinçek v. Switzerland, concerning insult to the memory of Armenians, held that the applicant “did not express contempt or hatred for the victims,” and did not “use abusive terms.” In other cases (Alekseyev v. Russia and Sergey Kuznetsov v. Russia) the Court found that any measures interfering with the freedom of assembly and expression “other than in cases of incitement to violence or rejection of democratic principles – however shocking and unacceptable certain views or words may appear to the authorities – do a disservice to democracy and often even endanger it”.

The fourth point concerns the majority distinguishing the principle from Murat Vural that “peaceful and non-violent forms of expression in principle should not be made subject to the threat of a custodial sentence,” because the applicant in Sinkova was only given a suspended sentence and “did not serve a single day of it.” However, Murat Vural was only applying an earlier principle, which had been established in two earlier cases of Pekaslan and Others v. Turkey, and Yılmaz Yıldız and Others v. Turkey, where it was held that a peaceful demonstration should not, in principle, be made subject to the threat of a “penal sanction.”

Notably, in Pekaslan the protestors were prosecuted, and “subsequently acquitted,” (para. 81) while in Yılmaz Yıldız the protestors only received “administrative fines” (para. 46). Moreover, in Akgöl and Göl v. Turkey, the Court found that a suspended 15-month prison sentence violated Article 10, as a peaceful demonstration should not, in principle, be made subject to the threat of a “penal sanction” (para. 43). Thus, on the basis of Pekaslan, Yılmaz Yıldız, and Akgöl and Göl, it is difficult to see how the suspended three-year prison sentence in Sinkova is consistent with Article 10. Finally, the majority seems to completely neglect the fact the Sinkova spent three month in pre-trial detention, and in Taranenko v. Russia, the Court, in considering a suspended three-year prison sentence, also took into account the “period of detention pending trial” in finding a violation of Article 10. The emphasis by the majority that Sinkova “did not serve a single day” of the suspended prison sentence, completely disregards the fact that she spent effectively three months in prison.

A case for the Grand Chamber?

The Sinkova judgment raises a set of serious questions affecting the interpretation and application of the Convention. It also touches upon a serious issue of general importance, justifying a referral to the Grand Chamber (Article 43 ECHR). It is worth remembering that in 2003, something very similar to the Sinkova judgment happened: a divided Second Section, by four votes to three, in Cumpănă and Mazăre v. Romania held that seven-month prison sentences imposed on two journalists did not violate Article 10, as “they did not serve their custodial sentences.” However, in an unanimous judgment, the 17-judge Grand Chamber of the Court set aside the Chamber judgment, and held in no uncertain terms, that a prison sentence, “by its very nature, will inevitably have a chilling effect,” on freedom of expression, and crucially, “the fact that the applicants did not serve their prison sentence does not alter that conclusion.” One could imagine that, after a successful request for referral, the Grand Chamber will similarly step into the fold in Sinkova, and set aside the Fourth Section’s judgment. We share the concern expressed in the dissent that the judgment in Sinkova v. Ukraine holds a “real risk of eroding the right of individuals to voice their opinions and protest through peaceful, albeit controversial, means.”

 

*Dirk Voorhoof, Human Rights Centre Ghent University (Belgium),  Legal Human Academy and member the European Centre for Press and Media Freedom (ECPMF, Germany)

Pretium verliest weer slag van journalist Olsthoorn

Door Jens van den Brink

Journalist Peter Olsthoorn doet al geruime tijd onderzoek naar Pretium. Pretium gebruikt nogal onconventionele manieren om dat onderzoek tegen te werken. Pretium  wilde dat Olsthoorn werd verboden verder onderzoek te doen voor een boek over Pretium, waaronder onderzoek naar de banden van Pretium met fondsenwerver Delphi, dat in het verleden ook fondsen wierf voor instanties als de Hartstichting, de Maag Lever Darmstichting, de Stichting Vluchteling en de Nierstichting. Pretium vond dat Olsthoorn hen stalkte en door uitlokking belastend materiaal over Pretium probeerde te vergaren. Pretium, haar directeur en Delphi startten een bodemprocedure waarin zij onder meer vorderden dat Olsthoorn op straffe van een dwangsom zou worden verboden personen uit de kring rond Pretium te benaderen met suggestieve vragen. Ook vroegen ze een verklaring voor recht dat Olsthoorn onrechtmatig had gehandeld. De rechtbank wees eerder de vorderingen van Pretium af. Het hoger beroep tegen die uitspraak heeft Pretium ingetrokken.

Maar daarmee was de strijd niet gestreden. Kort na het bodemvonnis van de rechtbank, heeft Olsthoorn een aantal concept-hoofdstukken van voorgenomen publicaties aan Pretium voorgelegd in het kader van wederhoor. Vanaf 30 oktober 2016 heeft Olsthoorn op de website van onder meer Reporters Online delen van een “webboek” over Pretium gepubliceerd, genaamd “Dossier Pretium”. Pretium vond dat die publicaties onrechtmatig waren en startte een kort geding tegen Olsthoorn. De voorzieningenrechter wees de vorderingen van Pretium c.s. af bij vonnis van 29 november 2016. Daartegen is Pretium in beroep gegaan.

Pretium klaagt vooral over publicatie van privé gegevens van hemzelf (de directeur) en van mensen uit zijn familie- en kennissenkring, en over de ‘suggestieve’ stijlfiguren. Het hof overweegt dat die passages maar een klein deel vormen van het “Dossier Pretium”.  De gevorderde verwijdering van het gehele “Dossier Pretium” kan daarom niet worden toegewezen. “Ook als het hof er veronderstellenderwijs van uit gaat dat het “Dossier Pretium” passages bevat die geen toegevoegde waarde hebben voor het publiek debat en die op zichzelf beschouwd als onrechtmatig jegens Pretium en/of [appellant 2] moeten worden aangemerkt, hetgeen [geïntimeerden] overigens gemotiveerd betwisten, dan nog rechtvaardigt dit niet de veroordeling van [geïntimeerden] tot verwijdering van (onder meer) het gehele “Dossier Pretium”. De inbreuk op de vrijheid van meningsuiting dient niet verder te gaan dan strikt noodzakelijk is om een eventuele onrechtmatigheid op te heffen. Anders dan het geval is bij een gewoon boek dat in drukvorm is verschenen en in winkels ter verkoop wordt aangeboden, is het bij een op internet gepubliceerd (omvangrijk) webboek als hier aan de orde eenvoudig mogelijk om eventuele onrechtmatigheden in de voor een lezer toegankelijke inhoud aan te passen of te verwijderen, zonder dat hiervoor de algehele verwijdering van het werk nodig is. Nu Pretium c.s. expliciet geen aanpassing of schrapping van bepaalde passages vorderen, maar verwijdering van het gehele werk van [geïntimeerde 1] , zijn deze vorderingen niet toewijsbaar.” Het hof verwerpt het beroep van Pretium.

Olsthoorn heeft een aantal incidentele grieven ingesteld. Die worden allemaal afgewezen. Anders dan Olsthoorn stelt, heeft de Pretium directeur volgens het hof wel een eigen belang bij de bescherming van de privacy van de mensen die zich in zijn privéleven bevinden, en beperkt dat zich dus niet tot zijn eigen privacy. Ook zou de directeur, anders dan Olsthoorn stelt, geen publiek figuur zijn. Want, hij is niet iemand die “regelmatig in de publiciteit komt, bijvoorbeeld door eigen publicaties, optredens in de media, het geven van interviews, het aanschuiven bij praatprogramma’s en dergelijke.” Dat is naar onze mening een te beperkte definitie van ‘publiek figuur’, die ten onrechte zou betekenen dat iemand niet tegen zijn wil (bekende criminelen) publiek figuur zou kunnen worden, of simpelweg door de positie die hij/zij bekleed, zonder daarnaast de publiciteit te zoeken.

De Geoblocking Verordening is definitief!

Door Martine de Koning

Op 28 februari jl. heeft Europa de Geoblocking Verordening aangenomen. Het Europees Parlement, de Europese Commissie en de lidstaten hebben een gezamenlijk akkoord bereikt. Discriminatie van klanten op websites op grond van hun nationaliteit, verblijfplaats of plaats van vestiging wordt verboden. Diensten voor het streamen van auteursrechtelijk beschermde muziek, e-boeken, online games en software vallen (vooralsnog) niet onder de verordening. Overeenkomstig de dienstenrichtlijn valt ook een aantal andere diensten, zoals financiële en audiovisuele diensten, diensten in verband met vervoer en gezondheidszorg, en maatschappelijke diensten, buiten het toepassingsgebied van de verordening.

Wat is geoblocking?

Geoblocking is het verhinderen dat klanten toegang hebben tot (de aankoop van) producten of diensten op een website in een andere lidstaat of hen daarbij discrimineren. Uit marktonderzoek van de Europese Commissie blijkt dat meer dan de helft (63%) van webwinkels aan geoblocking doet. Bijvoorbeeld als een klant geen online betaling kan verrichten, registratie op de website wordt geweigerd of een aankoop geblokkeerd omdat vanuit een andere lidstaat wordt besteld. Dit beperkt e-commerce op de interne markt ten nadele van consumenten en bedrijven.

Wat is nu precies verboden?

De Verordeningverbiedt (prijs)discriminatie in drie gevallen: toegang tot goederen en diensten, websitetoegang en betalingstransacties. Aanbieders mogen toegang tot hun website niet blokkeren of klanten re-routen, tenzij de klant hiervoor expliciet toestemming geeft, en ook geen verschillende betalingsvoorwaarden toepassen op basis van nationaliteit, verblijfplaats of plaats van vestiging.

Toegang tot goederen en diensten

Het verbod op discriminatie bij toegang tot goederen en diensten geldt ook in drie gevallen.

  • voor diensten als autoverhuur of hotelovernachting, waar de klant gebruik van wil maken in het land waar de handelaar actief is;
  • voor langs elektronische weg verstrekte diensten zoals clouddiensten of gegevensopslag;
  • én voor goederen die worden geleverd in een lidstaat waarnaar de handelaar levering aanbiedt of die worden opgehaald op een met de klant overeengekomen locatie.

Een klant in Nederland mag dus niet belemmerd worden een online aankoop te doen van een leverancier gevestigd in Duitsland, indien de handelaar levering in Nederland aanbiedt. Dit moet ook voor dezelfde prijs, tenzij een prijsverschil non-discriminatoir is, bijvoorbeeld gerechtvaardigd door het verschil in transport- of afleverkosten. Als de handelaar geen levering in Nederland aanbiedt, moet de leverancier de producten wel verkopen aan deze klant maar hoeft hij het product niet in Nederland af te leveren.

In tegenstelling tot prijsdiscriminatie blijft prijsdifferentiatie of differentiatie in de algemene voorwaarden toegestaan.

Verhouding tot het mededingingsrecht

Beperkingen van actieve verkoop in de zin van de groepsvrijstellingsverordening (nr. 330/2010) en het kartelverbod in artikel 101 VWEU vallen buiten het verbod op ongerechtvaardigde geoblocking. In geval van conflict met het mededingingsrecht zal de Verordening voorrang krijgen.

Vanaf wanneer moet mijn website hieraan voldoen?

De Verordening treedt op 3 december 2018 in werking. Voor details, zie de persberichten van de Raad van de EU en de Europese Commissie.

Meer weten over de aankomende veranderingen? Neem gerust contact op met Martine de Koning (Martine.de.Koning@kvdl.com), advocaat, partner en hoofd van de sectie Commercial. Wij zijn gespecialiseerd in advies, contracten en geschillen op het gebied van e-commerce, inkoop, franchise, distributie, agentuur en mededinging.’

Focus toezicht Commissariaat voor de Media 2018: online domein en onafhankelijkheid media-aanbod

Door Emiel Jurjens

Het Commissariaat voor de Media (“CvdM”) heeft zijn jaarlijkse Toezichtbrief gepubliceerd met een bepaling van de focus van zijn toezicht op de media in 2018. In 2017 lag de focus sterk op ontwikkelingen online en ook in 2018 zal het CvdM zijn toezicht hierop in het bijzonder richten. De aandacht ligt daarbij onder meer op bewustwording over fake news, actie tegen haatzaaiende content en het monitoren van sluikreclame en productplaatsing in online media-aanbod. In het kader van deze focus doet het CvdM samen met de Autoriteit Consument & Markt onderzoek naar de gevolgen van digitalisering op het medialandschap, waarbij onderwerpen als fake news en de nieuwsvoorziening via online platforms aan de orde zullen komen.

Daarnaast is er een tweede toezichtthema, namelijk de onafhankelijkheid van het media-aanbod. In dit verband zal het CvdM onder meer extra aandacht geven aan het voorlichten van externe partijen die content maken voor de publieke omroep en het waar nodig handhavend optreden. Verder kondigt het CvdM aan dat het in gesprekken met landelijke, regionale en lokale media-instellingen deze zal wijzen op de mogelijkheden die de wet biedt voor publiek-private samenwerking.

The right of journalistic newsgathering during demonstrations

Door Redactie

*Guest post by prof. Dirk Voorhoof, Ghent University and Daniel Simons, Greenpeace International.

In a case about a Ukrainian journalist being arrested during an anti-globalisation protest in Russia, the European Court of Human Rights (ECtHR) in Butkevich v. Russia (13 February 2018) has clarified that the gathering of information is an essential preparatory step in journalism and an inherent, protected part of press freedom. The ECtHR found that the arrest, prosecution and conviction of the journalist had violated his right to freedom of expression under Article 10 of the European Convention of Human Rights (ECHR). The ECtHR also found violations of Article 5 § 1 (right to liberty) and of Article 6 § 1 (right to a fair trial). This blog focuses on the aspects of journalism and freedom of expression under Article 10 ECHR, and in relation to the right of peaceful demonstration under Article 11 ECHR. The judgment offers important support to journalists covering public events, demonstrations and police actions, especially after the disappointing outcome in the case of Pentikäinen v. Finland.

The facts

The case concerns the arrest and conviction of Maksim Aleksandrovich Butkevich, who was covering an anti-globalisation protest in July 2006 in St Petersburg. While observing and photographing the demonstration and police efforts to disperse it, two officers approached the journalist and ordered him to cease his “unlawful actions”. As Butkevich continued taking pictures, he was taken to the police station and formally detained. Administrative offence proceedings were brought against him for disobeying a lawful order. The same evening he was heard by a judge, convicted as charged, and sentenced to three days’ detention. Two days later the appeal court reduced this sentence to two days and ordered his immediate release.

Butkevich lodged a complaint before the ECtHR, alleging that his administrative arrest and delayed release from detention had been unlawful (breach of Article 5 § 1 ECHR); that he had not been given a fair trial by an impartial court (breach of Article 6 § 1 ECHR) and that his freedom of expression had been interfered with in an unlawful and disproportionate manner (Article 10 ECHR). Third-party submissions were made by the Ukrainian Government and by the Media Legal Defence Initiative, ARTICLE 19, and the Mass Media Defence Centre.

 The Court’s judgment

The Government’s position was that while Butkevich considered himself as a journalist, he had in fact taken part in an unlawful event as a demonstrator. The ECtHR however agrees that Butkevich was acting as a journalist, and that the case should be analysed under Article 10 ECHR (freedom of expression). While he was not on a journalistic assignment from any media outlet on the day, the ECtHR considers it relevant that his aim was to collect information and photographic material relating to a public event and to impart them to the public via means of mass communication. Whether Butkevich identified himself as a journalist in a timely and adequately manner may also be pertinent, but to assess the justification for the authorities’ actions, rather than to his status as journalist.

Accordingly, the ECtHR does not examine whether the measures taken against Butkevich are compatible with Article 11 ECHR (freedom of peaceful assembly). Nevertheless, it does find it appropriate to take the general principles established under Article 11 into account in this case, given the close link between freedom of expression and assembly in cases relating to public events.

As regards the pre-trial deprivation of Butkevich’s liberty in the police station, the ECtHR refers to its findings in respect of Article 5 § 1 ECHR, in which the ECtHR emphasizes that it was incumbent on the domestic authorities to ascertain that the deprivation of liberty was “reasonably considered necessary” in the circumstances of the case “to prevent [a person from] committing an offence or fleeing after having done so”. It also considers that the Russian authorities should have borne in mind that the measure had been applied in the context of an administrative offence and, possibly, in the context of the exercise of a fundamental right or freedom, such as freedom of expression or freedom of peaceful assembly. As the Russian authorities had not provided any justification for the administrative arrest of Butkevich, the ECtHR concludes that this aspect of interference with the journalist’s right to freedom of expression was not “prescribed by law” within the meaning of Article 10 ECHR.

With regard Butkevich’s prosecution and sentence of administrative detention, the ECtHR accepts the legality of the interference pursuing the legitimate aim of prevention of disorder, but it does not accept that these were necessary in a democratic society, in accordance with Article 10 § 2 ECHR. The ECtHR recognises that the media fulfil an important task in a democratic society, when providing information on the authorities’ handling of public demonstrations and the containment of disorder. Therefore any attempt to remove journalists from the scene of demonstrations must be subject to “strict scrutiny”. This also applies to ensuing measures, such as prosecution for an alleged offence.

While the ECtHR notes that the legitimate aim of preventing disorder weighed heavily in Pentikäinen v. Finland (see also our blog), it is of the opinion that the present case was different in this respect, as there was nothing in the case file confirming that the demonstration was not peaceful or had turned violent.

According to the ECtHR the domestic authorities should also have questioned and investigated, already at the pre-trial stage, whether Butkevich’s alleged actions were excusable or otherwise mitigated, given his argument that he had been acting as a journalist. As the ECtHR is of the opinion that the domestic decisions did not contain an adequate assessment of this aspect of the case, and as the Russian authorities had not produced any relevant and pertinent reasons in order to justify the prosecution and conviction of Butkevich, it comes to the conclusion, unanimously, that the journalist’s right to gather information has been violated. The ECtHR finally considers that it was not necessary in the present case to make further findings concerning Butkevich’s removal from the venue of the demonstration.

In application of Article 41 ECHR, the ECtHR awarded Butkevich 7,000 EUR in respect of non-pecuniary damage, and 2,000 EUR for costs and expenses.

Comments
The judgment in Butkevich v. Russia  offers important support to journalists covering demonstrations and police actions, especially after the disappointing outcome in the case of Pentikäinen v. Finland. In that ruling, the ECtHR already stated that any attempt to remove journalists from the scene of demonstrations must be subject to “strict scrutiny”, but a majority of the Court seemed to reserve the closest scrutiny for the applicant’s conduct, faulting him for ignoring police dispersal orders and for not wearing distinctive clothing.

In this case, the European Court’s emphasis is on the fact that the gathering of information is an essential preparatory step in journalism, solidly protected as a part of press freedom, and on the fact that media fulfil an important task in a democratic society when providing information on the authorities’ handling of public demonstrations.

The judgment also implies that it is not required for journalists to wear distinctive clothing or press badges during public gatherings in order to claim Article 10 ECHR protection. Importantly, the Court leaves no doubt that Butkevich was acting as a journalist, even though he was not on assignment for a media outlet. It considers his intention to collect and disseminate information and photographic material decisive. This reflects a functional and open approach to the notion of a journalist, comparable with the Court’s approach in other cases in which it attached particular weight to the applicant’s role as a journalist or as a social watchdog or non-governmental organisation, informing or reporting about matters of public interest (see Magyar Helsinki Bizottság v. Hungary, GC 8 November 2016, §§ 164-168).

The Court’s recognition that Article 10 ECHR must be read in light of Article 11 ECHR is also a helpful development. A relevant principle developed under Article 11 is that the unlawfulness of a peaceful assembly does not justify its dispersal. Translated to Article 10 ECHR, this principle implies that authorities should not interfere with the work of journalists merely on the grounds that the assembly they are documenting is considered unlawful. The ECtHR  does not draw this connection in Butkevich v. Russia, but has opened the door to doing so in future. A pending case to watch is Bryan and Others v. Russia, in which two of the applicants are freelance journalists who were charged with piracy alongside Greenpeace activists, after joining their boats during a protest at sea. Furthermore, the fact that a demonstration is unlawful or turns into riots and police action, might even increase the relevance of media coverage and journalistic reporting. It is a missed opportunity however that the Court only focussed on the prosecution and conviction of the journalist and that after finding a violation of Article 10 ECHR relating these aspects, it considered that it did not need to make further findings concerning Butkevich’s removal from the venue of the demonstration.

Finally we like to draw the attention on the third-party intervention by the Ukrainian government, in support of the applicant journalist claiming protection under the ECHR. This is probably not the kind of third party interventions by state parties the drafters of the Draft Copenhagen Declaration of 5 February 2018 had in mind calling upon the states parties to “increase coordination and co-operation on third-party interventions” (para. 40). But there is certainly room for more of this kind of third-party interventions by state parties in support of (alleged) victims of violations of the European Convention’s rights and freedoms. Paraphrasing the Court’s opinion on the draft Copenhagen Declaration, the option for this kind of third-party interventions by states “does not appear to be used to its fullest potential” (para. 16, see also Strasbourg Observers blogs on this issue).

This post was previously published on Strasbourg Observers.

*Dirk Voorhoof, Human Rights Centre Ghent University (Belgium),  Legal Human Academy and member the European Centre for Press and Media Freedom (ECPMF, Germany)

Daniel Simons, Legal Counsel Communications, Greenpeace International

KVdL Update: Seminar Mediarecht 2018

Door Redactie

 

Op 22 maart 2018 is het weer tijd voor ons jaarlijkse KVdLSeminar Mediarecht.

Ons mediateam praat je in één middag bij over de belangrijkste actualiteiten in het mediarecht. Wat kun je verwachten? Natuurlijk een overzicht van de laatste Europese en Nederlandse jurisprudentie op het gebied van het auteursrecht en persrecht. En bijzondere aandacht voor fake news, #metoo en het uitbreiden van het toezicht op de media.

We zijn verheugd met de komst van gastspreker Willem Korthals Altes, seniorrechter in de rechtbank Amsterdam en specialist op het gebied van vrijheid van meningsuiting.

Datum en tijd
Het KVdL Seminar Mediarecht wordt gehouden op donderdag 22 maart 2018 van 13.30 tot 17.00 uur in Het Ketelhuis in het Westerpark, Pazzanilaan 4 in Amsterdam.

Programma 

13.30 – 14.00 uur Ontvangst
14.00 – 14.45 uur Internetkwesties en (online) auteursrecht – Joran Spauwen en Sophie van Loon
14.45 – 15.30 uur Update onrechtmatige publicaties – Jens van den Brink en Christien Wildeman
15.30 – 15.45 uur Pauze
15.45 – 16.15 uur Privacy in de maatschappij en in de rechtspraak, aparte werelden of niet? – Willem Korthals Altes, seniorrechter rechtbank Amsterdam
16.15 – 16.45 uur Actualiteiten mediaregulering / uitbreiding toezicht op de media – Christien Wildeman en Emiel Jurjens
16:45 – 17:00 uur Fake news quiz
Vanaf 17.00 uur Borrel met muziek (en cocktailbar!)

Locatie

Het Seminar vindt plaats in het Ketelhuis Westerpark, Pazzanistraat 4 in Amsterdam.

Aanmelden

Relaties die nog geen uitnodiging hebben ontvangen, en wel willen komen, kunnen contact opnemen met Patricia Linscheer, via patricia.linscheer@kvdl.com. Er is een beperkt aantal plaatsen beschikbaar dus wees er snel bij.

Hartelijke groeten,

Namens het gehele team: IE & Media

Jens van den Brink
Christien Wildeman
Sophie van Loon
Joran Spauwen
Emiel Jurjens

Ryanair kan scrapen niet met browse-wrap verbieden

Door Eva Vermeulen

Er lijkt een voorlopig einde te zijn gekomen aan de lange databankenzaak tussen Ryanair en prijsvrgelijkingssite Wegolo van PR Aviation. Kort samengevat stelt Ryanair screen scraping van haar vluchtdata – en dan met name de prijzen – niet op prijs en verbiedt dit in de gebruiksvoorwaarden op haar website. Als PR Aviation toch grote delen van de databank gebruikt voor prijsvergelijking op Wegolo, komt de vraag aan de orde of Ryanair zich op het zogenaamde databankrecht kan beroepen. Dit blijkt niet het geval. En passant wordt in deze rechtspraak trouwens ook een einde gemaakt aan de geschriftenbescherming. Zo komt het geschil uiteindelijk bij het Hof van Justitie EU dat moet beoordelen of Ryanair het gebruik van haar niet-beschermde databank wel contractueel mag beperken. Dergelijke contractuele beperkingen zijn namelijk in het geval van beschermde databanken verboden. Het Hof EU bevestigt dat het verbod alleen ziet op beschermde databanken en laat Ryanair dus in principe vrij het gebruik van haar site contractueel te beperken. De Hoge Raad draagt vervolgens het Gerechtshof Den Haag op te onderzoeken of een dergelijke contractuele beperking in het geval van Wegolo van kracht is.

Om precies te zijn staat nu de vraag centraal of de rechtmatige contractuele beperkingen van Ryanair in de vorm van hun gebruiksvoorwaarden door PR Aviation zijn aanvaard. Om dit te bepalen, kijkt het Hof naar de opzet van de gebruiksvoorwaarden in de periode dat PR Avation daarmee akkoord zou zijn gegaan. Het Hof neemt aan dat Ryanair zijn gebruiksvoorwaarden aanbood door middel van browse-wrapping: De voorwaarden staan dan – vaak onderaan in kleine lettertjes – op de website vermeld en je kunt ze raadplegen door op een hyperlink te klikken. Relevant, want bij browse-wrapping zal minder snel sprake zijn van aanvaarding; er is tenslotte geen specifieke aanvaardingshandeling voor nodig. Browse-wrapping moet overigens niet verward worden met click-wrapping – de wijze van online contracteren die hierboven is afgebeeld (en tegenwoordig wordt gebruikt door Ryanair).

Aanvaarding is in deze zaak dubbel belangrijk: ten eerste om te bepalen of de rechtskeuze voor Iers recht is aanvaard en ten tweede om te bepalen of de gebruiksvoorwaarden überhaupt zijn aanvaard.

Gelukkig voor PR Aviation dat het Ierse recht een vergelijkbare toets voor het aanvaarden van een overeenkomst kent als het Nederlandse artikel 3:35 BW. Denkt een redelijk persoon, objectief gezien, dat PR Aviation de gebruiksvoorwaarden onder browse-wrapping wilde aanvaarden? Het Hof concludeert van niet. PR Aviation wilde zich zeer waarschijnlijk niet binden aan de gebruiksvoorwaarden toen zij de openbare website bezocht om gegevens te verzamelen. De overeenkomst en de rechtskeuze zijn hierdoor niet geldig aanvaard waardoor er niets in de weg stond aan het screen scrapen van de databank door PR Aviation. De vraag resteert of Ryanair’s huidige click-wrap wel volstaat.

.

Michael Jordan’s Jumpman van NIKE geen copyright infringement

Door Christien Wildeman

In 1984 maakte Jacobus Rentmeester in aanloop naar de Olympische Spelen de linker foto van de toen 21-jarige Michael Jordan voor LIFE Magazine. NIKE’s creative director verkreeg voor $150 een tijdelijke licentie de foto voor interne presentaties te gebruiken. Een paar maanden later liet NIKE zelf de rechter foto maken. Rentmeester claimde dat dit een auteursrechtinbreuk was en maakte bezwaar, waarna partijen de kwestie schikten. Nike betaalde Rentmeester $15.000 in ruil waarvoor NIKE de eigen foto twee jaar lang op posters en billboards in Noord-Amerika mocht gebruiken.

Vervolgens lanceerde NIKE in 1987 de Air Jordan schoenenlijn en
ontwierp daarvoor dit logo:

 

 

 

 

 

 

 

Over de pose voor het logo zei Michael Jordan tegenover Hoop Magazine (1997):

It’s like my logo. I wasn’t even dunking on that one. People think that I was. I just stood on the floor, jumped up and spread my legs and they took the picture. I wasn’t even running. Everyone thought I did that by running and taking off. Actually, it was a ballet move where I jumped up and spread my legs. And I was holding the ball in my left hand.

Rentmeester vond dat het logo auteursrechtinbreuk op zijn foto maakte. Hij had Jordan namelijk voor zijn foto in deze bijzondere pose gedirigeerd.

Vorige week oordeelde de 9th US Circuit Court of Appeals in een 2 tegen 1 beslissing dat de NIKE foto weliswaar “obviously inspired” was op de foto van Rentmeester, maar dat geen sprake was van auteursrechtinbreuk. Rentmeester kan de pose van Jordan niet monopoliseren en de foto’s verschillen op meer punten dan alleen op onbeduidende details:

With respect to a photograph’s subject matter, no photographer can claim a monopoly on the right to photograph a particular subject just because he was the first to capture it on film. A subsequent photographer is free to take her own photo of the same subject, again so long as the resulting image is not substantially similar to the earlier photograph. That remains true even if, as here, a photographer creates wholly original subject matter by having someone pose in an unusual or distinctive way. Without question, one of the highly original elements of Rentmeester’s photo is the fanciful (non-natural) pose he asked Jordan to assume. That pose was a product of Rentmeester’s own “intellectual invention,” […] Without gainsaying the originality of the pose Rentmeester created, he cannot copyright the pose itself and thereby prevent others from photographing a person in the same pose. He is entitled to protection only for the way the pose is expressed in his photograph, a product of not just the pose but also the camera angle, timing, and shutter speed Rentmeester chose. If a subsequent photographer persuaded Michael Jordan to assume the exact same pose but took her photo, say, from a bird’s eye view directly above him, the resulting image would bear little resemblance to Rentmeester’s photo and thus could not be deemed infringing. […]

We conclude that the works at issue here are as a matter of law not substantially similar. Just as Rentmeester made a series of creative choices in the selection and arrangement of the elements in his photograph, so too Nike’s photographer made his own distinct choices in that regard. Those choices produced an image that differs from Rentmeester’s photo in more than just minor details.

Geen auteursrecht op β€˜haters gonna hate’ – Taylor Swift wint zaak over β€˜Shake it off’

Door Eva Vermeulen

Taylor Swift komt voor de tweede keer in de rechtbank onder een beschuldiging van plagiaat uit. De zin: ‘All the players gonna play, play, play, play, play, and all the haters gonna hate, hate, hate, hate, hate’ in haar wereldberoemde nummer “Shake it off”, wekte wederom argwaan bij een collega- songwriter. Waar Swift eerder door Jesse Graham werd aangeklaagd omdat ze volgens hem de tekst van zijn nummer ‘Haters gone hate’ uit 2013 had gestolen, beklagen nu
Sean Hall en Nathan Butler zich over precies diezelfde lyrics. De tekstschrijvers van nummers voor onder andere Justin Bieber en de Backstreetboys schreven in 2001 een nummer met de titel ‘Playas Gon’ Play’ voor 3LW, een Amerikaanse meidengroep. Het refrein van dit nummer luidde: ‘Playas they gonna play, and haters they gonna hate’. Volgens Hall en Butler waren zij de eersten die deze woorden in combinatie met elkaar gebruikten in 2001.

Maar daar dacht de Amerikaanse rechter Michael Fitzgerald anders over. Het gebruik van de woorden ‘player’ en ‘hater’ samen is –ook in het jaar 2001-  zo ingeburgerd in de Amerikaanse cultuur, dat het concept geen bescherming onder de Copyright Act geniet. De rechter geeft Taylor Swift dus gelijk, maar is over het werk van beide partijen niet erg complimenteus. Volgens hem is het gebruik van de woordencombinatie eerder ´banaal´ dan ook maar een beetje creatief of origineel, waardoor het geen auteursrechtelijke bescherming kan genieten.

Sean Hall en Nathan Butler laten het er niet bij zitten en gaan in hoger beroep. Volgens hen had rechter Fitzgerald zich moeten laten inlichten door een muziekexpert, in plaats van zelf te oordelen over de originaliteit van de tekst.

EHRM: boete voor advertentie in strijd met recht op vrije meningsuiting

Door Michael Bacon

Een Litouws kledingbedrijf, Sekmadienis Ltd. plaatste onlangs een drietal advertenties voor hun nieuwe kledinglijn. Ze verschenen op straat in Vilnius en op de website van de designer. Op de advertenties zijn steeds een man met een spijkerbroek en ontbloot bovenlijf en/of een vrouw met een witte jurk te zien. Beiden hebben een aureool om hun hoofd. Onder de advertentie met de man staat de tekst ‘Jezus, what trousers!’. Onder de advertentie met de vrouw: ‘Dear Mary, what a dress!’. Op de derde advertentie zijn ze allebei te zien en is het onderschrift: ‘Jezus and Mary, what are you wearing!’.

De Litouwse consumentenrechtenautoriteit kreeg hierover ongeveer honderd klachten van burgers die deze uitingen respectloos vonden en legde het kledingbedrijf op grond van de Litouwse Reclamewet een boete op van €580 wegens strijd met de openbare zeden. Zowel de Regional Administrative Court als de Supreme administrative Court  in Litouwen hielden deze beslissing in stand. Daarop startte het kledingbedrijf een procedure bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, waarin zij onder meer betoogde dat de boete een ontoelaatbare beperking van haar recht op vrije meningsuiting betrof.

In een uitspraak van 30 januari 2018 geeft het EHRM het kledingbedrijf daarin gelijk. De advertenties komen het Hof niet onnodig grievend voor en hoewel het beschermen van de publieke moraal en de rechten van religieuze burgers een legitiem doel is, wordt in de bestreden uitspraken volgens het Hof niet deugdelijk onderbouwd waarom het recht op vrije meningsuiting daarvoor in dit geval dient te wijken.

Daarbij gaat het Hof terecht voorbij aan algemeenheden, zoals de in meerdere instanties in stand gelaten overweging van de Litouwse consumentenautoriteit dat de advertenties ‘een  levensstijl propageren die onverenigbaar is met de principes van een religieus persoon’. Dat circa honderd christelijke Litouwers over de advertenties hebben geklaagd is verder volgens het Hof geen graadmeter voor de mening van de meerderheid van de christenen in Litouwen. Bovendien overweegt het Hof terecht dat ook indien een meerderheid van de Litouwers (religieus of niet) aanstoot zou nemen aan de advertentie, dat nog niet automatisch betekent dat het recht op vrije meningsuiting van het kledingbedrijf daarvoor moet wijken. Rechten van een minderheid mogen tenslotte niet afhankelijk zijn van wat de meerderheid van die rechten vindt. Het kledingbedrijf krijgt zijn gelijk en Litouwen moet de boete van €580 terugbetalen.

 

 

 

EU Hof: Schrems kan Facebook aanklagen in eigen land, maar niet namens 25.000 anderen

Door Sam Meijer

Vandaag heeft het Hof van Justitie EU geoordeeld dat de Oostenrijkse privacy-activist Max Schrems in zijn thuisland een vordering kan instellen tegen Facebook Ierland. Hij kan echter geen collectieve rechtszaak namens anderen aanspannen om onder meer schadevergoeding te claimen wegens vermeende privacyschendingen. Op grond van Europees recht (het ‘forum consumentis’ uit de Brussel I-verordening) kunnen consumenten een buitenlandse contractpartij oproepen voor het gerecht van hun woonplaats. Schrems verliest zijn hoedanigheid van “consument” niet door boeken te publiceren, lezingen te houden, websites te exploiteren, giften in te zamelen en de rechten van 25.000 andere consumenten aan zich te laten overdragen, aldus het Hof. Facebook stelde dat Schrems dit consumentenrecht verliest door beroepsmatig gebruik te maken van het sociale netwerk.

Echter, het forum consumentis beschermt alleen de consument zelf als contractspartij en biedt Schrems geen grondslag om een ‘massaclaim’ in te dienen door de rechten die andere consumenten aan hem hebben overgedragen geldend maken ten opzichte van Facebook.

Zie persbericht van het Hof.

Column over paardenpaspoorten moet worden gerectificeerd

Door Nanette Janssen

Eisma Media Groep heeft op 15 februari 2015 op de door de haar geëxploiteerde website horses.nl een column geplaatst van een van haar redacteurs, waarin EASP (voor de meesten vast bekend, maar hier toch even de volledige naam: ‘Europees Arabisch Stamboek voor Shagypaarden, Sportpaarden en Sportpony’s'), een belangenvereniging voor Shagya paarden en pony’s, wordt beschuldigd van betrokkenheid bij fraude met zogenaamde paardenpaspoorten. Naar dit bericht wordt in een tweede column van 28 oktober 2017 met een link verwezen. EASP vorderde daarop een rectificatie. De voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft deze vordering bij vonnis in kort geding van 7 december 2017 toegewezen.

De columns gingen over een Shetlandpony die als vijfjarige werd verkocht op een veiling, maar veel ouder bleek te zijn. Kort na die constatering moest de pony worden geëuthanaseerd. EASP had voor de veiling op basis van door de dierenarts aangeleverde gegevens, waaronder de leeftijd van de pony, een paspoort voor de pony afgegeven waarin de verkeerde leeftijd stond. In de columns wordt EASP ervan beschuldigd een frauduleus paspoort te hebben uitgegeven en ‘het deksel op de beerput’ te willen houden.

De voorzieningenrechter oordeelt echter dat EASP niets te verwijten valt. Op grond van de geldende regelgeving was EASP verplicht om een zogenaamd blanco paspoort af te geven. Zij was daarbij niet verplicht de door de dierenarts aangeleverde gegevens op juistheid te controleren. De beschuldigingen vinden daarmee dus geen steun in de feiten, en zijn bovendien ernstig. Dat het ging om een column, doet volgens de voorzieningenrechter niet af aan de onrechtmatigheid. Hoewel bepaalde aspecten in een column mogen worden uitvergroot, moeten deze ook in een column steun vinden in de feiten. De voorzieningenrechter gebruikt daarbij een redenering die naar onze mening in hoger beroep geen stand kan houden: “De vrijheid van meningsuiting is immers ook in een column gebonden aan grenzen, die worden overschreden in het geval dat de uitingen zijn gedaan met de bedoeling de ander te kwetsen en wanneer de met het oog op het te dienen belang gebezigde bewoordingen nodeloos grievend zijn….“. Sorry, een column mag niet kwetsen? Niet nodeloos grievend zijn? Dat hoeft natuurlijk niet, maar veel columns barsten van de verwensingen, grievende taal en kwetsende woorden. En dat is wel degelijk toegestaan. Op dat punt slaat dit vonnis de plank nogal schrikbarend mis.

Opvallend is ten slotte nog dat de rechter de rectificatie van het artikel van 28 oktober 2017 beveelt, terwijl de tekst die moet worden gerectificeerd afkomstig is uit het eerdere artikel van 15 februari 2015 (waar in de tweede column slechts naar wordt gelinkt). Het lijkt erop dat hiervoor is gekozen om aan de eis van spoedeisendheid te voldoen die geldt in een kort geding (die was er niet meer bij de column uit 2015). Maar het is maar de vraag of enkel het plaatsen van een link in een artikel naar content waarvan de onrechtmatigheid niet evident is dat artikel al onrechtmatig maakt. Het vonnis besteedt aan die vraag helaas geen aandacht.

Al met al verdient dit vonnis naar onze bescheiden mening niet bepaald de schoonheidsprijs.

Uitgever biografie mocht portret Max Verstappen gebruiken zonder toestemming

Door Michael Bacon

Uitgeverij Karakter heeft in 2016 het boek “Max – het ongeautoriseerde verhaald over de jongste Formule 1-winnaar ooit” uitgebracht. Nederlands bekendste autocoureur heeft voor de biografie geen toestemming gegeven en vorderde op grond van zijn portretrecht (artikel 21 Auteurswet) een verbod. De rechtbank Amsterdam wees op 6 december 2017 vonnis: de publicatie is niet onrechtmatig.

Onder expliciete verwijzing naar het op 14 juni 2013 door de Hoge Raad gewezen bekende arrest tussen Cruijff en uitgeverij Tirion, overwoog de rechtbank dat het door Verstappen gestelde redelijke belang – zijn verzilverbare populariteit – om zich tegen gebruik van zijn portret te verzetten in dit geval niet aanwezig was omdat Karakter hem een redelijke vergoeding voor dat gebruik had aangeboden. De rechtbank vond de aangeboden vergoeding van 10% van de netto opbrengst van het boek in dit geval redelijk omdat dat de foto’s gemaakt waren in het kader van de beroepsuitoefening van Verstappen en behalve een commerciële waarde ook een algemene nieuwswaarde hebben. Bovendien waren veel van de foto’s al eerder gepubliceerd en waren de foto’s volgens de rechtbank slechts ondersteunend aan het verhaal.

Doordat de vergoeding als redelijk is aangemerkt, heeft Max Verstappen geen redelijk belang om zich op grond van artikel 21 van de Auteurswet tegen de openbaarmaking van zijn portret te verzetten. Het boek blijft dus gewoon te koop.

Kennisdag Toezicht & Handhaving

Door Redactie

Op donderdag 1 februari 2018 organiseert Kennedy Van der Laan de Kennisdag Toezicht en Handhaving.

We beginnen met een plenair gedeelte waarin we aandacht besteden aan de bevoegdheden van de bestuursrechtelijke toezichthouders en de ontwikkelingen in het boeterecht. U hebt zelf invloed op de inhoud hiervan en kunt uw vragen doorgeven via het registratieformulier.

Daarna kunt u twee workshops volgen. De keuzemogelijkheden hiervoor zijn:

  • Inlichtingenplicht en medewerkingsplicht
  • Spoedmaatregelen van de handhaver
  • Tegen wie kan worden gehandhaafd?

Naast de advocaten van Kennedy Van der Laan, zijn wij zeer verheugd met de komst van onderstaande externe sprekers:

Oswald Jansen, bijzonder hoogleraar Europees bestuursrecht en openbaar bestuur Maastricht University;

Richard Neerhof, hoogleraar bestuursrecht Vrije Universiteit;

Arnout Klap, universitair hoofddocent bestuursrecht Universiteit van Amsterdam;

Michiel van Emmerik, universitair hoofddocent staats- en bestuursrecht Universiteit Leiden, rechter-plaatsvervanger in de rechtbank Midden-Nederland.

Locatie en tijdstip
De Kennisdag Toezicht en Handhaving is op donderdag 1 februari 2018 van 13.00 tot 16.30 uur met aansluitend een informele borrel. U bent van harte welkom vanaf 12.00 uur voor inloop en lunch. Het seminar wordt op een goed bereikbare locatie in Amsterdam gehouden; deze laten we u te zijner tijd nog weten.

Aanmelden en meer informatie
De Kennisdag is bedoeld voor al onze relaties, overheids- en bedrijfsjuristen en andere juristen in publieke of private dienst. Graag horen wij of u op 1 februari aanwezig bent. Het seminar is gratis maar er is een beperkt aantal plaatsen beschikbaar, dus geef u zo snel mogelijk op via onderstaande knop “Aanmelden“. U kunt ook een collega of relatie uitnodigen voor de Kennisdag. Vult u in dat geval het e-mailadres van deze persoon in op het aanmeldformulier.

 

 

Als u nog vragen heeft, neemt u dan s.v.p. contact op met Quint Metzelaar.

Met vriendelijke groeten,

Namens het team Bestuursrecht,
Anita van den Berg
Jan van der Grinten

Kennedy Van der Laan

 

Bitcoin geen kansspel

Door Joran Spauwen

De Kansspelautoriteit heeft in een kennisgeving laten weten dat cryptocurrency (zoals Bitcoin) geen kansspel zijn (en dus niet door haar gereguleerd worden). De autoriteit had vragen binnen gekregen van verschillende partijen die hieraan twijfelden en besloot daarop onderzoek te doen. Wellicht dat niet iedereen bij Bitcoin aan de Wet op de Kansspelen dacht, maar de definitie van kansspel is echter zo breed (meedingen naar prijzen en premies, middels ‘enige kansbepaling’), dat het niet heel vreemd is dat dergelijke vragen zijn gesteld. Vergeet niet dat de beurs soms ook wordt vergeleken met een casino. Overigens zou regulering van Bitcoin door de Kansspelautoriteit bijzonder onwenselijk zijn, omdat ze eigenlijk alleen een totaalverbod zou kunnen opleggen en winsten vervolgens zwaar belast worden.

Over ‘waarom’ Bitcoin geen kansspel zijn is de autoriteit niet heel duidelijk. Zij schrijft: “De reden dat cryptomunten in juridische zin niet als kansspelen worden gezien, is dat de waarde ervan tot stand komt door vraag en aanbod op de markt.” Uit het persbericht blijkt niet waar dit ‘marktwaarde-criterium’ vandaan komt. En – niet onbelangrijk – of dit ook geldt voor andere ‘verhandelbare’ kansspeldeelnames.

Het onderzoek van de Kansspelautoriteit is tot op heden niet gepubliceerd.

 

Hof: EenVandaag geeft vertekend beeld van burenruzie, maar uitzending blijft online

Door Lotte Oranje

Op 12 augustus 2017 zendt EenVandaag een reportage uit over een langlopende en extreme burenruzie. Tijdens deze uitzending wordt aandacht besteed aan verschillende kanten van de ruzie en wordt het negatieve beeld van buurman A, die ‘het monster van Leersum’ wordt genoemd, aanzienlijk genuanceerd. In de uitzending dringt de vraag zich op of buurman B. het leed niet over zichzelf heeft afgeroepen.

Vanwaar die bijnaam ‘het monster van Leersum’? Er bestaat een lange lijst van tegen A gevoerde strafrechtelijke en civiele procedures. Buurman A is in 2007 bijvoorbeeld door het hof Amsterdam wegens mishandeling van de partner van buurman B en belaging van B zelf veroordeeld tot een gevangenisstraf en een geldboete. In 2010 heeft A zich toegang verschaft tot de, op dat moment verlaten, woning van B. Hij is daar op heterdaad betrapt en vervolgens twee weken in voorlopige hechtenis doorgebracht en heeft op last van de rechter-commissaris een psychologisch onderzoek ondergaan. A heeft in totaal € 300.000,- aan dwangsommen verbeurd vanwege overtreding van verschillende aan hem opgelegde ge- en verboden. In 2010 heeft de rechtbank Utrecht A wegens belaging, huisvredebreuk, verboden wapenbezit en verduistering veroordeeld tot een gevangenisstraf van 180 dagen. In december 2010 heeft het hof Amsterdam A wegens belaging, erfvredebreuk en vernieling veroordeeld tot een geldboete van € 7.500,- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 72 dagen hechtenis.

Volgens de eigenaar (buurman B) van het huis naast buurman A is in de EenVandaag uitzending een veel te positief beeld geschetst van ‘het monster van Leersum’ en handelt omroep AVROTROS daardoor onrechtmatig jegens hem. Hij stapt naar de voorzieningenrechter, die oordeelt dat AVROTROS inderdaad onzorgvuldig gehandeld heeft door onjuiste feiten te vermelden en geen wederhoor toe te passen. EenVandaag moet de gehele uitzending van haar website halen en een rectificatie plaatsen. Over dit vonnis schreven wij al eerder op Mediareport.

AVROTROS gaat in hoger beroep. Het Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt eerst over de vraag of EenVandaag wederhoor moest toepassen: “De stelling van AVROTROS dat de uitzending moet worden beoordeeld in de context van de voorgaande uitzendingen en dat het daarom niet nodig was wederhoor toe te passen, volgt het hof niet, alleen al omdat tussen de verschillende uitzendingen lange tijd is verstreken en het daarom niet aannemelijk is dat de kijker van EenVandaag deze uitzending als het slot van een vierluik zal beschouwen, zoals AVROTROS tijdens het pleidooi in hoger beroep heeft betoogd.

Vervolgens oordeelt het hof dat het in deze zaak niet om een publiek figuur gaat, maar om een persoon die vanwege een conflict in de privésfeer enige media-aandacht krijgt. Ook levert de uitzending maar een kleine bijdrage aan het lopend publiek debat over uit de hand gelopen burenruzies, omdat de uitzending niet gaat over de vraag of bestaande procedures een oplossing bieden voor eenzijdige terreur van een buurman, maar ziet op een smaller perspectief.

Daarnaast bekijkt het hof of de uitzending van EenVandaag voldoende steun vindt in het feitenmateriaal. Hierbij is van belang dat EenVandaag zich tijdens de uitzending terughoudend opstelt, omdat zij enkele feiten schetst maar verder de geïnterviewden alle ruimte geeft om hun verhaal te vertellen. De keuze voor deze opzet behoort tot de journalistieke vrijheden, maar dit betekent wel dat er op AVROTROS een verzwaarde norm rust ten aanzien van de inhoud: “Het houdt slechts in dat zij zich ervan dient te vergewissen dat de door haar gepresenteerde feiten voldoende steun vinden in onder andere de onder 3.2 genoemde stukken. Daarbij blijft overigens gelden dat in de wijze van presentatie aan AVROTROS in beginsel een grote vrijheid toekomt”. Volgens het hof is er een onjuiste mededeling gedaan in de uitzending over een recht van overpad, waardoor een vertekend beeld wordt gegeven van het conflict en de rol van buurman A. Dit vindt geen steun in de feiten en vormt een ernstige aantasting van het recht op eerbiediging van persoonlijke levenssfeer van buurman B, waaronder het recht op bescherming van de goede naam en reputatie.

Volgens het hof is daardoor een vertekend beeld gegeven van het conflict, in het bijzonder van de rol van ‘het monster van Leersum’ daarin. Ten onrechte wordt het beeld opgeroepen dat geïntimeerde het door A veroorzaakte onheil als het ware over zichzelf heeft afgeroepen. Buurman B wordt daarmee door AVROTROS ten onrechte weggezet als de partij die door zijn onredelijke gedrag de burenruzie heeft veroorzaakt. Dit beeld vindt geen steun in de feiten. Het hof concludeert dat hierdoor het recht van buurman B op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer is geschonden en dat dit zwaarder weegt dan het recht van AVROTROS op vrijheid van meningsuiting. Op het gebied van de gevorderde maatregelen verschilt het hof wel van mening met de voorzieningenrechter: “De gehele verwijdering van de uitzending is naar het oordeel van het hof, gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden, niet noodzakelijk en niet proportioneel. Aan het gerechtvaardigde belang van [geïntimeerde] om gevrijwaard te blijven van de onder 5.20 vastgestelde inbreuk, kan ook worden voldaan door alleen de betreffende mededeling te verwijderen. Het vonnis zal op dit punt worden vernietigd.” EenVandaag hoeft dus niet de gehele uitzending te verwijderen van het internet, en mag die weer online plaatsen.

Europa bereikt voorlopig akkoord over geoblocking

Door Martine de Koning

Op 20 november jl. is een compromis bereikt over de voorlopige tekst van de verordening geoblocking. Discriminatie van klanten op websites op grond van hun nationaliteit, verblijfplaats of plaats van vestiging wordt verboden. Het streamen van auteursrechtelijk beschermde muziek, e-boeken, online games en software valt niet onder de verordening.

Wat is geoblocking?
Geoblocking is het verhinderen dat klanten toegang hebben tot (de aankoop van) producten of diensten op een website in een andere lidstaat of hen daarbij discrimineren. Uit marktonderzoek van de Europese Commissie blijkt dat meer dan de helft (63%) van webwinkels aan geoblocking doet. Bijvoorbeeld als een klant geen online betaling kan verrichten, registratie op de website wordt geweigerd of een aankoop geblokkeerd omdat vanuit een andere lidstaat wordt besteld. Dit beperkt e-commerce op de interne markt ten nadele van consumenten en bedrijven.

Wat is nu precies verboden?
Het voorlopig akkoord verbiedt (prijs)discriminatie in drie gevallen: toegang tot goederen en diensten, websitetoegang en betalingstransacties. Aanbieders mogen toegang tot hun website niet blokkeren of klanten re-routen, tenzij de klant hiervoor expliciet toestemming geeft, en ook geen verschillende betalingsvoorwaarden toepassen op basis van nationaliteit, verblijfplaats of plaats van vestiging.

Gelijke toegang tot goederen en diensten
Gelijke toegang tot goederen en diensten geldt ook in drie gevallen.

  • voor diensten als autoverhuur of hotelovernachting, waar de klant gebruik van wil maken in het land waar de handelaar actief is;
  • voor langs elektronische weg verstrekte diensten zoals clouddiensten of gegevensopslag;
  • én voor goederen die worden geleverd in een lidstaat waarnaar de handelaar levering aanbiedt of die worden opgehaald op een met de klant overeengekomen locatie.

Een klant in Nederland mag dus niet belemmerd worden een online aankoop te doen van een leverancier gevestigd in Duitsland, indien de handelaar levering in Nederland aanbiedt. Dit moet ook voor dezelfde prijs, tenzij een prijsverschil non-discriminatoir is, bijvoorbeeld gerechtvaardigd door het verschil in transport- of afleverkosten. Als de handelaar geen levering in Nederland aanbiedt, moet de leverancier de producten wel verkopen aan deze klant maar hoeft hij het product niet in Nederland af te leveren.

In tegenstelling tot prijsdiscriminatie blijft prijsdifferentiatie of differentiatie in de algemene voorwaarden toegestaan.

Verhouding tot het mededingingsrecht
Beperkingen van actieve verkoop in de zin van de groepsvrijstellingsverordening (nr. 330/2010) en het kartelverbod in artikel 101 VWEU vallen buiten het verbod op ongerechtvaardigde geoblocking. In geval van conflict met het mededingingsrecht zal de nieuwe verordening voorrang krijgen.

Vanaf wanneer moet mijn website hieraan voldoen?
De verwachting is dat de nieuwe regels in de eerste helft van 2018 formeel worden bekrachtigd. Inwerkingtreding vindt plaats 9 maanden na publicatie van de verordening in het EU publicatieblad. Voor details, zie de persberichten van de Europese Commissie en de Raad.

Meer weten over de aankomende veranderingen? Neem gerust contact op met de sectie Commercial of Martine de Koning (Martine.de.Koning@kvdl.com).

 

Jens van den Brink in Nieuwsuur over bevel Turkse rechter tegen cartoons op Twitter

Door Emiel Jurjens

Gisteren werd bekend dat een Turkse rechtbank op eis van Erdogan een bevel heeft uitgesproken gericht tegen Twitter. Het bevel houdt in dat een serie tweets van verschillende gebruikers over Erdogan verwijderd dient te worden. Daaronder waren twee tweets van cartoonist RubenL. Oppenheimer met daarin zijn cartoon waarin de Twittervogel het door toedoen van Erdogan zwaar te verduren heeft. Het bevel lijkt overigens te dreigen met het geheel op zwart zetten van Twitter in Turkije als ze niet voldoen aan de eis.

Twitter heeft het bevel doorgeleid aan de tweeps, waaronder Oppenheimer met de vraag of hij de cartoon vrijwillig wil verwijderen. Dat heeft Oppenheimer geweigerd, met daarbij de opmerking “Zou toch eigenlijk wel lollig zijn om me te laten bijstaan door Theo Hiddema“.

Nieuwsuur besteedde gisteren aandacht aan dit onderwerp. Jens van den Brink gaf in de uitzending commentaar op de kwestie: kijk hier wat hij te zeggen had (het fragment staat aan het einde van het artikel).

 

❌