[Contact]

Nieuwskop.nl Nieuwskoppen Nederland

πŸ”’
❌ Over FreshRSS
Er zijn nieuwe artikelen beschikbaar, klik om de pagina te vernieuwen.
OuderAlle Nieuwskoppen

Hyperlinken naar diffamerende content niet onrechtmatig.

Door Michael Bacon

Op 4 december 2018 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zich (opnieuw) uitgesproken over het fenomeen ‘hyperlinken’. Hongarije wordt door het EHRM op de vingers getikt, wegens een te strenge beoordeling van de aansprakelijkheid van een nieuwswebsite voor het linken naar een publicatie met diffamerende content. Dit heeft een ‘chilling effect’ op de vrijheid van meningsuiting.

Een journalist, werkzaam bij de populaire Hongaarse nieuwswebsite www.444.hu, werd beschuldigd van het verspreiden van een onrechtmatige publicatie, door het plaatsen van een hyperlink naar deze publicatie bij een artikel op de website. De journalist schreef in 2013 een artikel over een incident in het dorpje Konyár. Daar schopten dronken voetbalsupporters herrie en maakten zij racistische opmerkingen bij een school waar voornamelijk Roma-studenten naar toe gaan. Bij het artikel plaatste de journalist een hyperlink naar een interview op YouTube met de Roma-gemeenschapsleider uit het dorp over Roma-problematiek. In dit interview beweerde de leider dat de voetbalsupporters aanhangers van de Hongaarse rechts-populistische ‘Jobbik’ partij waren. In latere uitspraken is door de Hongaarse rechter geoordeeld dat deze bewering onjuist en onrechtmatig was ten opzichte van de partij in kwestie. Omdat het Hongaarse recht bepaalt dat een verwijzer naar (later) onrechtmatig bevonden content op het internet automatisch aansprakelijk is jegens de benadeelde partij voor de verspreiding van die onrechtmatige content, is de nieuwswebsite veroordeeld tot het plaatsen van rectificaties en het verwijderen van de hyperlink uit het artikel. Het EHRM benadrukt het belang van hyperlinks voor het waarborgen van een goede werking van het internet en de toegang tot informatie.

In het uitspraak heeft het Hof het meeste commentaar op het automatisme waarmee een verwijzer in Hongarije aansprakelijk wordt gehouden voor (later) onrechtmatig bevonden content op het internet. Gelet op de karakteristieke kenmerken van hyperlinks, met name dat de content waarnaar wordt verwezen zelf niet wordt getoond en de verwijzer in de regel geen invloed op de content heeft, moet de aansprakelijkheid van de verwijzer van geval tot geval worden beoordeeld. Het Hof formuleert vervolgens vijf criteria die in de context van art. 10 EVRM kunnen worden meegenomen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid van een hyperlink naar een publicatie op het internet

  1.      Heeft de journalist de informatie ondersteund?
  2.      Heeft de journalist de inhoud slechts herhaald?
  3.      Heeft de journalist alleen de link gepost zonder iets erbij te vermelden?
  4.      Kon de journalist weten dat de inhoud lasterlijk of onrechtmatig was?
  5.      Heeft de journalist in goede trouw gehandeld, met respect voor de journalistieke ethiek?

De Hongaarse journalist heeft in dit geval bij het artikel een hyperlink geplaatst, slechts met de mededeling dat een interview met de Roma-gemeenschapsleider online stond. Daarop is verder geen commentaar gegeven en is niet ingegaan op de inhoud van het filmpje, laat staan dat de politieke partij is genoemd. Volgens het Hof was niet overduidelijk dat de journalist wist of had moeten weten dat de content waarnaar de hyperlink verwees onrechtmatig was. Onder deze omstandigheden dient de vrijheid van meningsuiting te prevaleren en was het plaatsen van een hyperlink naar dat artikel dus niet onrechtmatig in de zin van artikel 10 EVRM. De Hongaarse wetgever heeft nagelaten om te voorzien in de mogelijkheid tot een goede afweging van de belangen van de verzoekende onderneming op grond van art. 10 EVRM. Journalisten zouden zich hierdoor sneller kunnen onthouden van het linken van materiaal waarover zij geen controle hebben. Dit veroorzaakt direct of indirect een ‘chilling effect’ op de vrijheid van meningsuiting. Kortom, er is in dit geval sprake van een schending van art. 10 EVRM.

Opmerkelijk: rechtbank vindt dat column niet β€˜nodeloos grievend’ mag zijn …

Door Jens van den Brink

Een BN’er (een bekende cabaretier die “regelmatig optreedt in de televisieprogramma’s Dit was het nieuws en De wereld draait door“) werd in meerdere columns in Metro van seksueel wangedrag beschuldigd. Hier een fragment uit een van de columns:

“(…) Aanranding wil ik het niet noemen, dat vind ik flauw. Al is dat technisch gezien eigenlijk precies wat er is gebeurd. Maar wat er precies is gebeurd, probeer ik nog op een rijtje te krijgen, en waarom het is gebeurd weet ik ook niet helemaal. Wel weet ik dat dit soort dingen elke dag gebeuren. En dat al die meisjes zich net als ik nu afvragen: “Heb ik dit zelf uitgelokt?” Natuurlijk klinkt dat raar, maar ik zou het ook stom vinden om er zomaar vanuit te gaan dat ik er sowieso niks aan kon doen. Dat de man altijd de schuld heeft, omdat hij nu eenmaal sterker is. (…) Aan de andere kant, terwijl ik dit schrijf staat ‘Trouble’ van Taylor Swift op repeat, voel ik me superrot (zie voorgaande punt), tel ik vijf blauw-groene plekken, kan ik mijn nek niet goed draaien en niet op mijn linkerzij liggen. En dat is helemaal niet oké. (…)

Ik weet ook wel dat hij me geen pijn wilde doen, niet expres. Want wat voor mannen blijkbaar echt onweerstaanbaar is, is het woord ‘nee’. Hard-to-get schijnt een heel leuk spelletje te zijn, maar…ik speelde helemaal geen spelletje. Waar het op neerkwam is dat de man in kwestie – die ik tot overmaat van ramp stiekem ook nog best wel lief en leuk vond – gewoon bezet was en daarom bij mij uit de buurt moest blijven. Dat heb ik ook gezegd. Een stuk of dertig keer. Maar hoe stelliger ik hem afwees, hoe stelliger hij werd. Toch lukte het me om hem van me af te houden, en geloof me als ik zeg dat mij dat ook heel veel zelfbeheersing kostte. Bijna was er niks aan de hand geweest, want ik fietste gewoon naar huis die avond. Maar we kwamen elkaar twee kilometer verder weer tegen, en dat eindigde dus met mij tegen een hek. In de armen van die supersterke sexy Neanderthaler waar ik als verwarde feministe eerder om had gevraagd. Blijkbaar werkt het woord ‘nee’ heel goed. Voor ‘iets’ in ieder geval. Vooral als je het bijna helemaal meent.”

De BN’er voerde al in 2015 een kort geding tegen Metro, dat hij won. De voorzieningenrechter oordeelde dat het een columnist(e) […] in beginsel vrij staat te schrijven over persoonlijke ervaringen. Dit neemt echter niet weg dat,[…], ook in een column niemand lichtvaardig mag worden beschuldigd en dat beschuldigingen steun dienen te vinden in het beschikbare feitenmateriaal.” Een aantal columns was niet herleidbaar tot de BN-ers en daarom al niet onrechtmatig. Voor één column vond de rechter dat die wel herleidbaar, en er onvoldoende feitelijke onderbouwing waren voor de beschuldigingen. Metro moest de column van internet verwijderen.

In 2017 schreef de columniste weer een column over de man, waarin zij nog ernstigere bewoordingen gebruikt en hem van verkrachting heeft beschuldigd, aldus eiser. De BN-er zegt dat “een onschuldige zoenpartij door haar ten onrechte is opgeblazen tot seksueel wangedrag“, en vordert nu in een bodemprocedure rectificatie en schadevergoeding.

Eerder dit jaar (het vonnis is pas op 31 oktober gepubliceerd) deed de rechtbank Amsterdam uitspraak.

De rechtbank bevestigt de bekende rechtspraak waaruit volgt dat een columnist een grotere mate van vrijheid toekomt om zijn of haar persoonlijke mening te geven, maar voegt daaraan toe: De vrijheid van meningsuiting is echter ook in een column gebonden aan grenzen, welke worden overschreden in het geval de uitingen zijn gedaan met de bedoeling de ander te kwetsen of de bewoordingen met het oog op het te dienen belang nodeloos grievend zijn. Daarnaast is sprake van overschrijding van grenzen wanneer columnisten bij het uiten van hun persoonlijke mening over personen kwalificaties bezigen of vergelijkingen treffen waartoe de feiten in redelijkheid geen aanleiding geven. Bepaalde aspecten mogen dus worden uitvergroot in een column, maar moeten wel steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal.”

De rechtbank meent verder dat de nieuwe column herleidbaar was en acht de beschuldigingen onrechtmatig en veroordeelt Metro uitgever tot een schadevergoeding van EUR 10.000,-.

Dit vonnis is naar mijn mening problematisch.

Een column mag van de rechtbank niet ‘nodeloos grievend’ zijn. Het lijkt erop alsof dat zinnetje een beetje per ongeluk in het vonnis terecht is gekomen. Althans, dat hoopt de Mediareport redactie. Het EHRM beschermt immers ook het recht “to offend, shock or disturb” en een column bij uitstek een plek is waarin ‘nodeloos grievende’ uitingen (wat dat ook moge betekenen) een plek hebben en kwetsende uingen niet bepaald uitzonderlijk zijn, laat staan verboden.

De rechtbank lijkt hier (per ongeluk?) een veel te strenge grens te trekken, die bovendien in deze zaak ook niet nodig was om tot hetzelfde oordeel te komen. Deze zaak ging er nu juist om dat dit volgens de rechtbank niet zo maar opinies of verwensingen waren, of kwetsende uitingen, maar feitelijke beschuldigingen van een ernstig strafbaar feit. Waarom de rechtbank dan overweegt dat een column niet nodeloos zou mogen grieven is onduidelijk. En kwalijk. Als dit daadwerkelijk het recht zou zijn, zou dat voor veel heel columnisten betekenen dat ze moeten inbinden.

Bijgaand de prachtige cartoon van onze voormalige collega Willem van Manen, die zich altijd (terecht) druk maakte over rechters die naar zijn idee te veel strooiden met de term ‘onnodig grievend’.

Wij hopen dat columnisten gewoon gebruik blijven maken van hun recht om onnodig te grieven.

Foto’s over de vriend van Dionne Stax in Story niet onrechtmatig

Door Joost Lichtendahl

In het tijdschrift Story is op 31 juli 2018 een aantal foto’s en een artikel gepubliceerd over de (nieuwe) vriend van nieuwslezeres Dionne Stax. De vriend van Stax is daarop een kort geding gestart bij de voorzieningenrechter in Amsterdam waarin hij onder meer heeft gevorderd iedere verdere verspreiding van de foto’s te verbieden omdat dit inbreuk zou maken op zijn privacy. De voorzieningenrechter

wijst het gevorderde verbod af.

Stax is een bekende Nederlander die volop in het nieuws staat en de publiciteit niet schuwt. Daarnaast vervult Stax volgens de voorzieningenrechter vanwege haar uitspraken en levensstijl voor veel vrouwen van haar leeftijd die ook een carrière nastreven een voorbeeldfunctie. Om deze redenen gaat het nieuws dat ze een nieuwe vriend heeft verder dan alleen het voldoen aan nieuwsgierigheid van het publiek.

Bovendien oordeelt de voorzieningenrechter dat de nieuwe vriend van Stax door zijn relatie met haar zelf ook een ‘min of meer publieke figuur [is] geworden en onderwerp van ‘entertainmentnieuws’ met, zij het in geringe mate, nieuwswaarde’. Van hem mag daarom op het gebied van blootstelling aan publiciteit meer worden gevergd dan van de gemiddelde onbekende burger.  

Verder overweegt de voorzieningenrechter in het kader van een belangenafweging dat de foto’s illustratief zijn voor het artikel, niet diffamerend zijn, niet zijn genomen in een intieme setting en evenmin tot stand zijn gekomen als gevolg van hinderlijk volgen, zoals de vriend van Stax tevergeefs had aangevoerd. Bovendien heeft Sanoma toegezegd de foto’s niet verder te zullen verspreiden zonder dat daartoe een journalistieke reden bestaat. Het artikel zelf is verder ook niet negatief van aard. Onder deze omstandigheden is de publicatie van de foto’s en het artikel niet onrechtmatig.

Ten slotte slaagt ook het beroep op de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) niet omdat Sanoma een beroep kan doen op de journalistieke uitzondering voor het verwerken van persoonsgegevens.

De slotsom luidt dat alle vorderingen worden afgewezen.

Passages over moeder van schrijfster in β€˜autobiografisch dagboek’ niet onrechtmatig

Door Meyke Rietveld

Op 11 oktober 2018 heeft de voorzieningenrechter uitspraak gedaan in een zaak over het boek De Porseleinkast, Faxen aan Ger van Nicolien Mizee. In dit boek, dat grotendeels bestaat uit een verzameling faxen die de auteur in de jaren ’90 van de vorige eeuw heeft verzonden aan een vriend, staan verschillende uitingen van de auteur over haar moeder. Haar moeder is niet blij met deze uitingen en start een rechtszaak tegen de uitgever (Van Oorschot) met als doel de verspreiding van het boek te voorkomen. De voorzieningenrechter wijst haar vorderingen echter af.

De zaak draait om een zevental passages in het boek, waarin Mizee herinneringen ophaalt aan haar moeder en enkele negatieve ervaringen over haar moeder deelt. De moeder van Mizee voert in het kort geding aan “zeer diep gekwetst” te zijn door deze passages en stelt dat ze bovendien feitelijk onjuist zijn.

De voorzieningenrechter beoordeelt eerst of er steun in de feiten bestaat voor de uitingen.

Daarbij kwalificeert zij eerst een deel van de uitingen van Mizee als waardeoordelen. Mizee heeft zich bij het schrijven van het boek dan wel “laten inspireren door waargebeurde feiten en in werkelijkheid bestaande personen“, maar het boek bevat (naar oordeel van de rechter) ‘haar waarheid’, die bestaat uit waardeoordelen:

“4.4. (…) Het werk is aan te merken als een autobiografisch dagboek. De gemiddelde hedendaagse lezer zal begrijpen dat het boek niet altijd objectieve beschrijving van de werkelijkheid betreft, maar de persoonlijke beleving en herinnering van de schrijfster, die zij soms heeft overdreven of aangedikt en dier zij op een literaire wijze heeft ingekleurd met haar verbeelding en emoties. Het boek bevat dus niet de waarheid, maar haar waarheid.

De voorzieningenrechter noemt daarbij passages als “dat [haar moeder] de schrijfster heeft gekleineerd en een afkeer van haar heeft” en “dat de schrijfster haar moeder vreemd vindt“. Dergelijke waardeoordelen zijn niet voor bewijs vatbaar, en de voorzieningenrechter oordeelt daarom dat niet van de uitgever gevergd kan worden dat zij aannemelijk maakt dat deze uitingen steun vinden in de feiten.

De passages bevatten ook enkele feitelijke beschuldigingen. Bij de beoordeling of deze steun in de feiten vinden stelt de voorzieningenrechter voorop: “Gezien het literaire karakter van het boek en gezien de schrijfstijl van de auteur zal de gemiddelde hedendaagse lezer begrijpen dat niet ieder in het boek gepresenteerd feit ook daadwerkelijk zo hoeft te zijn gebeurd.

De voorzieningenrechter vergt echter wel enig onderzoek van de uitgever, nu de dagboekvorm van het boek bij de gemiddelde lezer de indruk wekt op feiten te zijn gebaseerd. De uitgever heeft in de procedure toegelicht dat zij dit onderzoek heeft verricht en heeft daarbij verschillende producties in het geding gebracht, op grond waarvan de voorzieningenrechter oordeelt dat er voldoende steun in de feiten bestaat voor de ‘feitelijke passages’ in het boek. De eerste lijn van klachten van eiseres (dat de uitingen onjuist zijn) faalt dus.

Dan beoordeelt de voorzieningenrechter het beroep van de moeder op de schending van haar persoonlijke levenssfeer. De moeder is herkenbaar in het boek beschreven en de negatieve ervaringen van de auteur gaan over het gezinsleven en de verhoudingen tussen de leden in het gezin. Op grond daarvan oordeelt de voorzieningenrechter dat de passages kwalificeren als “een inbreuk op haar door artikel 8 EVRM beschermde rechten“.

De uitingsvrijheid weegt echter zwaarder, zo oordeelt de voorzieningenrechter, nu onder meer “[het boek] gaat om de persoonlijke beleving en herinnering van de schrijfster“, waarbij het “moeilijk is het personage van de moeder te fingeren of daarin wijzigingen aan te brengen”. Ook weegt de voorzieningenrechter mee dat de de moeder “weliswaar in een kwaad daglicht [wordt gesteld“, maar dat ze slechts “een zeer beperkte rol” heeft in het boek. Verder overweegt de voorzieningenrechter dat de passages “niet buiten iedere proportie” grievend zijn en dat het boek ook positieve(re) uitingen over de moeder bevat. En tot slot is volgens de voorzieningenrechter relevant dat “de impact van het boek beperkt” is, nu de oplage niet groot is en de gebeurtenissen enkele decennia geleden hebben plaatsgevonden.

De uitingsvrijheid weegt in dit geval dus zwaarder dan de schending van de persoonlijke levenssfeer en de vorderingen worden afgewezen. De voorzieningenrechter merkt tot slot nog op dat de uitingsvrijheid niet alleen strekt tot het aan de kaak stellen van maatschappelijke misstanden (wat kennelijk was betoogd), maar ook de “artistieke uitingsvrijheid” omvat.

Drie billboards in de buurt van boerderij deels onrechtmatig

Door Joost Lichtendahl

In de alom geprezen film Three Billboards Outside Ebbing, Missouri uit 2017 plaatst de moeder van een vermoord meisje drie grote reclameborden langs de weg met kritiek op het optreden van de politie in de zaak. Kritische reclameborden vormden recent ook de steen des aanstoots in een zaak voor de voorzieningenrechter in Rotterdam. De feiten waren gelukkig minder dramatisch: een aannemer had drie borden langs de weg geplaatst met de melding dat opdrachtgevers de facturen van de aannemer niet volledig hadden voldaan, waardoor zij als ‘oplichters’ zouden kwalificeren. Deze borden waren strategisch in de buurt van de boerderij van de opdrachtgevers geplaatst. Deze eisten vervolgens in kort geding een uitings- en contactverbod. De voorzieningenrechter wijst de eis deels toe.

Eisers hebben samen een melkveebedrijf en hebben de aannemer de opdracht verstrekt een veranda te bouwen. De aannemer heeft de veranda voor een groot deel gebouwd. Vervolgens hebben eisers besloten om de veranda door een ander af te laten maken, omdat het werk volgens hen niet opschoot. Hierdoor is tussen partijen een geschil ontstaan over de laatste deelbetaling van € 3.107,63. De aannemer heeft daarop borden langs de openbare weg geplaatst met teksten als “[namen eisers] Veranda betalen”, “[eisers] hebben hun veranda nog steeds niet helemaal betaald” en “oplichting”.

Daarnaast heeft de aannemer SMS, WhatsApp en e-mail berichten gestuurd naar de eisers met de teksten als: “jullie moeten gaan betalen anders wordt het geen leuk jaar voor jullie”, “Neem contact met mij op want anders gaat het zeker uit de hand lopen als wij komen om mijn spullen terug te halen” en “Hee oplichters, gaan jullie nog betalen?

De voorzieningenrechter oordeelt dat niet in geschil is dat de laatste rekening niet betaald is. Daaruit volgt dat de uitingen over het onbetaald blijven van de rekening voldoende steun in de feiten hebben. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter in een fraaie passage:

Die mededeling is immers feitelijk juist en heeft betrekking op een zakelijk geschil. Dit valt naar voorlopig oordeel onder de vrijheid van meningsuiting. Eisers zullen begrijpelijkerwijs ongemak ervaren door deze tekstborden maar dat maakt de mededelingen nog niet zonder meer onrechtmatig. In dit oordeel wordt meegewogen dat de vrijheid van meningsuiting juist is bedoeld voor die gevallen waarin de uitlatingen (kunnen) schrijnen. Het recht op vrije meningsuiting zal gewoonlijk niet ingeroepen hoeven te worden bij een eenvoudig praatje over het weer

Echter, de voorzieningenrechter trekt een streep bij de uiting dat er sprake zou zijn geweest van ‘oplichting’. Uit het vonnis blijkt dat de voorzieningenrechter de aannemer ter zitting heeft gevraagd of hier enige steun in de feiten voor bestond:

De voorzieningenrechter heeft [gedaagde] ter zitting gevraagd of hij bewijzen had en het antwoord was: ja, maar die heb ik niet bij me. Dat is niet voldoende. [gedaagde] had die bewijzen moeten tonen aan de voorzieningenrechter toen hij daar de kans voor had maar dat heeft hij niet gedaan.”

De uiting dat er sprake zou zijn van ‘oplichting’ acht de voorzieningenrechter dan ook onrechtmatig, net als de ‘bedreigende berichten’ die gedaagde aan eisers heeft gestuurd. Echter, de voorzieningenrechter oordeelt dat de eis dat gedaagde zich ‘niet langer smadelijk/lasterend’ zou mogen uitlaten te ver gaat:

Een vordering tot een algemeen verbod aan [gedaagde] om zich niet langer smadelijk uit te laten, of uitlatingen te doen die ‘op andere wijze onrechtmatig zijn’ kan niet worden toegewezen. De vordering is te onbepaald en kan niet ten uitvoer worden gelegd.”

De voorzieningenrechter wijst een beperkter geformuleerd uitingsverbod toe voor de duur van een jaar. Ook moet de aannemer zich een jaar lang onthouden van het sturen van berichten ‘van dreigende aard en/of waarbij de strekking is dat eisers tot betaling worden gedwongen’.

De Volkskrant mag oud artikel beschikbaar houden in online archief

Door Emiel Jurjens

Na het Google Spain-arrest uit 2014 wordt het ‘recht om vergeten te worden’ ook met regelmaat in Nederland ingeroepen. De verzoeken van personen die ‘vergeten’ willen worden komen, naast bij Google, ook wel eens bij media binnen. Over de vraag hoe daarmee omgegaan moet worden gaat een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 8 augustus 2018 in een zaak die door eiser was aangespannen tegen de Volkskrant. Eiser maakte in deze zaak bezwaar tegen de vindbaarheid via Google van een artikel in het online archief van de Volkskrant over hem uit de jaren ’90 van de vorige eeuw, en vorderde verwijdering van het artikel uit het online archief van de Volkskrant. De rechtbank wijst in een principieel vonnis echter alle eisen af.

In het eerste deel van het vonnis buigt de rechtbank zich over de beschikbaarheid van het artikel via Google. De rechtbank constateert op dat punt:

De URL naar de publicatie verschijnt als eerste zoekresultaat, als op [de naam van eiser] wordt gezocht. Het gaat dus om de gevonden zoekresultaten in de zoekmachine en niet om de inhoud van de webpagina waarnaar de URL in de zoekresultaten verwijst.

De rechtbank oordeelt vervolgens dat Google de verantwoordelijke is voor de verwerking van persoonsgegevens die bij het zoeken plaatsvindt, en constateert onder verwijzing naar het Google Spain-arrest:

Gelet hierop had [eiser] zich – anders dan hij kennelijk veronderstelt – ten aanzien van de vindbaarheid van de publicatie via de zoekmachine dienen te richten tot de exploitant van de betrokken zoekmachine voor een verwijderings- of afschermingsverzoek (…) Dit wordt niet anders, nu [eiser] de Volkskrant aanspreekt, omdat volgens [eiser] in de publicatie onjuistheden staan en de Volkskrant daarvan de bron is. Het is immers Google Search die de publicatie vindbaar maakt; de Volkskrant is bij het aanbieden van de dienst Google Search niet betrokken.” 

In het tweede deel van het vonnis beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de beschikbaarheid van het oude artikel in het online archief van de Volkskrant. De rechtbank stelt vast dat de gevraagde vorderingen beperkingen op de uitingsvrijheid van de Volkskrant zijn, waardoor het vereiste geldt dat toewijzing ervan ‘dringend noodzakelijk’ moet zijn (artikel 10 lid 2 EVRM).

De rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is en overweegt daarbij ten eerste dat eiser zich niet tot Google heeft gewend, waardoor “een minder vergaande mogelijkheid met een redelijke kans van slagen voor handen is teneinde het gestelde doel te bereiken“. De rechtbank weegt verder mee dat verwijdering uit het online archief een zeer ingrijpende maatregel is:

Verwijdering van het artikel uit het archief heeft, mede gelet op het belang van een volledige en integere online archivering die een betrouwbare getuigenis van het verleden dient te vormen, en op de rol van de pers nieuws in archieven beschikbaar te maken, een ingrijpend gevolg voor de verslaggeving.

Ook speelt mee (zo overweegt de rechtbank verder) dat eiser te lang heeft gewacht met het instellen van zijn eis. De rechtbank constateert dat twaalf jaar is verstreken tussen publicatie en sommatie en oordeelt daarom dat “[eiser] verzuimd heeft bijtijds stappen tegen de publicatie te ondernemen.

Het beschikbaar houden van het artikel over eiser in het online archief wordt al met al rechtmatig geoordeeld.

De Volkskrant werd in deze procedure bijgestaan door Emiel Jurjens.

Update fake news: zelfregulering online platforms in Code of Practice on Disinformation

Door Emiel Jurjens

De Europese Unie strijdt zeer actief tegen fake news (of ‘disinformation’, het begrip dat de EU bij voorkeur hanteert), overigens met wisselende gevolgen. Onderdeel van deze strijd is het reguleren van online platforms, omdat de EU meent dat deze een ‘key role’ spelen in het verspreiden van online desinformatie. De EU heeft de online platforms daarom gemaand om tot zelfregulering over desinformatie te komen, waarbij de EU opmerkte dat als dit er niet zou komen er mogelijk overgegaan zou worden tot het opstellen van bindende regelgeving. Daarop zijn een aantal online platforms aan de slag gegaan met het opstellen van een set regels: het eindresultaat daarvan is  de “Code of Practice on Disinformation”, die vorige week is gepubliceerd. Nog niet geheel duidelijk is welke platforms zich op dit moment hebben gecommitteerd aan de Code.

Definitie desinformatie

Voor de definitie van fake news, of ‘disinformation’, sluit de Code of Practice aan bij de definitie die de EU eerder dit jaar heeft vastgelegd in de Communication Tackling online disinformation: a European approach. Deze luidt:

[Disinformation is] “verifiably false or misleading information” which, cumulatively,

(a) ‘Is created, presented and disseminated for economic gain or to intentionally deceive the public’; and

(b) ‘May cause public harm’, intended as ‘threats to democratic political and policymaking processes as well as public goods such as the protection of EU citizens’ health, the environment or security’

Dit is een behoorlijk brede definitie: zo omvat het ‘misleidende’ informatie die wordt ‘gemaakt of gepresenteerd met een winstoogmerk’ en het publiek belang zou kunnen schaden. Weliswaar zijn bepaalde categorieën informatie uitgezonderd van de definitie (bijvoorbeeld satire, parodie, ‘clearly identified partisan news’), maar de definitie geeft wel erg veel ruimte aan de verbeelding van degene die hem hanteert.

Verplichtingen Code of Practice

De online platforms die de Code ondertekenen committeren zich aan breed geformuleerde verplichtingen op vijf vlakken:

  1. Online advertenties: de platforms dienen zich in te spannen om de inkomsten uit online advertenties voor ‘fake’ accounts (accounts ‘misrepresenting material information about [themselves]’) te beperken, en zoveel mogelijk te voorkomen dat advertenties van dergelijke partijen te zien zijn voor gebruikers;
  2. Politieke en ‘issue-based’ advertenties: dit soort online advertenties dienen duidelijk herkenbaar te zijn als zodanig. Voor politieke advertenties geldt dat de platforms inzicht moeten bieden in bijvoorbeeld van wie de advertentie afkomstig is, en wat er besteed is aan de advertentie
  3. Tegengaan bots: de platforms moeten beleid ontwikkelen tegen het misbruik van bots en het geautomatiseerd aanmaken van fake accounts bij het gebruik van hun diensten;
  4. Vindbaarheid ‘betrouwbare’ informatie: de online platforms zeggen toe om hun diensten zo in te richten dat gebruikers de betrouwbaarheid van de daar beschikbare informatie beter kunnen beoordelen. Ook zullen de platforms investeren in “technological means to prioritize relevant, authentic and authoritative information where appropriate in search, feeds or other automatically ranked distribution channels”;
  5. Onderzoek: de platforms zullen meewerken – onder meer door het verstrekken van data – aan onderzoek over desinformatie.

De EU heeft de online platforms hierbij de opdracht meegegeven dat alle maatregelen die worden genomen volledig in lijn moeten zijn met alle relevante grondrechten, en in het bijzonder met de uitingsvrijheid. Het is niet duidelijk of, en hoe, de EU zal gaan monitoren op de conformiteit van de maatregelen met onder meer artikel 10 EVRM.

In een reactie geeft de EU aan dat, zoals al was gepland, er eind 2018 gekeken zal worden naar de stand van zaken en in het bijzonder of verdergaande regelgeving nodig is:

As foreseen in the Communication, the Commission will closely follow the progress made and analyse the first results of the Code of Practice by the end of 2018. Should the results prove unsatisfactory, the Commission may propose further actions, including actions of a regulatory nature.”

❌