[Contact]

Nieuwskop.nl Nieuwskoppen Nederland

๐Ÿ”’
โŒ Over FreshRSS
Er zijn nieuwe artikelen beschikbaar, klik om de pagina te vernieuwen.
OuderAlle Nieuwskoppen

Column Mary-Jo de Leeuw โ€“ #doeslief

Door Redactie
Vrijheid. Zo maar een woord dat regelmatig in allerlei contexten wordt gebruikt en voor iedereen een andere betekenis heeft. Neem nou het fenomeen autorijden in combinatie met vrouwen en Saudi-Arabië.

Vorderingen Noorse broeders tegen NRC ook in hoger beroep afgewezen

Door Lotte Oranje

Op 11 mei 2017 publiceerde NRC Handelsblad een artikel waarin stond dat de Rabobank haar relatie met de Noorse broeders, de christelijke geloofsgemeenschap CGN, wil verbreken. De kop van dit artikel luidde: ‘Rabo stopt met Noorse broeders’. CGN was het niet eens met dit artikel en eiste in een kort geding een rectificatie. CGN is van mening dat de bank de relatie helemaal niet heeft beëindigd en dat NRC hierover foutief heeft bericht. In juli 2017 oordeelde de voorzieningenrechter dat de publicatie van NRC rechtmatig was, omdat de NRC voldoende aanwijzingen had om ervan uit te gaan dat de Rabobank de relatie met de Noorse broeders wilde verbreken. Daarnaast heeft NRC de kern van de reactie van CGN in het artikel opgenomen, waardoor er voldoende wederhoor heeft plaatsgevonden. De voorzieningenrechter wees daarom alle vorderingen van CGN af.

CGN ging in hoger beroep. Het Hof Den Haag deed op 4 juni 2019 uitspraak en geeft de voorzieningenrechter gelijk in het oordeel dat geen sprake is van een onrechtmatige perspublicatie. “De kop (“Rabo stopt met Noorse broeders “) en de eerste zin van het artikel van 11 mei 2017 (“Rabobank verbreekt haar relatie met de Noorse broeders“) kunnen de (onjuiste) indruk wekken dat destijds reeds sprake was van een voldongen feit. [...] CGN voert aan dat de gemiddelde krantenlezer (alleen) de krantenkoppen leest, maar wat daar ook van zij, de kop is niet de meetlat voor de onrechtmatigheid van het hele artikel. Een kop mag scherp worden aangezet en een vergroving van de inhoud van het bijbehorende artikel bevatten” (r.o. 15). Volgens het hof wordt de indruk die in de kop en de eerste zin wordt gewekt voldoende genuanceerd in de rest van het artikel, mede doordat de kern van de reactie van CGN ook nog in het artikel is verwerkt. Het hof vindt daarom dat een gemiddelde lezer na de lezing van het gehele artikel zal concluderen dat de Rabobank voornemens is de relatie met de Noorse Broeders te verbreken, iets wat feitelijk juist is.

Het hof voegt nog toe: “Het hof neemt hierbij in aanmerking dat al eerder kritische berichten over CGN en aan haar gelieerde entiteiten waren gepubliceerd, ook door andere media dan NRC Media, en dat het onderhavige artikel een bijdrage kon leveren aan het maatschappelijke debat.” (r.o. 16). De voorzieningenrechter heeft dus terecht geoordeeld dat de publicatie van NRC rechtmatig is.

CGN sprak niet alleen NRC aan, maar ook journalist Joep Dohmen en hoofdredacteur Peter Vandermeersch. Hierover oordeelt het hof: “Ten overvloede overweegt het hof dat de vorderingen jegens hen hoe dan ook niet toewijsbaar zouden zijn geweest. NRC c.s. heeft er terecht en onweersproken op gewezen dat alleen NRC Media kan rectificeren en verwijderen.” (r.o. 19). De hoofdredacteur en de journalist kunnen dus niet persoonlijk aansprakelijk zijn voor de perspublicatie, omdat zij niet zelf het artikel kunnen rectificeren en verwijderen.

NRC werd in deze zaak bijgestaan door Jens van den Brink.

Publicatie Quote over belangenverstrengeling Eerste Kamerlid niet onrechtmatig

Door Romee Groenewold

Op 15 maart 2019 is op Quotenet.nl een artikel gepubliceerd met de titel: ‘Geldeiser legt beslag op bedrijf VVD-senator’. Het artikel was gebaseerd op een onderzoek van  Quote naar verschillende ondernemingen van Eerste Kamerlid Anne-Wil Duthler, tevens ondernemer en advocaat, en haar echtgenoot, in verband met mogelijke belangenverstrengeling.
De conclusie van het artikel was dat Duthler onvoldoende onderscheid maakt tussen haar verschillende functies als Kamerlid, ondernemer en advocaat.
Duthler stapte als gevolg van dit artikel naar de voorzieningenrechter en vorderde onder meer rectificatie en een schadevergoeding. In haar vonnis van 25 april 2019 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen afgewezen. Volgens de  voorzieningenrechter maakte het artikel wel inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van Duthler, maar was de publicatie niet onrechtmatig.

Daarbij heeft de voorzieningenrechter meegewogen dat Duthler lid is van de Eerste Kamer en daarom de rol van publiek figuur bekleedt. Het handelen van Duthler buiten de Eerste Kamer is maatschappelijk relevant omdat dit ook haar functioneren als Kamerlid, of op zijn minst het ambt van volksvertegenwoordiger raakt.  De samenleving is er bij gebaat om te worden geïnformeerd over de (on)kreukbaarheid van haar vertegenwoordigers. Het artikel van Quote vindt daarnaast voldoende steun in de feiten. Duthler ageerde onder meer tegen vermelding in het artikel dat er voor ruim 900.000 euro beslag zou zijn gelegd op de bankrekeningen van haar bedrijf, en dat zij op onzuivere wijze zaken zou doen en zakenpartners zou oplichten. Dat er beslag op de bankrekening van het bedrijf van Duthler is gelegd, waarover overigens al eerder was bericht, staat vast. De verschillende bronnen die Quote bij haar onderzoek heeft benaderd, waarvan er drie ten behoeve van de procedure een verklaring hebben afgelegd, en verschillende e-mails van Duthler, bevestigen verder de vragen die in het artikel over de handelswijze van Duthler worden opgeroepen.
Verder wordt van belang geacht dat het Eerste Kamerlid en haar echtgenoot meerdere malen in de gelegenheid zijn gesteld om een reactie te geven en zo hun eigen kant van het verhaal te vertellen, maar dat zij er daarbij steeds voor gekozen hebben ontwijkende antwoorden te geven, hetgeen de boodschap van het artikel alleen maar heeft versterkt.

Onder deze omstandigheden weegt het recht van Quote om het publiek over de handelswijze van Duthler te informeren zwaarder dan het recht van Duthler op bescherming van haar privacy. Het artikel hoeft dus niet te worden gerectificeerd.

Valt YouTube video onder journalistieke exceptie privacyrichtlijn?

Door Romee Groenewold

 

Een man uit Letland heeft op het Letse nationale politiebureau zonder toestemming of medeweten van de politieagenten een video-opname gemaakt van politieagenten terwijl een verklaring wordt afgelegd en heeft de opgenomen beelden gepubliceerd op YouTube. De Privacy-commissie in Letland en twee nationale gerechtelijke instanties oordelen dat deze video Letse privacywetgeving schond.

De man, die zich een ‘burgerjournalist’ noemt, stelt uiteindelijk cassatieberoep in bij de hoogste rechterlijke instantie van Letland tegen het arrest onder aanvoering van zijn recht op vrijheid van meningsuiting. Deze instantie schorst de behandeling van de zaak en verzoekt het Hof zich uit te laten over de vragen of 1) de activiteiten die in deze zaak aan de orde zijn binnen de werkingssfeer van richtlijn 95/46, betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (“de privacyrichtlijn”) vallen en 2) of de privacyrichtlijn zo moet worden uitgelegd dat dergelijke activiteiten kunnen worden beschouwd als een verwerking van persoonsgegevens voor journalistieke doeleinden in de zin van artikel 9 van de privacyrichtlijn.

In zijn arrest van 14 februari 2019, geeft het Hof op de eerste vraag een weinig verrassend antwoord; elk gegeven dat kan worden herleid tot een persoon is een persoonsgegeven. Het opnemen en publiceren van personen in een video is dus een (geautomatiseerde) verwerking van persoonsgegevens.

Het antwoord op de tweede vraag is een stuk interessanter. Het Hof memoreert dat artikel 9 van de privacyrichtlijn tot doel heeft twee belangrijke grondrechten (het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het recht op vrijheid van meningsuiting) met elkaar te verzoenen.

Enerzijds betekent dit dat de term ‘journalistieke doeleinden’ ruim moet worden uitgelegd. Dat de man dus geen professioneel journalist is, of dat de video is geplaatst op een platform dat ook kan worden gebruikt voor andere doeleinden dan uitsluitend voor journalistieke activiteiten sluit niet uit dat de plaatsing onder de uitzondering van artikel 9 van de privacyrichtlijn valt.

Aan de andere kant moet wel vast komen te staan, zoals artikel 9 voorschrijft, dat de publicatie van de video in dit geval uitsluitend journalistieke doeleinden had. Bovendien moet worden bedacht dat de uitzondering van artikel 9 van de privacyrichtlijn alleen moet worden toegepast als dat nodig is om een evenwicht tussen de beide grondrechten te bewerkstelligen. Dat evenwicht wordt in belangrijke mate al gevormd door de jurisprudentie van het EHRM, dat zich voortdurend over de raakvlakken tussen beide grondrechten uitspreekt. Toepassing van uitzonderingen, zoals de journalistieke exceptie van de privacyrichtlijn, moet dus alleen als dat strikt noodzakelijk is.

Of de man de YouTube video uitsluitend heeft geplaatst om een misstand aan de kaak te stellen, of dat hij daarbij ook andere motieven had, is een vraag van feitelijke aard, die aan de nationale rechter is om te beantwoorden. Het Hof oordeelt in elk geval dat een uitleg van de privacyrichtlijn daaraan niet in de weg hoeft te staan.

 

 


EHRM in Hoiness: Noorse nieuwswebsite niet aansprakelijk voor anonieme posts op debatforum

Door Jens van den Brink

Het EHRM heeft op 19 maart 2019 arrest gewezen in de zaak Hoiness t. Noorwegen. Die zaak draaide om de vraag of een nieuwsforum aansprakelijk is en schadevergoeding zou moeten betalen voor drie anoniem geplaatste posts op een debatforum die door klaagster als diffamerend waren ervaren. Volgens het EHRM had de Noorse rechter binnen haar beoordelingsvrijheid gehandeld door te oordelen dat het nieuwsforum daar niet aansprakelijk voor was.

Mona Hoiness is een bekende Noorse advocate en voormalig talkshowhost, die lange tijd actief heeft deelgenomen aan het publieke debat. In 2011 zijn op het bekende Noorse nieuwsforum Hegnar Online drie seksueel getinte anonieme posts over Hoiness geplaatst over een erfkwestie waar Hoiness persoonlijk betrokken bij was.

Zij werd ervan beschuldigd een golddigger te zijn, en zich de nalatenschap van een rijke weduwe te hebben toegeëigend. Hoiness klaagde over onder meer de volgende commentaren op Hegnar Online:

  • poster claimed to “know someone who knows someone” who had been “lucky to have shagged” the applicant
  • If I were to s–– her, it would have to be blindfolded. The woman is dirt-ugly – looks like a wh––
  • whether [Høiness] was “still shagging” someone referred to by the nickname “trønderbjørn”’

Hoiness heeft het nieuwsforum van de posts op de hoogte gesteld via een meldknop bij de berichten. De eerste twee posts hadden ongeveer 10 dagen online gestaan en zijn enkele minuten na de melding verwijderd. Het derde bericht stond ongeveer drie dagen online tot het door een moderater op eigen initiatief werd verwijderd.

Hoiness heeft het nieuwsforum toch aansprakelijk gesteld voor de schade die zij zou hebben geleden. De nationale rechter heeft de vordering van Hoiness tot tweemaal toe afgewezen. In eerste instantie is geoordeeld dat de posts onder de gegeven omstandigheden onvoldoende ernstig waren om als diffamerend te kunnen worden aangemerkt. In hoger beroep oordeelt de rechter dat van schadevergoeding hoe dan ook geen sprake kon zijn. Op het nieuwsforum rustte geen verplichting om de posts vooraf te screenen en het nieuwsforum had voldoende, effectief gebleken maatregelen getroffen om de schadelijke gevolgen van onrechtmatige posts te beperken (o.a. een meldknop en de inzet van moderators). Hoiness is tot een proceskostenveroordeling veroordeeld van in totaal circa EUR 50.000,-.

Nadat het Noorse Hof van Cassatie, het verzoek om cassatie te mogen instellen had afgewezen, wendde Hoissen zich tot het EHRM, waar zij stelde dat de Noorse rechter geen juiste afweging heeft gemaakt tussen het recht op vrijheid van meningsuiting (artikel 10 EVRM) en haar recht op bescherming van haar privacy (artikel 8 EVRM).

Het Hof herhaalt, onder verwijzing naar eerdere uitspraken, dat een uiting pas een inbreuk kan maken op artikel 8 EVRM indien de uiting voldoende ernstig is en dat verder aan de nationale rechter bij de te maken belangenafweging tussen beide rechten een grote mate van beoordelingsvrijheid toekomt, mits zij bij haar beoordeling de door het Hof in de jurisprudentie vastgestelde criteria betrekt. In dit geval noemt het Hof met name de context waarin de berichten zijn geplaatst, de mogelijke alternatieve aansprakelijkheid van de auteurs van de posts, de maatregelen die het nieuwsforum heeft getroffen om onrechtmatige posts te bestrijden en de gevolgen van de nationale procedure voor het nieuwsforum. Daarbij verwijst het EHRM naar de eerdere arresten Delfi en MTE en Index.

Het EHRM vindt relevant dat “Hegnar Online was a large, commercially run news portal and that the debate forums were popular. It does not appear, however, from the judgments of the domestic courts that the debate forums were particularly integrated in the presentation of news and thus could be taken to be a continuation of the editorial articles.

Dat het gaat om een grote commerciële website maakt op zich dus niet dat de site daarom aansprakelijk wordt voor posts van derden; dat lijkt een nuancering van wat hierover is gezegd in het Delfi arrest.

Het Hof komt vervolgens tot de conclusie dat de Noorse rechter zich in zijn uitspraken van deze criteria voldoende rekenschap heeft gegeven, waarbij het met name gewicht lijkt toe te kennen aan de vaststelling van het Noorse hof dat het nieuwsforum effectieve maatregelen had getroffen om de schadelijke gevolgen van diffamerende berichten te beperken. Hoewel het EHRM erop wijst dat de moderators volgens de nationale rechter maar beperkt actief waren, en dat “they may not have discovered a great number of unlawful comments to remove of their own motion“. het Bij deze uitkomst bestaat voor het Hof geen aanleiding de uitkomst van de belangenafweging door de nationale rechter aan te tasten. Het Hof vindt ten slotte ook de omvang van de proceskostenveroordeling, mede gelet op de (financiële) slagkracht van Hoiness, niet excessief en laat deze in stand.

Na het Delfi arrest bestond de angst dat websites relatief snel aansprakelijk zouden kunnen worden gesteld voor posts van derden. Net als in MTE en Index, lijkt het EHRM hier weer de effecten van het eerdere te hebben ingeperkt.

Auteurs: Jens van den Brink en Michael Bacon

EHRM in Magyar Jeti over hyperlinken naar diffamerende content

Door Michael Bacon

Op 4 december 2018 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zich in de zaak Magyar Jeti Zrt tegen Hongarije (opnieuw) uitgesproken over hyperlinken. Hongarije wordt door het EHRM op de vingers getikt, wegens een te strenge beoordeling van de aansprakelijkheid van een nieuwswebsite voor het linken naar een publicatie met diffamerende content. Dit heeft een ‘chilling effect’ op de vrijheid van meningsuiting.

Een journalist, werkzaam bij de populaire Hongaarse nieuwswebsite www.444.hu, werd beschuldigd van het verspreiden van een onrechtmatige publicatie, door het plaatsen van een hyperlink naar deze publicatie bij een artikel op de website. De journalist schreef in 2013 een artikel over een incident in het dorpje Konyár. Daar schopten dronken voetbalsupporters herrie en maakten zij racistische opmerkingen bij een school waar voornamelijk Roma-studenten naar toe gaan. Bij het artikel plaatste de journalist een hyperlink naar een interview op YouTube met de Roma-gemeenschapsleider uit het dorp over Roma-problematiek. In dit interview beweerde de leider dat de voetbalsupporters aanhangers van de Hongaarse rechts-populistische ‘Jobbik’ partij waren. In latere uitspraken is door de Hongaarse rechter geoordeeld dat deze bewering onjuist en onrechtmatig was ten opzichte van de partij in kwestie. Omdat het Hongaarse recht bepaalt dat een verwijzer naar (later) onrechtmatig bevonden content op het internet automatisch aansprakelijk is jegens de benadeelde partij voor de verspreiding van die onrechtmatige content, is de nieuwswebsite veroordeeld tot het plaatsen van rectificaties en het verwijderen van de hyperlink uit het artikel. Het EHRM benadrukt het belang van hyperlinks voor het waarborgen van een goede werking van het internet en de toegang tot informatie.

In het uitspraak heeft het Hof het meeste commentaar op het automatisme waarmee een verwijzer in Hongarije aansprakelijk wordt gehouden voor (later) onrechtmatig bevonden content op het internet. Gelet op de karakteristieke kenmerken van hyperlinks, met name dat de content waarnaar wordt verwezen zelf niet wordt getoond en de verwijzer in de regel geen invloed op de content heeft, moet de aansprakelijkheid van de verwijzer van geval tot geval worden beoordeeld. Het Hof formuleert vervolgens vijf criteria die in de context van art. 10 EVRM kunnen worden meegenomen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid van een hyperlink naar een publicatie op het internet

  1.      Heeft de journalist de informatie ondersteund?
  2.      Heeft de journalist de inhoud slechts herhaald?
  3.      Heeft de journalist alleen de link gepost zonder iets erbij te vermelden?
  4.      Kon de journalist weten dat de inhoud lasterlijk of onrechtmatig was?
  5.      Heeft de journalist in goede trouw gehandeld, met respect voor de journalistieke ethiek?

De Hongaarse journalist heeft in dit geval bij het artikel een hyperlink geplaatst, slechts met de mededeling dat een interview met de Roma-gemeenschapsleider online stond. Daarop is verder geen commentaar gegeven en is niet ingegaan op de inhoud van het filmpje, laat staan dat de politieke partij is genoemd. Volgens het Hof was niet overduidelijk dat de journalist wist of had moeten weten dat de content waarnaar de hyperlink verwees onrechtmatig was. Onder deze omstandigheden dient de vrijheid van meningsuiting te prevaleren en was het plaatsen van een hyperlink naar dat artikel dus niet onrechtmatig in de zin van artikel 10 EVRM. De Hongaarse wetgever heeft nagelaten om te voorzien in de mogelijkheid tot een goede afweging van de belangen van de verzoekende onderneming op grond van art. 10 EVRM. Journalisten zouden zich hierdoor sneller kunnen onthouden van het linken van materiaal waarover zij geen controle hebben. Dit veroorzaakt direct of indirect een ‘chilling effect’ op de vrijheid van meningsuiting. Kortom, er is in dit geval sprake van een schending van art. 10 EVRM.

โŒ